id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.590 Rolnummer: A. 233995/XIV-38748 Zaak: Cassatiebeschikking 14590 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-11 08:37 Fiche Beschikking nr 14.590 van 27 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.590 van 27 september 2021 in de zaak A. é.995/XIV-38.748 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 juni 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 255.480 van 1 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste onderdeel en tweede onderdeel van het enige middel
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de XIV-38.748-1/4 vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
- De verzoekers voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onjuiste toepassing heeft gemaakt van het intern vluchtalternatief bedoeld in artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet door ten onrechte geen rekening te houden met hun argumentatie dat verzoekster schildklierkanker heeft gehad, dat zij afhankelijk is van medicatie en dat er in Venezuela ernstige tekorten zijn op vlak van medicatie. Er zou ook in strijd met de jurisdictionele motiveringsplicht niet zijn geantwoord op de argumentatie van de verzoekers dienaangaande. Er valt niet in te zien waarom de door de verzoekers aangevoerde medische problemen en de nood aan medische behandeling van verzoekster betrokken hadden moeten worden bij de beoordeling in het licht van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, aangezien de door de verzoekers aangevoerde medische problematiek geen enkel verband houdt met een vrees voor vervolging. Wat betreft de beoordeling in het licht van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet, moet worden opgemerkt dat artikel 48/4, § 1, van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk voorziet dat de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling “die geen beroep kan doen op artikel 9ter”. Er is in de Belgische regelgeving dus duidelijk voor geopteerd om aanvragen van vreemdelingen die beweren ernstig ziek te zijn niet te behandelen via de asielprocedure doch via een afzonderlijke procedure, voorzien in artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Om die reden diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aangehaalde medische redenen niet te betrekken bij zijn beoordeling van de mogelijkheid van een intern vestigingsalternatief overeenkomstig artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet. XIV-38.748-2/4
- Na te hebben vastgesteld “dat niet blijkt dat de Venezolaanse overheden verzoekers op intentionele wijze de toegang tot de nodige medische zorgen zullen ontzeggen” herinnert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er terecht aan “dat eventuele schade als gevolg van een algemeen en niet-intentioneel gebrek aan doeltreffende medische voorzieningen in het land van herkomst niet valt onder het toepassingsgebied van artikel 48/4, § 2, b) van de Vreemdelingenwet”. De Raad overweegt vervolgens volkomen terecht: “In dit verband wordt in de bestreden beslissing op pertinente wijze gewezen op het volgende: ‘In de mate dat u verwijst naar de medische problemen van u en uw partner en aanvoert dat u in Venezuela geen toegang zal hebben tot adequate medische zorg (CGVS I, p. 3/ CGVS A. II, p. 4), wijst het CGVS er op dat de beoordeling van deze problematiek een exclusieve bevoegdheid van de Dienst Vreemdelingenzaken is, zodat het enkel aan de Dienst Vreemdelingenzaken toekomt om te oordelen of uw medische problemen aanleiding kunnen geven tot een onmenselijke of vernederende behandeling in Venezuela en dus al dan niet een schending uitmaakt van het non- refoulementbeginsel vervat in artikel 3 EVRM. Voor de beoordeling van de door u aangehaalde medische problemen dient u zich dan ook te wenden tot de geëigende procedure hiervoor voorzien in artikel 9 ter van de Vreemdelingenwet.” De argumentatie van de verzoekers is hiermee op een correcte en afdoende wijze beantwoord.
- Voor zover de verzoekers met hun betoog een nieuwe appreciatie over de mogelijkheid van een intern vluchtalternatief nastreven, moet eraan worden herinnerd dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden.
- De verzoekers tonen geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 39/65, 48/3 en 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. XIV-38.748-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.748-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.