← België

Cassatiebeschikking 14570 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 10 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.570 Rolnummer: A. 233737/XIV-38712 Zaak: Cassatiebeschikking 14570 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-14 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 08:34 Fiche Beschikking nr 14.570 van 10 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.570 van 10 september 2021 in de zaak A. é.737/XIV-38.712 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Hooyberghs kantoor houdend te 2300 Turnhout Azalealaan 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 mei 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 253.361 van 22 april 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 47/1, 1°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bepaalt dat als een ander familielid van een burger van de Unie worden beschouwd “de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft en die niet bedoeld wordt in artikel 40bis, § 2, 2°”. Naar luid van artikel 47/2 van de vreemdelingenwet zijn, onverminderd de bepalingen van hoofdstuk Ibis, de bepalingen van hoofdstuk I over de in artikel 40bis bedoelde XIV-38.712-1/3 familieleden van een burger van de Unie van toepassing op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/
  2. Artikel 47/3, § 1, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 1°, het bestaan moeten bewijzen van een relatie met de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen en ook het duurzaam karakter van die relatie, dat het duurzaam karakter van de relatie met elk passend middel mag worden bewezen en dat de minister of zijn gemachtigde bij het onderzoek naar het duurzame karakter van de relatie inzonderheid rekening houdt met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de banden tussen de partners. Anders dan verzoekster voorhoudt, volgt uit artikel 47/2 van de vreemdelingenwet niet dat het duurzaam karakter van de partnerrelatie reeds op zich is aangetoond in het geval dat de partners een gemeenschappelijk kind hebben, zoals wel is bepaald in artikel 40bis, § 2, 2°, a), tweede lid, van de vreemdelingenwet. In de eerste plaats gaat het in artikel 40bis, § 2, 2°, van de vreemdelingenwet, wat het partnerschap betreft, enkel over “een geregistreerd partnerschap”, hetgeen uitdrukkelijk wordt uitgesloten in artikel 47/1, 1° van die wet. Dat “het duurzaam en stabiel karakter van deze relatie is aangetoond” in het geval de partners een gemeenschappelijk kind hebben, slaat enkel op de gevallen waarin een geregistreerd partnerschap bestaat dat behoorlijk geattesteerd is. Net deze laatste gevallen zijn dus uitgesloten in artikel 47/1, 1°, van de vreemdelingenwet. In de tweede plaats bevat artikel 47/3, § 1, van de vreemdelingenwet een eigen bewijsregeling van het duurzaam karakter van de relatie, namelijk dat dit “met alle middelen” mag worden bewezen en dat de minister of zijn gemachtigde “bij het onderzoek naar het duurzame karakter van de relatie […] inzonderheid rekening [houdt] met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de banden tussen de partners”. Verzoeksters kritiek faalt derhalve naar recht.
  3. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.712-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op tien september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.712-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.