id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 22 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.518 Rolnummer: A. 233765/XIV-38719 Zaak: Cassatiebeschikking 14518 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 22/07/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-07-26 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-11 03:54 Fiche Beschikking nr 14.518 van 22 juli 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.518 van 22 juli 2021 in de zaak A. é.765/XIV-38.719 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 mei 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 253.089 van 20 april 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 juni 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het eerste middel
- Na te hebben aangehaald dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, niet van toepassing is in asielzaken, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat, wat de door verzoeker in het verzoekschrift tot beroep voorgehouden talrijke technische problemen tijdens het via een videoconferentie gehouden XIV-38.719-1/7 persoonlijk onderhoud betreft, enkel blijkt dat het geluid op een bepaald ogenblik wegviel maar dat het persoonlijk onderhoud werd hervat en er geen verdere technische problemen werden gemeld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat de loutere verwijzing naar het gegeven dat verzoeker tijdens dat onderhoud emotioneel was en huilde, niet volstaat om aan te tonen dat verzoeker door het gebruik van een videoconferentie niet in de mogelijkheid was om de redenen van zijn verzoek om internationale bescherming op afdoende wijze toe te lichten of de vragen te beantwoorden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt ook vast dat verzoeker na een beslissing tot verder onderzoek een tweede maal werd gehoord op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat noch verzoeker noch zijn advocaat toen gewag hebben gemaakt van problemen die zich zouden hebben voorgedaan tijdens het eerste onderhoud of van aspecten die verzoeker onvoldoende zou hebben kunnen toelichten omwille van het gebruik van een videoconferentie, dat uit de notities van het tweede onderhoud blijkt dat dit ongeveer dezelfde duur had als het eerste persoonlijk onderhoud en dat verzoeker opnieuw werd bevraagd over alle aspecten van zijn verzoek om internationale bescherming.
- Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de eerste plaats oordeelt dat verzoekers belangen te dezen op geen enkele manier blijken te zijn geschaad door het voeren van een persoonlijk onderhoud via videoconferentie. Deze vaststelling is niet onwettig nu uit het dossier van de zaak blijkt dat verzoeker op 12 augustus 2019 heeft deelgenomen aan dat onderhoud, zonder enige opmerking en in aanwezigheid van zijn advocaat. Vervolgens stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker tijdens het tweede onderhoud op 17 oktober 2019, eveneens in aanwezigheid van zijn advocaat, geen enkele opmerking heeft gemaakt over het verloop van het eerste onderhoud. Zowel bij het eerste als het tweede onderhoud werd aan verzoeker en zijn advocaat afzonderlijk gevraagd of zij nog iets hadden toe te voegen. Uit dit alles blijkt dat en op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen minstens impliciet doch zeker van oordeel is dat te dezen geen schending aan de orde is van artikel 12 en volgende van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal XIV-38.719-2/7 voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van het recht van verdediging. De guidelines van het UNHCR hebben geen rechtstreekse werking in het Belgische recht zodat verzoeker zich niet dienstig kan beroepen op een mogelijke schending ervan. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn kritiek dat het bestreden arrest niet zou zijn gemotiveerd wat het respecteren van die guidelines betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht er ook op wettige wijze rekening mee te houden dat een tweede en fysiek onderhoud werd gehouden, waarbij verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, nogmaals alle bijkomende verklaringen kon afleggen die hij wenselijk achtte, eventuele opmerkingen kon maken of correcties kon maken bij het (verslag van) het eerste onderhoud. Bij dit alles moet worden vastgesteld dat verzoeker ook thans, evenmin als voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, niet aangeeft door welke concrete fouten, onvolledigheden of andere tekortkomingen het eerste onderhoud zou zijn aangetast doordat het via een videoconferentie werd gevoerd.
- Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het eerste middel
- Verzoeker geeft niet aan welke elementen uit zijn verklaringen niet correct zouden zijn vertaald, hetzij gedurende het eerste onderhoud, hetzij gedurende het tweede onderhoud, hetzij ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en hoe die concrete tekortkomingen de strekking van het bestreden arrest zouden hebben beïnvloed. Dat de vertaling “niet zo vlot” is verlopen, zoals in het proces-verbaal van de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen staat vermeld, betekent niet dat de vertaling niet correct was.
- Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.719-3/7 Tweede middel
- Wat de uitsluiting van de internationale bescherming betreft, meer bepaald wegens misdrijven tegen de menselijkheid, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst dat deze ook geldt voor personen die wetens en willens aanzetten tot of anderszins deelnemen hieraan en dat, opdat er van deelneming aan zulk misdrijf sprake kan zijn, de vreemdeling individuele verantwoordelijkheid moet treffen, hetgeen inhoudt dat hij een substantiële bijdrage heeft geleverd aan het misdrijf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat twee criteria moeten vervuld zijn, namelijk dat een uitsluitbare misdaad of handeling begaan is (de actus reus) en dat de betrokkene de intentie heeft gehad om deze misdaad te plegen of ertoe bij te dragen (de mens rea). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast, hetgeen niet wordt betwist, dat tijdens de periode dat verzoeker actief was als dorpssecretaris gedwongen abortussen werden gepleegd en dat verzoeker hiervan op de hoogte was vermits hij zelf aangeeft er zelf ook getuige van te zijn geweest. Vermits niet blijkt dat verzoeker zelf is overgegaan tot de uitvoering van gedwongen abortussen of sterilisaties, gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens na “in welke mate verzoeker een wezenlijke bijdrage heeft geleverd bij de uitvoering van deze praktijk en hij daarbij de intentie had om hieraan deel te nemen in de zin van het Statuut van Rome”, waarbij “de rol die verzoeker daadwerkelijk heeft gespeeld bij het mogelijk maken van de gedwongen abortussen, de mate waarin hij er kennis van had en de vraag of er druk op hem werd uitgeoefend en het bestaan van eventuele verschoningsgronden cruciale elementen [zijn] bij de beoordeling van zijn individuele verantwoordelijkheid”. Concreet volgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verzoekers stelling dat hij niet zelf zou hebben gesolliciteerd voor de functie van dorpssecretaris. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt uit verzoekers verklaringen niet dat hij weigerachtig stond tegenover het idee om dorpssecretaris te worden, noch dat hij op dat dat ogenblik pogingen zou hebben ondernomen om er onderuit te komen, doch integendeel dat verzoeker wel degelijk een opportuniteit zag in die functie. Daarentegen zijn er volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onvoldoende elementen in het dossier om aan te nemen, dat verzoeker toen hij dorpssecretaris werd in Dolan er kon van uitgaan dat de uitvoering van het geboortebeleid in de praktijk van hem zou vereisen dat hij zou moeten deelnemen aan een systeem van gedwongen abortussen en sterilisaties”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt evenwel vast “dat verzoekers beschrijving van zijn rol in de uitvoering van het Chinese geboortebeleid geen ruimte laat XIV-38.719-4/7 voor twijfel wat zijn daadwerkelijke betrokkenheid bij dit systeem tijdens de periode dat hij dorpssecretaris was, betreft”. Hij komt hiertoe op grond van de volgende concrete vaststellingen: “Voorts verklaart verzoeker dat hij in eerste instantie zwangere vrouwen die de geboortequota zouden overschrijden onder druk moest zetten om een abortus te laten uitvoeren en daarbij onder meer ook dreigde met inbeslagname van voertuigen, vee en andere essentiële bezittingen van boeren, wat hun bron van inkomsten rechtstreeks zou treffen (notities PO I, p. 11-12); dat indien de vrouwen weigerden de dokters kwamen en deze vrouwen door de dorpspolitie werden opgepakt en naar het ziekenhuis gebracht (notities PO II, p. 12) en dat hij, nadat hij een dringende telefoon had gekregen van de Xiang secretaris hij gedurende 2 à 3 dagen geen andere taken op zich mocht nemen dan zwangere vrouwen op te pakken en hen een abortus te laten ondergaan (notities PO II p. 12). In het kader van deze actie verklaart verzoeker dat hij samen met de politie en iemand van het kantoor vrouwenzaken een groep vormde die naar de huizen ging en naar het ziekenhuis. Verzoeker verklaart dat hij niet aanwezig wilde zijn maar ‘ik moest het opvolgen’ en dat hij zijn ogen sloot maar het schreeuwen van de vrouwen hoorde. Verder verklaart hij dat, nadat een vrouw was overleden, hij van de cun moest trachten de echtgenoot ervan te overtuigen geen klacht in te dienen, dat deze man dat toch deed en uiteindelijk zeven jaar gevangenisstraf kreeg (notities PO II, p. 13). Verzoeker voert aan dat hij nooit zelf de beslissing heeft genomen om de vrouwen thuis te op te halen en naar het ziekenhuis te brengen en nooit persoonlijk vrouwen naar het ziekenhuis bracht. Hij stelt dat waar in de notities van het eerste persoonlijk onderhoud er wordt verwezen naar ‘wij (p. 12)’ hij daarmee niet bedoelde dat hij dit persoonlijk deed maar dat hij deel uitmaakte van een breder proces. De Raad kan evenwel niet anders dan vaststellen dat, zoals hoger reeds aangehaald, tijdens het tweede persoonlijk onderhoud verzoeker wel degelijk verklaard heeft samen met de politie en een vrouw van het kantoor vrouwenzaken naar huizen van zwangere vrouwen geweest te zijn, hen onder druk heeft gezeten persoonlijk in het ziekenhuis aanwezig te zijn geweest. Dat verzoeker zich niet bewust zou geweest zijn van het feit dat hij betrokken was bij gedwongen abortus nadat hij dorpssecretaris was geworden, zoals in het verzoekschrift wordt betoogd, kan niet worden bijgetreden. Uit zijn verklaringen blijkt immers duidelijk dat hij wel degelijk op de hoogte was van het mogelijke lot van de vrouwen die hij ging bezoeken en was dit in elk geval zo voor de 30 vrouwen waarvan verzoeker verklaart dat hij er getuige van was dat zij een injectie kregen in het ziekenhuis en dat ‘hun baby’s werden zo gedood’ (notities PO I, p. 10).” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit uit het voorgaande “dat verzoeker wel degelijk een actieve rol speelde in de uitvoering van het Chinese geboortebeperkingsbeleid en daarbij moet vastgesteld worden dat hij misdaden tegen de menselijkheid, met name het uitvoeren van gedwongen abortussen in uitvoering van het Chinese geboortebeleid faciliteerde en zich bewust was van de gevolgen die dit zou hebben voor de vrouwen in kwestie” en dat, “gezien de specifieke rol die verzoeker daarbij speelde als dorpssecretaris, […] hij daarbij een substantiële bijdrage leverde”. XIV-38.719-5/7
- Uit de voormelde motieven van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een grondig onderzoek heeft gedaan naar de betrokkenheid van verzoeker en de actieve rol die hij heeft gespeeld evenals van verzoekers intentie daarbij, die volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk verder gaat dan het thans door verzoeker aangehaalde “aanvaarden” van de functie van dorpssecretaris. Verzoeker maakt wat dat betreft geen schending aannemelijk van artikel 55/2 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ iuncto artikel 1.F van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, iuncto artikel 12 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’. Hij zet niet uiteen op welke wijze de andere in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen geschonden zouden zijn. In de mate dat verzoeker de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onredelijk” acht, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
- Wat de voorgehouden schending van de jurisdictionele motiveringsplicht betreft, vormt het geen tegenstrijdigheid van motieven door in het bestreden arrest te overwegen dat “waar verzoeker nog aanvoert dat hij van zijn functie gebruik heeft gemaakt om ‘binnen het systeem’ meer dan 200 vrouwen en hun kind te redden, […] dit geen afbreuk doet aan het voorgaande waarbij werd vastgesteld dat verzoeker betrokken was bij de gedwongen abortus van vrouwen in de periode dat hij dorpssecretaris was en dat hij daartoe wetens en willens een substantiële bijdrage leverde”. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf een afweging te maken van deze elementen van de zaak.
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: XIV-38.719-6/7
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tweeëntwintig juli tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.719-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.518 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div