id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.589 Rolnummer: A. 233812/XIV-38724 Zaak: Cassatiebeschikking 14589 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 08:37 Fiche Beschikking nr 14.589 van 27 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.589 van 27 september 2021 in de zaak A. é.812/XIV-38.724 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 maart 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 248.731 van 5 februari 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel van het enige middel XIV-38.724-1/8
- De door de verzoekers voorgehouden tegenstrijdigheid van de motieven in het bestreden arrest doordat enerzijds wordt aangenomen dat “het niet aangetoond zou zijn dat het trauma in Algerije ontstaan is” en anderzijds wordt overwogen “dat het niet kennelijk onredelijk is te zeggen dat de behandeling beter in Algerije plaatsvindt omdat het trauma daar ontstaan is”, berust op een onvolledige en onjuiste lezing van de motieven van dat arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt in het bestreden arrest duidelijk aan dat “uit de motieven van het medisch advies [blijkt dat] de beweerde feiten die aan de grondslag liggen van het trauma, met name geweld en wraak door haar broers, en bijgevolg ook de angsten en risico’s, suïcide en psychische decompensatie, bij terugkeer niet aangetoond zijn”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt echter vast “dat de ambtenaar-geneesheer niettemin het bestaan en de ernst van de psychische problemen in ogenschouw neemt, inclusief de mogelijkheid dat er sprake zou zijn van een ernstig chronisch PTSS, alsook het risico op suïcide”. Het is omtrent die door de ambtenaar- geneesheer in het medisch advies onderzochte hypothese dat er mogelijk toch sprake zou zijn van een ernstig chronisch PTSS dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest vervolgens motiveert dat “de verzoekende partijen door louter opnieuw te verwijzen naar de door hen voorgelegde medisch stukken, niet aantonen dat de mening van de ambtenaar-geneesheer foutief of kennelijk onredelijk is” en dat “uit de motieven van het medisch advies duidelijk [blijkt] waarom PTSS en psychische problemen ten gevolge van het (beweerde) trauma, niettegenstaande de feiten die hieraan ten grondslag liggen zich beweerdelijk hebben voorgedaan in Algerije, wel degelijk in Algerije kunnen behandeld worden, met name omdat de belangrijkste behandeling voor PTSS bestaat uit het praten over de traumatische ervaringen bij voorkeur met mensen die hetzelfde hebben meegemaakt, dat daarom een PTSS beter te behandelen is in het land van herkomst, waar de taal- en culturele barrière niet bestaat en waar het medisch personeel ervaring heeft met de traumatiserende context waarover het gaat”. Bovendien kan uit het gebruik van de bewoordingen “beweerde” en “beweerdelijk” worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog steeds vraagtekens plaatst bij het beweerde in Algerije ontstane PTSS. Een tegenstrijdigheid in de motivering is niet aangetoond.
- Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.724-2/8 Tweede onderdeel van het enige middel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De stelling van de verzoekers dat het belang van de vertrouwensband tussen de therapeut en de patiënt heel belangrijk is, maakt deel uit van hun argumentatie dat tweede verzoekster voor PTSS geen adequate behandeling kan krijgen in Algerije. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft die argumentatie in overweging 2.1.
- van het bestreden arrest op gemotiveerde wijze verworpen. Hij overweegt in essentie dat het tot de uitsluitende bevoegdheid van de ambtenaar-geneesheer behoort om op grond van de voorliggende medische gegevens te oordelen of deze gegevens volstaan om te besluiten dat de behandeling mogelijk is in het land van herkomst, dat de ambtenaar- geneesheer dan ook kon volstaan aan te geven dat naar haar oordeel de behandeling van PTSS mogelijk is in het land van herkomst en met de onderliggende motivering gelet op het afwijkend oordeel van de behandelende artsen waarom zij dit mogelijk acht, en dat de verzoekers geen informatie bijbrengen waaruit blijkt dat het gestelde door de ambtenaar- geneesheer niet zou kunnen worden aangenomen. Uit die motivering blijkt impliciet maar zeker dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de stelling omtrent het vermeende belang van de vertrouwensband tussen de therapeut en de patiënt niet heeft aangenomen. Het bestreden arrest is op dat punt afdoende gemotiveerd. De verzoekers tonen geen schending aan van de motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet.
- Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Derde onderdeel van het enige middel XIV-38.724-3/8
- De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het oud Burgerlijk Wetboek zijn opgeheven met ingang van 1 november
- De verzoekers verwijzen niet naar enige andere bepaling waarin de door hen aangehaalde “draagwijdte en bewijskracht” van een stuk zijn opgenomen.
- Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. Vierde onderdeel van het enige middel
- De verzoekers werpen opnieuw de schending op van “de bewijskracht en de draagwijdte” van een stuk, zonder dit te koppelen aan enige wettelijke bepaling. Verder strekt het betoog in dit onderdeel ertoe de juistheid te betwisten van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omtrent de beweerde schaarste van psychiaters en psychologen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd om de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling over te doen.
- Het vierde onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. Vijfde onderdeel van het enige middel
- Volgens de verzoekers heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet geschonden door aan te nemen dat deze bepaling niet werd geschonden met de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij alhoewel niet is onderzocht of er voldoende psychiaters en psychologen zijn om een adequate behandeling mogelijk te maken. XIV-38.724-4/8 De argumentatie van de verzoekers omtrent de beschikbaarheid van voldoende psychiaters en psychologen in Algerije wordt in het bestreden arrest als volgt samengevat: “2.1.
- De verzoekende partijen betogen voorts dat de ambtenaar-geneesheer uit de niet toegankelijke MedCOI-databank en uit een website afleidt dat er psychiaters en psychologen in Algerije beschikbaar zijn in Algerije, dat deze bronnen echter geen informatie geven over het aantal psychiaters en psychologen terwijl dit een cruciaal element is bij het beoordelen van de beschikbaarheid van de medische zorgen, dat bij de motivering van de beschikbaarheid van de adequate behandeling nochtans rekening dient gehouden met het aantal psychiaters en psychologen, waarbij zij verwijzen naar een arrest van de Raad, dat dezelfde redenering in casu moet worden gevolgd. Zij betwisten niet dat psychiaters en psychologen beschikbaar zijn in Algerije, noch dat er een Société Algérienne de Psychiatrie bestaat, dat echter de schaarste in het personeel voor mentale gezondheid uiterst problematisch is en maakt dat een adequate psychologische en psychiatrische opvolging niet beschikbaar is in Algerije. De verzoekende partijen verwijzen naar en citeren uit een rapport van 20 april 2017 en een artikel van februari 2017 en stellen dat er duidelijk een grote schaarste is aan personeel in de mentale gezondheidssector in Algerije, dat in deze context de beslissing onvoldoende gemotiveerd is als het oordeelt dat de aanwezigheid van psychiaters en psychologen voldoet om de beschikbaarheid van de adequate behandeling aan te tonen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beantwoordt deze argumenten als volgt: “In zoverre de verzoekende partijen met hun betoog kritiek zouden uiten op het feit dat de MedCOIdatabank niet toegankelijk is, wijst de Raad erop dat de ambtenaar- geneesheer in het medisch advies, meer bepaald in het onderdeel betreffende de beschikbaarheid van bepaalde zorgen en medicatie, bepaalde documenten van MedCOI vermeldt. Daarnaast geeft de ambtenaar-geneesheer de voor het dossier van de tweede verzoekende partij relevante feitelijke vaststellingen uit deze documenten weer. Het komt de Raad voor dat de motieven aldus in het medisch advies zelf worden weergegeven, met bronvermelding van het onderzoek waaruit de in het medisch advies weergegeven feitelijke vaststellingen blijken. De bronnen, met name de MedCOI-documenten, dienen zich alsdan in het administratief dossier te bevinden, wat in casu ook het geval is. Aldus, daargelaten de vraag of de bron waarnaar verwezen wordt, met name de MedCOI-databank, toegankelijk is voor het algemeen publiek, stelt de Raad vast dat de documenten waarnaar wordt verwezen in de bronvermelding in het medisch advies, zich in het administratief dossier bevinden, zoals bovendien ook wordt aangegeven in het medisch advies. De verzoekende partijen konden aldus aan de hand van het medisch advies en de gegevens van het administratief dossier van alle elementen kennis nemen die haar zouden toelaten de vaststellingen te weerleggen. De Raad wijst er voorts op dat, nog daargelaten de vaststelling dat in de continentale rechtstraditie arresten geen precedentswaarde hebben, de verzoekende partijen niet aantonen dat de feitelijke omstandigheden, die aanleiding gaven tot het door hen geciteerde arrest, identiek zijn aan deze in voorliggende zaak. Uit het door de verzoekende partijen geciteerde rapport en artikel blijkt dat er een probleem is van XIV-38.724-5/8 gekwalificeerd personeel in de sector mentale gezondheidszorg, dat er een engagement is van de Algerijnse overheid, dat de eerste bepalingen die aangenomen werden om algemene diensten voor gezondheidszorg op te zetten goedkeuring verdienen, dat deze initiatieven slechts pilootprojecten zijn en nog ontwikkeld en veralgemeend dienen te worden, dat er bemoedigende signalen zijn, zoals psychologen die werken op het gebied van gezondheid en educatie en dat psychiaters samenwerken met gezondheidscentra, doch dat dit nog niet volstaat om te beschikken over een modern, op mensenrechten gebaseerde, mentale gezondheidsbeleid en diensten alsook dat een nationaal programma voor mentale gezondheid werd geformuleerd in 2001 en 2009, dat de progressie zeer traag gaat en de meeste objectieven niet bereikt zijn. Hieruit blijkt geenszins, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen voorhouden, dat er een grote schaarste is aan personeel in de mentale gezondheidszorg. In zoverre de verzoekende partijen menen dat er een tekort aan (professioneel opgeleid) personeel is, lijken zij te willen aangeven dat de gezondheidszorg in Algerije van een mindere of slechte kwaliteit is, doch maken zij niet aannemelijk dat het medisch advies en zodoende ook de bestreden beslissing de door hen aangehaalde bepalingen en beginselen zou schenden. Ook dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in het geheel niet ingaan op het onderdeel van voormeld medisch advies dat betrekking heeft op een mogelijk verschil in kwaliteitsniveau van het systeem in België en het systeem in het land van herkomst, zodat zij aan de in dit kader gemaakte vaststellingen geen afbreuk doen. De verzoekende partijen tonen met hun algemene verwijzing naar het rapport en artikel over het beleid inzake de mentale gezondheidszorg in Algerije niet aan dat de voor de tweede verzoekende partij benodigde opvolging door artsen niet beschikbaar of toegankelijk zou zijn voor de tweede verzoekende partij. De ambtenaar-geneesheer is enkel gehouden na te gaan of de medische zorgen en opvolging beschikbaar en toegankelijk zijn in het land van herkomst.” Uit het voorgaande blijkt dat in het bestreden arrest omstandig en concreet wordt geantwoord op de kritiek van de verzoekers betreffende de (niet-) beschikbaarheid van voldoende psychiaters en psychologen in Algerije. De verzoekers tonen geen schending aan van artikel 9ter van de vreemdelingenwet in de mate dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een gebrek aan onderzoek naar de concrete mogelijkheid van een behandeling in Algerije zou hebben aanvaard.
- De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Waar de verzoekers een schending van deze bepalingen en beginselen aanvoeren omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen correcte beoordeling zou hebben gemaakt door deze bepalingen en beginselen niet geschonden te achten door de voor hem bestreden beslissing, XIV-38.724-6/8 dient erop te worden gewezen dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Hij vermag derhalve niet de dienaangaande door de eerste rechter gemaakte beoordeling over te doen. Ook wat de toetsing aan de door artikel 9ter van de vreemdelingenwet gestelde vereisten van beschikbaarheid en toegankelijkheid van de adequate behandeling betreft, is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling over te doen. De verwijzing door de verzoekers naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 206.534 van 5 juli 2018 is niet dienend. Het Belgische recht kent geen precedentenwerking en bovendien heeft dit laatste arrest betrekking op de beschikbaarheid van medicatie in Nigeria in
- Het vijfde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Zesde onderdeel van het enige middel
- Met de voorgehouden schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), vragen de verzoekers in wezen een nieuwe beoordeling van de feitelijke situatie wat de toegankelijkheid van de vereiste behandeling betreft. De Raad van State is hiervoor als administratieve cassatierechter niet bevoegd. Verder gaan de verzoekers voorbij aan de omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest betreffende het beweerde tekort aan personeel voor de mentale gezondheidszorg in Algerije. Zij tonen dan ook niet aan dat het onderzoek van de zaak niet zou voldoen aan de vereisten van artikel 3 van het EVRM.
- Het zesde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.724-7/8 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, ieder voor een vijfde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.724-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.589 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.