id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.594 Rolnummer: A. 234156/XIV-38773 Zaak: Cassatiebeschikking 14594 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-11 08:39 Fiche Beschikking nr 14.594 van 27 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.594 van 27 september 2021 in de zaak A. 234.156/XIV-38.773 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franz Geleyn kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 256.084 van 10 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.773-1/6 Eerste onderdeel van het eerste middel
- Verzoekster voert in essentie aan dat zij de verplichting om een hoofddoek te dragen beschouwt als een beknotting van haar persoonlijkheid en vrouwelijkheid, dat haar weigering om een hoofddoek te dragen kan worden gezien als een kenmerk of geloof dat dermate fundamenteel is voor haar identiteit of morele integriteit dat men niet van haar kan verwachten dat ze dit zou opgeven en dat zij als vrouw die weigert een hoofddoek te dragen behoort tot een specifieke sociale groep in de Iraakse samenleving. Verzoekster acht artikel 10 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2011/95) en artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden door verzoekster niet te erkennen als behorende tot een sociale groep en door te stellen dat verzoekster zich kan onttrekken aan vervolging door zich aan te passen aan de in Irak geldende normen en waarden en met name toch een hoofddoek te dragen.
- Verzoekster betwist enkel de juistheid van de motieven van het bestreden arrest, doch dit houdt geen verband met de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- De beoordeling in het bestreden arrest is niet beperkt tot de vaststellingen dat verzoekster door het (tegen haar overtuiging) dragen van een hoofddoek geen dermate grote aanpassing zal moeten doen die redelijkerwijze niet kan worden verwacht van haar en dat haar fundamentele rechten niet worden geschonden door het dragen van een hoofddoek. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt integendeel dat uit de algemene informatie in het dossier blijkt dat de Iraakse samenleving, zeker in de hoofdstad Bagdad, zeer divers is en dat er de laatste jaren bepaalde verschuivingen in de houding ten aanzien van vrouwen merkbaar zijn, ook op het vlak van het dragen van een hoofddoek. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt in dit verband nog op dat verzoekster geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat haar familie strikt religieus is en is XIV-38.773-2/6 overgegaan tot verstoting omwille van verzoeksters onzedelijk gedrag en het schenden van de normen en tradities. Uit de behandeling hierna van het derde middelonderdeel blijkt dat deze laatste motieven van het bestreden arrest niet onwettig zijn.
- In het licht van het niet onwettig bevonden motief dat verzoekster aldus geen gevaar voor vervolging noch een reëel risico op ernstige schade loopt bij het niet dragen van een hoofddoek in Irak, is haar in het eerste middelonderdeel aangevoerde schending van de wet niet van die aard dat zij de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Tweede onderdeel van het eerste middel
- In het tweede middelonderdeel voert verzoekster in essentie aan dat de verplichting volgens de geldende gewoonteregels in Irak om een hoofddoek te dragen een ongeoorloofde beperking van haar fundamentele rechten vormt en kan worden aangemerkt als een vernederende en/of onmenselijke behandeling.
- Om de bij de behandeling van het eerste middelonderdeel uiteengezette redenen is de in het tweede middelonderdeel aangevoerde schending van de wet niet van die aard dat zij de strekking van het bestreden arrest kan hebben beïnvloed. Derde onderdeel van het eerste middel
- In het derde middelonderdeel voert verzoekster een schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. In essentie acht zij de motivering in het bestreden arrest ontoereikend wat betreft de evolutie van de houding tegenover vrouwen in Irak in het algemeen en de mogelijkheid voor vrouwen om in Irak geen hoofddoek te dragen in het bijzonder.
- Het door verzoekster in dit middelonderdeel betwiste motief heeft betrekking op het dragen van een hoofddoek, meer bepaald de mogelijkheid om deze, zonder gevaar voor vervolging of risico op ernstige schade, niet te dragen in Irak. Verzoekster XIV-38.773-3/6 citeert daartoe uit een rapport “Nansen Profiel 20-5, Nood aan bescherming voor Iraakse vrouw met buitenechtelijke relatie en kind” dat zij bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft overgelegd. De daaruit door verzoekster aangehaalde elementen hebben echter geen betrekking op de kwestie van het dragen van een hoofddoek in Irak, wel op de veiligheidssituatie voor vrouwen, de rol van eerwraak en de situatie van vrouwen die verstoten worden wegens een buitenechtelijke relatie. Daarenboven komt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest, in navolging van de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij tot het besluit dat verzoekster geen klaarheid schept over de omstandigheden van haar vertrek uit Irak, nalaat duidelijkheid te scheppen over haar burgerlijke staat voor aankomst in België en over haar voormalige partner, geen overtuigende elementen aanbrengt waaruit kan blijken dat verzoekster door haar eigen familie en de Moussaoui-stam zou zijn verstoten omwille van haar onzedelijk gedrag, zijnde haar verblijf in België als alleenstaande vrouw met minderjarige kinderen, haar ongeoorloofde relatie met een andere man en het afleggen van haar hoofddoek. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beschouwt verzoekster dan ook niet als Iraakse vrouw met een buitenechtelijke relatie en hij vermocht derhalve op wettige wijze de door verzoekster aangebrachte rapporten ter ondersteuning van het risico voor personen met dit profiel als niet dienstig te beoordelen. Het voorgaande geldt eveneens voor het door verzoekster aangehaalde rapport van de Finse immigratiedienst. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt met verwijzing naar het voorgaande immers op dat verzoekster net niet kan worden beschouwd als een alleenstaande vrouw of een vrouw die niet kan rekenen op de steun van haar familie zodat haar verwijzing naar algemene informatie aangaande vrouwen zonder netwerk in Irak niet van toepassing is. Bovendien stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde wijze vast dat verzoeksters bewering als zou haar familie conservatief en strikt religieus zijn, indruist tegen bepaalde vaststellingen in het administratief dossier. Verzoekster maakt geen schending aannemelijk van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. XIV-38.773-4/6 Conclusie
- Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoekster acht “de [motivering] in het bestreden arrest, waarbij gesteld wordt dat men niet moet kijken naar de houding van het Baath-regime tegenover gemengde huwelijken en/of dat er vanuit maatschappelijk oogpunt een minder strikt onderscheid tussen sektarische strekkingen werd gemaakt, doch wel naar de familie van verzoekende partij die zeer traditioneel en conservatief zou zijn”, niet afdoende. Volgens verzoekster gaat deze motivering voorbij aan het feit dat een verandering van regime (de val van Saddam Hoessein in 2003) eveneens een verandering van de geldende sociale normen met zich mee kan brengen.
- Verzoekster gaat eraan voorbij dat in het bestreden arrest onder meer wordt vastgesteld dat verzoekster geen klaarheid schept over de omstandigheden van haar vertrek uit Irak in 2015, evenmin als over haar burgerlijke staat voor aankomst in België en haar relatie met haar voormalige partner en dat zij geen overtuigende elementen aanbrengt waaruit kan blijken dat verzoekster door haar eigen familie en de Moussaoui-stam zou zijn verstoten omwille van haar onzedelijk gedrag, zijnde haar verblijf in België als alleenstaande vrouw met minderjarige kinderen, haar ongeoorloofde relatie met een andere man en het afleggen van haar hoofddoek. Dit alles situeert zich ruim na de val van Saddam Hoessein in 2003, zodat verzoekster bezwaarlijk kan voorhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden met die wijziging van het regime. Ook de algemene informatie waarop de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich steunt, onder meer wat de mogelijkheid betreft om de hoofddoek af te leggen, is van veel recentere datum. In het bestreden arrest is wat dit laatste betreft zowel op genuanceerde wijze rekening gehouden met algemene informatie als met verzoeksters persoonlijke situatie. Verzoekster toont geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.773-5/6 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.773-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.594 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div