← België

Cassatiebeschikking 14593 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/09/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.593 Rolnummer: A. 234056/XIV-38760 Zaak: Cassatiebeschikking 14593 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-01 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 08:38 Fiche Beschikking nr 14.593 van 27 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.593 van 27 september 2021 in de zaak A. 234.056/XIV-38.760 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 8 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 255.959 van 8 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het recht om te worden gehoord maakt integraal deel uit van het recht van verdediging dat een algemeen rechtsbeginsel is naar Belgisch recht, evenals een algemeen beginsel van de Europese Unie. Het beoogt te verzekeren dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Dit beginsel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in kennis te stellen om een XIV-38.760-1/4 vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. Het staat aan de rechter om aan de hand van de specifieke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of de aantasting van het hoorrecht van aard is dat een andere beslissing zou zijn getroffen indien de betrokkene de gelegenheid had gekregen elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt aan te voeren. Om een miskenning van het hoorrecht aan te tonen, dient de betrokkene dus aannemelijk te maken dat, indien hij was gehoord, een andere beslissing had kunnen worden genomen. Te dezen stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoeker niet ontkent op 15 juli 2020 te zijn gehoord naar aanleiding van het voornemen zijn verblijf te beëindigen, dat verzoeker inging op de uitnodiging en elementen aanbracht die volgens hem de beëindiging van zijn verblijf in de weg stonden en dat verzoeker niet aantoont in de onmogelijkheid te zijn geweest om bepaalde elementen kenbaar te maken noch aantoont dat met zijn verklaringen geen rekening werd gehouden bij het nemen van de beslissing tot beëindiging van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat de verwerende partij zich heeft gesteund op het geactualiseerde advies van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: het commissariaat-generaal) van 25 januari 2021 omtrent een mogelijke verwijderingsmaatregel en op de verklaringen van verzoeker zelf. Wat verzoekers verklaringen betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de verwerende partij in haar beslissing niet enkel verwijst naar het voormelde advies van 25 januari 2021 maar ook aangeeft dat verzoekers verklaringen omtrent de veiligheidssituatie in het land van herkomst en meer specifiek zijn geboortestreek niet worden gestaafd met enig formeel element zodat deze niet nopen tot een wijziging van de beoordeling van het advies van het commissariaat-generaal. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt nog op dat verzoeker ook steeds de mogelijkheid had om de verwerende partij schriftelijk op de hoogte te brengen van alle feitelijkheden waarvan hij vond dat de verwerende partij ze in haar beoordeling moest betrekken, en dat dit des te meer geldt nu verzoeker op de hoogte was van het feit dat de verwerende partij zijn verblijfssituatie aan het herevalueren was, gelet op de uitdrukkelijke vraag van de verwerende partij om elementen aan te brengen en de daarop volgende beslissing tot beëindiging van het verblijf, gevolgd door het vernietigingsarrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Tot slot oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker verzuimt concreet aan te tonen op welke wijze hij werd geschaad door het feit dat hij niet (nogmaals) werd gehoord door de verwerende partij XIV-38.760-2/4 en dat verzoeker in gebreke blijft aan te tonen welke elementen hij in een verhoor zou hebben aangebracht die maken dat de beslissing van de verwerende partij als onredelijk zou moeten worden gekwalificeerd. Wat het door verzoeker aangehaalde EASO-rapport van oktober 2020 betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat dit betrekking heeft op de veiligheidssituatie in Irak in 2020 doch dat verzoeker deze bevindingen geenszins betrekt op zijn persoonlijke situatie, dat verzoeker slechts stelt dat hij een soennitische Koerd is afkomstig uit Centraal-Irak, dat hij uit het rapport citeert, stellende dat de veiligheidssituatie in Nineveh niet is verbeterd, doch dat het bestaan van een gewapend conflict op zich niet volstaat om het uitreiken van een bevel om het grondgebied te verlaten in de weg te staan en dat verzoeker dan ook niet concreet aannemelijk maakt dat een terugkeer een risico inhoudt in het kader van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) of artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Uit het voorgaande blijkt in de eerste plaats dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze heeft vastgesteld dat verzoeker wel degelijk werd gehoord alvorens de verwerende partij de beslissing tot beëindiging van het verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten heeft genomen en dat verzoekers standpunt in die beslissing werd betrokken. In de tweede plaats blijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te oordelen dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de verwerende partij een andere beslissing had kunnen nemen indien verzoeker in kennis was gesteld van het advies van het commissariaat-generaal van 25 januari 2021 en hij daarna opnieuw was gehoord of minstens de kans had gekregen het EASO-rapport van oktober 2020 bij te brengen vóór het nemen van de beslissing tot beëindiging van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt immers dat verzoeker zich met de verwijzing naar dat rapport beperkt tot het op algemene wijze verwijzen naar de veiligheidssituatie, zonder dit te betrekken op zijn persoonlijke situatie. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om deze beoordeling van de grond van de zaak over te doen. In het licht van het voorgaande toont verzoeker geen schending aan van het hoorrecht. XIV-38.760-3/4
  2. Geen andere door verzoeker aangehaalde bepaling verplichtte de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ertoe de beslissing tot beëindiging van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten te vernietigen, enkel omdat het advies van het commissariaat-generaal niet aan verzoeker was meegedeeld alvorens die beslissing werd genomen.
  3. Uit de supra aangehaalde motivering van het bestreden arrest blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat het non refoulement-beginsel niet werd geschonden met de voornoemde beslissing van de verwerende partij.
  4. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.760-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.593 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.