← België

Cassatiebeschikking 14561 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.561 Rolnummer: A. 234028/XIV-38755 Zaak: Cassatiebeschikking 14561 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-07 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-11 08:33 Fiche Beschikking nr 14.561 van 3 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.561 van 3 september 2021 in de zaak A. 234.028/XIV-38.755 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 255.493 van 2 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. XIV-38.755-1/3 Verzoekers kritiek “dat de eerste rechter kennelijk een verkeerde juridische kwalificatie en/of onjuiste gevolgtrekking op wettelijk vlak maakte”, heeft betrekking op de juistheid van de motieven doch niet op de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
  2. Verzoeker verwijst naar een krantenartikel van 25 juni 2021 waaruit volgens hem blijkt dat “het risico op ernstige schade […] begin van uitwerking kreeg” en dat met dat stuk wordt aangetoond dat “het risico […] dus reëel [was] op het ogenblik dat verzoekende partij haar volgende verzoek indiende anders had het zich niet kunnen realiseren”. Verzoeker kan zich echter niet steunen op stukken of elementen die dateren van na het bestreden arrest om de onwettigheid ervan aan te tonen.
  3. Volgens verzoeker was de eerste rechter verplicht “ingevolge het medisch attest [van 30 april 2021] dat littekens van foltering bewijst en de verplichting opgelegd door artikel 48/7 van [de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’] aan te tonen dat de foltering zich niet opnieuw zal voordoen”. Verzoeker beperkt zich daarmee tot een algemene stelling doch hij gaat voorbij aan de omstandige motieven in punt 3.2.2 van het bestreden arrest op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “concludeert dat het medisch attest van 30 april 2021 de verschillende littekens van de verzoekende partij attesteert, aangeeft dat deze littekens zo’n vijftien maanden geleden opgelopen werden door het gebruik van een warme staaf, doch [dat] voormeld attest samen gelezen met de verklaringen van de verzoekende partij, die vaag, weinig aannemelijk en niet doorleefd zijn zoals hoger aangegeven, niet toe[laat] te concluderen dat deze littekens het gevolg zijn van de voorgehouden ontvoering en gevangenschap door de taliban”. Verzoeker vermag het niet aan de Raad van State over te laten eventuele onwettigheden op te sporen in de desbetreffende motieven, zonder dat verzoeker daarbij de voorgehouden tekortkomingen of schendingen concreet aanwijst.
  4. Verzoeker geeft niet anders dan met het voorgaande aan op welke wijze de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden. XIV-38.755-2/3
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.755-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.561 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.