← België

Cassatiebeschikking 14542 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/08/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.542 Rolnummer: A. 234040/XIV-38757 Zaak: Cassatiebeschikking 14542 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/08/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-08-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-11 04:52 Fiche Beschikking nr 14.542 van 20 augustus 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.542 van 20 augustus 2021 in de zaak A. 234.040/XIV-38.757 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Catherine Van Cutsem kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld 5 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 255.479 van 1 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. A. Eerste onderdeel van het eerste middel 1. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel eerst en vooral aan dat de verwerende partij, alvorens tot de toepassing van artikel 57/6/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) kan worden besloten, een “waarborg” had moeten krijgen van het veilig geachte derde land dat verzoeker opnieuw XIV-38.757-1/8 zou worden toegelaten tot het grondgebied. Hij verwijst daartoe ook naar artikel 38 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2013/32) en naar artikel 57/6, § 3, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet. 2. Wat deze kwestie betreft, bepaalt het voornoemde artikel 57/6, § 3, eerste lid, 2°, dat een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer “een derde land als veilig derde land in de zin van artikel 57/6/6 kan worden beschouwd voor de verzoeker, tenzij hij elementen naar voor brengt waaruit blijkt […] dat hij niet tot het grondgebied van dit land zal worden toegelaten”. Deze bepaling bevat kennelijk geen voorwaarde die bestaat uit een door de asielautoriteiten voor te leggen “waarborg” dat de betrokkene zal worden toegelaten tot het grondgebied van het veilig derde land. Ook artikel 38 van richtlijn 2013/32 bevat geen voorwaarde van dergelijke “waarborg” die een beslissing tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek om internationale bescherming zou moeten voorafgaan. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 maart 2020 in de zaak C-564/18, LH tegen Hongarije, het volgende gesteld over het door de rechter, te dezen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, te voeren onderzoek: “Wat voorts in het bijzonder een beroep betreft tegen een besluit waarbij een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk is verklaard op grond van de gronden voor niet-ontvankelijkheid die verband houden met het eerste land van asiel of het veilige derde land, zoals bedoeld onder respectievelijk

  1. b)en
  2. c)van artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, moet de rechter bij wie een dergelijk beroep is ingesteld, in het kader van het volledige en geactualiseerde onderzoek dat hij moet verrichten, met name nagaan of de persoon die om internationale bescherming verzoekt in een derde land voldoende bescherming geniet dan wel of een derde land als een veilig derde land voor de verzoeker kan worden beschouwd. Met het oog op dat onderzoek moet die rechter uiterst nauwgezet nagaan of er is voldaan aan elk van de cumulatieve voorwaarden die gelden voor de toepassing van een dergelijke grond voor niet-ontvankelijkheid – zoals, met betrekking tot de grond inzake het eerste land van asiel, bedoeld in artikel 35 van deze richtlijn en, met betrekking tot de grond inzake het veilige derde land, bedoeld in artikel 38 van diezelfde richtlijn – door in voorkomend geval de autoriteit die verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming te verzoeken alle documentatie en alle feitelijke gegevens die mogelijk relevant zijn over te leggen alvorens uitspraak te doen. Ook dient hij zich ervan te vergewissen dat de verzoeker zijn standpunt over de toepasselijkheid van de grond van niet-ontvankelijkheid op zijn XIV-38.757-2/8 specifieke situatie persoonlijk heeft kunnen uiteenzetten (zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punten 121 en 124).” Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt dus dat de rechter een volledig en geactualiseerd onderzoek moet verrichten waarbij hij uiterst nauwgezet moet nagaan of voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden met betrekking tot de grond van niet-ontvankelijkheid inzake het veilig derde land en zich in voorkomend geval alle mogelijk relevante documentatie en feitelijke gegevens moet laten verschaffen door de asielautoriteiten, te dezen het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, alvorens uitspraak te doen. Het Hof stelt aldus geen voorwaarde van het zich laten verschaffen van een waarborg, zoals verzoeker voorhoudt. Dat er geen waarborg voor toegang tot het veilig derde land is vereist, blijkt overigens ook uit de inhoud van artikel 38.4 van richtlijn 2013/32 dat net voorziet wat er moet gebeuren “wanneer het derde land de verzoeker niet tot zijn grondgebied toelaat” na een beslissing tot niet-ontvankelijkheid omdat er een veilig derde land voor de betrokkene bestaat, nl. de mogelijkheid om alsnog een verzoek tot internationale bescherming in te dienen overeenkomstig hoofdstuk II van deze richtlijn. 3. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de eerste in dit middelonderdeel door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag betreffende het bestaan van een “waarborg” voor toegang tot het veilig derde land niet moet worden gesteld. 4. Verzoeker voert verder aan dat hij zelf voldoende elementen heeft aangebracht waaruit het vermoeden kon worden afgeleid dat hij integendeel niet zomaar zou worden toegelaten tot het betrokken derde land. Deze argumentatie heeft betrekking op de beoordeling ten gronde van de dienaangaande door verzoeker aangehaalde elementen. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt zich in het bestreden arrest overigens niet tot een algemeen vermoeden dat verzoeker zal worden toegelaten tot het grondgebied van Zwitserland. In de beslissing van de verwerende partij van 7 december 2020 wordt reeds concreet overwogen dat verzoeker op 16 oktober 2009 een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend in Zwitserland, dat hij er een XIV-38.757-3/8 temporary admission status heeft gekregen, er in het bezit werd gesteld van een verblijfstitel op 17 december 2009 en er als begunstigde van deze status heeft verbleven van oktober 2009 tot september 2018 (buiten een verblijf van 5 maanden in Zweden), dat verzoeker wel verwijst naar een brief van de Zwitserse autoriteiten aan hemzelf en enkele duizenden lotgenoten met het oog op een heroverweging van zijn beschermingsstatus doch dat hij “zich beperkt tot een loutere bewering doch geen tast- of verifieerbare elementen bijbrengt om te onderbouwen dat [hij] effectief persoonlijk het voorwerp [heeft] uitgemaakt van dergelijke campagne, noch van het gegeven dat zulks desgevallend tot een daadwerkelijke heroverweging van [zijn] status zou hebben geleid”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat verzoeker met een verwijzing naar zijn al dan niet verstreken verblijfsvergunning in Zwitserland niet aantoont dat hij niet tot het grondgebied van Zwitserland zal worden toegelaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar de voor hem bestreden beslissing van 7 december 2020 en stelt dat “uit verzoekers verklaringen blijkt trouwens dat hij in 2014 naar Zweden ging en na vijf maanden werd gerepatrieerd naar Zwitserland, waar hij bleef tot september 2018 en intussen opnieuw opvang kreeg in een opvangcentrum en daarna een sociale woning”. Er blijkt dan ook een nauwgezet onderzoek te zijn gevoerd, zowel op basis van algemene informatie als van verzoekers eigen verklaringen en zijn concrete situatie. 5. Nu verzoeker niet ontkracht dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft beslist dat hij toegang heeft tot het grondgebied van Zwitserland en nu blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich voor dat oordeel niet heeft beperkt tot “een louter vermoeden van toelating tot het grondgebied van het veilige derde land”, zoals verzoeker voorhoudt, is de tweede in het eerste middelonderdeel voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil. 6. Uit het voorgaande blijkt nog dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij het nemen van zijn beslissing heeft geoordeeld dat aan de voorwaarde van toegang tot het grondgebied van het derde land is voldaan. De derde in het eerste middelonderdeel voorgestelde prejudiciële vraag, waarin verzoeker ervan uitgaat dat volgens het bestreden arrest enkel bij de tenuitvoerlegging van de beslissing zou moeten worden nagegaan of aan deze voorwaarde is voldaan, is gesteund op een foutieve lezing van het bestreden arrest en derhalve evenmin dienstig voor de oplossing van het geschil. XIV-38.757-4/8 7. Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. B. Tweede onderdeel van het eerste middel 8. Verzoeker voert in een tweede middelonderdeel in essentie aan dat het “kennelijk onredelijk” is om uit de gegeven omstandigheden af te leiden dat in casu sprake is van een zodanige band met Zwitserland dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat (veilig derde) land terug te keren. Hij haalt daartoe aan dat zijn verzoek om internationale bescherming werd geweigerd in Zwitserland, dat hij er slechts een “tijdelijke toelatingsstatus” genoot in afwachting van een uitvoerbare repatriëring naar Eritrea en dat zelfs deze status ondertussen definitief werd ingetrokken. Verzoeker meent “dat de enige band die met Zwitserland bestaat een eerder verblijf inhoudt op basis van een afgewezen verzoek om internationale bescherming” en dat “het loutere bestaan van een familiaal en/of sociaal netwerk […] hieraan dan ook geen afbreuk [kan] doen”. 9. Met deze argumentatie vraagt verzoeker in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf. De Raad van State is als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd om de door de eerste rechter gemaakte beoordeling van de grond van de zaak te toetsen aan de redelijkheid noch om deze beoordeling over te doen in de plaats van de eerste rechter. Zoals blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nauwgezet onderzocht of verzoeker toegang kan krijgen tot Zwitserland als veilig derde land, dit zowel op grond van algemene informatie als van verzoekers eigen verklaringen en concrete situatie. Zoals eveneens blijkt uit de behandeling van het eerste middelonderdeel, diende hij daarbij overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie rekening te houden met “alle documentatie en alle feitelijke gegevens die mogelijk relevant zijn”. Dit is des te duidelijker nu het Hof stelt dat de rechter erover moet waken dat de vreemdeling “zijn specifieke situatie persoonlijk heeft kunnen uiteenzetten”. Verzoeker kan dan ook niet worden gevolgd in zijn kritiek dat geen rekening zou mogen worden gehouden met verzoekers familiaal en sociaal netwerk voor wat betreft de beoordeling van het bestaan van een zodanige band met het derde veilig land dat XIV-38.757-5/8 het voor verzoeker redelijk is naar dat land terug te keren. Anders dan verzoeker voorhoudt, beperkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich geenszins tot “het loutere bestaan van een familiaal en/of sociaal netwerk” als grond voor zijn beslissing. 10. De eerste door verzoeker in het tweede middelonderdeel voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft betrekking op situaties die niet als dusdanig worden aangenomen door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Deze laatste oordeelt immers op grond van algemene en concrete gegevens net dat verzoeker wel toegang heeft tot het grondgebied van Zwitserland, dat hij er desgewenst een verzoek tot internationale bescherming kan indienen, dat niet blijkt dat verzoekers Zwitserse verblijfstitel is ingetrokken en dat verzoeker voor het overige voldoende banden heeft met Zwitserland om in redelijkheid van hem een terugkeer naar dat land te kunnen verwachten. Artikel 38.2, a), van richtlijn 2013/32 bepaalt dat “de toepassing van het begrip ‘veilig derde land’ is onderworpen aan voorschriften in het nationale recht, […] waarbij een band tussen de verzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan”. Daargelaten de vaststelling dat deze voorschriften in het nationale recht moeten worden bepaald en dus niet in de richtlijn zelf zijn opgenomen, blijkt uit de supra aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat het bestaan van familiale en/of sociale banden niet wordt uitgesloten van de beoordeling. Verzoeker gaat, zoals reeds aangehaald, uit van de verkeerde premisse dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich beperkt tot enkel het bestaan van familiale en/of sociale banden. Om die redenen dient ook de tweede in het tweede middelonderdeel voorgestelde prejudiciële vraag niet te worden gesteld. 11. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. C. Tweede middel 12. Verzoeker voert in essentie aan dat uit de door hem aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voorgelegde informatie “wel degelijk afgeleid kan worden dat de voorwaarden die artikel 57/6/6, § 1, van de vreemdelingenwet bepaalt om een land als XIV-38.757-6/8 veilig derde land te kunnen beschouwen, niet vervuld zijn” en hij licht zijn standpunt nader toe. 13. Verzoeker vraagt daarmee opnieuw een beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. Verder gaat verzoeker voorbij aan de omstandige algemene informatie en aan de specifieke motieven betreffende zijn individuele situatie op grond waarvan wordt geoordeeld dat Zwitserland een veilig derde land vormt waarmee verzoeker voldoende banden heeft om in redelijkheid te kunnen verwachten dat hij terugkeert naar dat land. Verzoekers algemene kritiek dat hij zijn verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “steunde […] op verschillende internationale bronnen, die in dat verband niet of niet voldoende door verwerende partij beoordeeld werden” doet geen afbreuk aan de omstandige en concreet gemotiveerde beoordeling in het bestreden arrest. 14. Vermits in het bestreden arrest op grond van concrete motieven wordt geoordeeld dat verzoeker toegang heeft tot het Zwitserse grondgebied en er desgewenst een (volgend) verzoek om internationale bescherming kan indienen, is de eerste in dit middel voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil. De tweede door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag gaat uit van de hypothese dat Zwitserland “slechts tot de tijdelijke niet-uitvoerbaarheid van een repatriëring heeft besloten, maar dit finaal tot doel heeft”, terwijl deze hypothese in het bestreden arrest net niet wordt aangenomen. Daarenboven motiveert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk waarom hij geen gevaar ziet voor refoulement van verzoeker. Bijgevolg dient ook de tweede in dit middel voorgestelde prejudiciële vraag niet te worden gesteld. 15. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.757-7/8 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig augustus tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.757-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.