id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.517 Rolnummer: A. 233923/XIV-38737 Zaak: Cassatiebeschikking 14517 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-26 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 03:53 Fiche Beschikking nr 14.517 van 22 juli 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.517 van 22 juli 2021 in de zaak A. é.923/XIV-38.737 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erik Cluyse kantoor houdend te 9070 Destelbergen Walbosdreef 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 juni 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 254.436 van 12 mei 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 juni 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker merkt in het eerste middel op dat “de dienst Vreemdelingenzaken zich heeft beperkt mbt rolnummer RvV 257.231 tot het feit dat de afstand wordt vastgesteld”. Het gaat echter niet om een beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken doch om een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het XIV-38.737-1/5 bestreden arrest. Verzoeker verwijst in het opschrift van het middel naar de artikelen 3 en 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), doch hij zet niet in het minst uiteen op welke wijze deze verdragsbepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker richt zich in het tweede middel enkel tegen de beslissing van “de gemachtigde van de staatssecretaris”. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending op geworpen van “de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie” noch van artikel 22 van de Grondwet. Hierbij dient geen rekening te worden gehouden met het verzoekschrift tot nietigverklaring waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest met toepassing van artikel 39/68-2 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) de afstand heeft vastgesteld. Verzoeker vermag een schending van de voornoemde beginselen en het voornoemde grondwetsartikel dan ook niet voor het eerst op te werpen in de graad van administratieve cassatie. Verzoeker acht het “kennelijk onredelijk […] om te stellen dat er geen ‘gezinscel’ bestaat zonder te beschikken over gegevens die er op wijzen dat verzoekende partij zich niet vestigt of komt vestigen met zijn echtgenote”. Voor zover deze kritiek niet is gericht tegen de beslissingen van de verwerende partij van 29 januari 2021, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en zich niet uitspreekt over de door de eerste rechter gemaakte beoordeling van de redelijkheid van de beslissing van de verwerende partij. Verzoeker stelt nog dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte een niet-richtlijnconforme interpretatie heeft gegeven” doch hij geeft niet in het minst aan op welke wijze dit zou zijn gebeurd. XIV-38.737-2/5 Het derde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending van artikel 3 van het EVRM opgeworpen wat de vaststelling betreft dat er geen gezamenlijke vestiging is. Hij vermag dergelijke schending dan ook niet voor het eerst op te werpen in de graad van administratieve cassatie. Het vierde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- In het vijfde middel werpt verzoeker nogmaals de schending op van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Zijn kritiek is opnieuw gericht tegen de wijze waarop de verwerende partij tot haar beslissingen van 29 januari 2021 is gekomen. Het vijfde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Zoals reeds is vastgesteld bij de behandeling van het derde middel, heeft verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending op geworpen van “de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie” noch van artikel 22 van de Grondwet. Wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betreft, richt verzoeker zich slechts tegen “de administratieve overheid”, waarbij hij voorbij gaat aan de motieven van het bestreden arrest. Het zesde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van “eenheid van rechtspraak”. Dat de eerste voorzitter en de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 39/6, § 1, laatste lid, van de vreemdelingenwet erover waken dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard, betekent niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou zijn gebonden door een XIV-38.737-3/5 interpretatie die voordien zou zijn gegeven door die Raad aan een bepaald wetsartikel, te dezen artikel 11, § 2, 4°, van de vreemdelingenwet. Zoals reeds aangehaald, heeft verzoeker voor de eerste rechter geen schending opgeworpen van de artikelen 3 en 5 van het EVRM. Zoals eveneens reeds aangegeven, zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker ontwikkelt op geen enkele wijze zijn stelling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “ten onrechte een niet-richtlijnconforme interpretatie heeft gegeven aan artikel 40 van de [vreemdelingenwet”. Wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM betreft, haalt verzoeker slechts op algemene wijze aan dat een concrete afweging was vereist tussen het algemeen belang en verzoekers eigen belang. Hij gaat hierbij echter voorbij aan de omstandige en concrete motieven in punt 3.1.2 van het bestreden arrest, waarvan hij de onwettigheid dan ook niet aantoont. Het zevende middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.737-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig juli tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.737-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.517 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div