id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.524 Rolnummer: A. 233947/XIV-38742 Zaak: Cassatiebeschikking 14524 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/08/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-08-16 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 04:49 Fiche Beschikking nr 14.524 van 13 augustus 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.524 van 13 augustus 2021 in de zaak A. é.947/XIV-38.742 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelien Verstraeten kantoor houdend te 3000 Leuven Martelarenplein 20E bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 juni 2021, strekt tot de cassatie van arrest nr. 254.817 van 20 mei 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen XIV-38.742-1/5 wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest eerst naar de drie vorige verzoeken om internationale bescherming van verzoeker, waarvan het eerste niet-ontvankelijk werd verklaard omdat verzoeker geen gevolg had gegeven aan zijn oproeping door de dienst Vreemdelingenzaken, het tweede ongegrond werd verklaard omdat geen geloof kon worden gehecht aan verzoekers beweerde profiel van Afghaanse vluchteling in Iran en het derde niet-ontvankelijk werd verklaard omdat verzoeker geen nieuwe elementen had aangebracht die de kans aanzienlijk groter maakten om in aanmerking te komen voor de erkenning als vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat hij niet bevoegd is om bij de beoordeling van een volgend verzoek om internationale bescherming de definitieve beslissingen met betrekking tot vorige verzoeken nogmaals te beoordelen in beroep, doch dat hij bij de beoordeling van dergelijk volgend verzoek wel rekening mag houden met alle feitelijke elementen, ook met elementen die resulteren uit verklaringen die gedurende de behandeling van een vorig verzoek om internationale bescherming zijn afgelegd. Hij stelt vast dat verzoeker bij zijn vierde verzoek om internationale bescherming ter staving van zijn identiteit en nationaliteit een origineel Afghaans paspoort voorlegde en verder een kerkelijke verklaring en fotokopieën van foto’s van kerkelijke evenementen en van een doopbewijs ter staving van zijn bekering tot het christendom. Wat die nieuwe stukken betreft, citeert en volgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de motieven van de voor hem aangevochten beslissing dat het Afghaanse paspoort, uitgegeven door het Afghaanse consulaat te Bonn op 13 mei 2020, geenszins een bewijs is van verzoekers beweerde Afghaanse nationaliteit, laat staan van zijn voorgehouden profiel van Afghaans vluchteling in Iran, dat de plaatselijke registers van de burgerlijke stand in Afghanistan ten gevolge van de decennialange burgeroorlogen gedurende jaren niet werden bijgehouden ofwel volledig werden vernietigd, dat verzoeker geen authentiek document voorlegt waarop het consulaat zich kan hebben gesteund om een nationaliteitsverklaring op te stellen en te overhandigen aan verzoeker, dat de commissaris- generaal de eerder voorgelegde identiteitsdocumenten immers vals heeft bevonden, dat bijgevolg kan worden aangenomen dat verzoekers paspoort hem louter op basis van zijn XIV-38.742-2/5 verklaringen werd verstrekt, dat een brief van verzoekers advocaat waarin wordt gesteld dat verzoeker zich naar het consulaat heeft begeven om een taskara en een paspoort te verkrijgen, deze veronderstelling ondersteunt, dat verzoeker nog steeds nalaat de vele doorheen de vorige verzoeken om internationale bescherming vastgestelde tegenstrijdigheden uit te klaren, dat verzoeker er in de loop van de asielprocedure niet voor is teruggedeinsd om valse asielmotieven en valse bewijsstukken aan te brengen en zaken in te studeren om toch maar een verblijfplaats te krijgen via de asielprocedure en dat verzoekers paspoort dan ook niet van aard is om zijn beweerde nationaliteit en/of voorgehouden profiel van Afghaans vluchteling in Iran aan te tonen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder nog dat “verzoeker dan ook niet aannemelijk [maakt] dat in de bestreden beslissing op grond van onjuiste feiten of onredelijk werd geoordeeld dat ervan kan worden uitgegaan dat het aan hem overhandigde paspoort verstrekt werd louter op basis van zijn verklaringen en dat het origineel Afghaans paspoort geen bewijs is van zijn beweerde Afghaanse nationaliteit, laat staan van zijn voorgehouden profiel van Afghaans vluchteling in Iran” en dat verzoeker “in casu niet aan[toont] dat zijn paspoort onvoldoende werd onderzocht”. Hieruit blijkt duidelijk dat en waarom ondanks de nieuwe documenten geen geloof wordt gehecht aan verzoekers voorgehouden afkomst en profiel. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst verder naar de overweging in de voor hem aangevochten beslissing dat met betrekking tot verzoekers verklaringen en stukken over zijn bekering tot het christendom en zijn vrees om bij terugkeer naar Afghanistan of Iran te worden gedood omwille van die bekering, deze verklaringen en stukken inhoudelijk geen verband houden met het door verzoeker aangemeten profiel van Afghaans vluchteling in Iran, dat ongeloofwaardig werd bevonden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt zelf nog dat, “[n]u verzoeker nog steeds niet aantoont van Afghaanse nationaliteit te zijn of Afghaans vluchteling te zijn geweest in Iran, […] zijn betoog over zijn vrees voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan omwille van zijn bekering tot het christendom, de door hem ter staving van deze religieuze overtuiging voorgelegde nieuwe stukken en de algemene informatie over de situatie van christenen in Afghanistan die hij bij zijn verzoekschrift voegt in casu niet dienstig [zijn]”. Uit het voorgaande blijkt op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het besluit komt dat verzoeker geen nieuwe elementen aanbrengt die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van XIV-38.742-3/5 artikel 48/4 van dezelfde wet in aanmerking komt. Verzoeker maakt wat dat betreft geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Dat de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt in 2008 in een andere zaak de identitieits- en geboortegegevens van een verzoeker wel bewezen heeft geacht op grond van bepaalde stukken, afkomstig van de Afghaanse autoriteiten, doet geen afbreuk aan het voorgaande en betekent ook geenszins dat te dezen een onvolledig onderzoek zou zijn gebeurd. Vermits verzoekers voorgehouden Afghaanse afkomst en zijn profiel van Afghaans vluchteling in Iran niet geloofwaardig worden geacht, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder schending van artikel 48/3 of artikel 48/4 van de vreemdelingenwet besluiten dat verzoekers voorgehouden vrees voor vervolging omwille van zijn bekering tot het christendom te dezen niet dienstig is. Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. De beoordeling van de bewijswaarde van documenten en de daaraan gekoppelde gevolgen behoren tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter.
- Verzoeker werpt in de uiteenzetting van het middel nog een schending op van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: het EVRM) omdat het risico in de eerste plaats moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten die bekend waren of hadden moeten zijn ten tijde van de uitzetting. Het bestreden arrest houdt echter geen verwijderingsmaatregel in, laat staan een “uitzetting”, zodat verzoeker niet dienstig een schending van artikel 3 van het EVRM kan opwerpen.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.742-4/5
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien augustus tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Carlo Adams XIV-38.742-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.524 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div