id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.595 Rolnummer: A. 233931/XIV-38741 Zaak: Cassatiebeschikking 14595 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/09/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-09-29 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-11 08:39 Fiche Beschikking nr 14.595 van 27 september 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.595 van 27 september 2021 in de zaak A. é.931/XIV-38.741 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Saint-Quentinstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 juni 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 254.645 van 18 mei 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juli 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel in essentie aan dat met het bestreden arrest de artikelen 48/3, 48/4, 55/2 en 55/4, § 1, eerste lid, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) zijn geschonden doordat verzoeker wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus wegens het plegen van een ernstig niet-politiek misdrijf buiten het land van toevlucht voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, dit niettegenstaande het XIV-38.741-1/4 feit dat hij zijn straf volledig heeft ondergaan na zijn veroordeling voor dat misdrijf. In een tweede middelonderdeel vraagt hij in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag dienaangaande te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
- Op grond van artikel 55/2 van de vreemdelingenwet wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij valt onder artikel 1.D, E of F van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (hierna: het vluchtelingenverdrag). Naar luid van artikel 55/4, § 1, eerste lid, c), van de vreemdelingenwet wordt een vreemdeling uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd. In artikel 1.F, 2, van het vluchtelingenverdrag luidt het dat de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten. Artikel 12.2, b), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) bepaalt dat een vreemdeling wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer “hij buiten het land van toevlucht een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten, dat wil zeggen de afgifte van een verblijfstitel op grond van de toekenning van de vluchtelingenstatus”. Ingevolge artikel 17.1, van deze richtlijn wordt een vreemdeling uitgesloten van subsidiaire bescherming wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat hij “een ernstig misdrijf heeft gepleegd”.
- Verzoeker betwist niet als dusdanig dat hij een ernstig misdrijf heeft begaan in de zin van de voornoemde bepalingen. Die bepalingen hebben betrekking op in het verleden begane daden en ze hebben, eens is vastgesteld dat (er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat) betrokkene dergelijk misdrijf heeft gepleegd, een verplicht karakter. In dat geval is de staat waar het verzoek om internationale bescherming is ingediend, dus verplicht om de betrokkene uit te sluiten van de vluchtelingenstatus en van subsidiaire bescherming. XIV-38.741-2/4 De aangehaalde bepalingen bevatten geen enkele uitzondering, ook niet naargelang de betrokkene al dan niet een straf heeft ondergaan na een gebeurlijke veroordeling voor het kwestieuze misdrijf. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn door verzoeker aangehaald arrest van 9 november 2010 in de zaken C-57/09 en C-101/09, weliswaar in verband met de vraag of de toepassing van artikel 12.2, c), van (thans) richtlijn 2011/95 ook vereist dat de vreemdeling een actueel gevaar vormt, het volgende overwogen: “In dit verband dient erop te worden gewezen dat de betrokken uitsluitingsgronden zijn ingevoerd om personen die de aan de vluchtelingenstatus verbonden bescherming onwaardig worden bevonden, van die status uit te sluiten, en om te voorkomen dat personen die ernstige misdrijven hebben begaan, dankzij de toekenning van die status aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid kunnen ontsnappen. Bijgevolg is het niet in overeenstemming met dit dubbele doel, de uitsluiting van deze status afhankelijk te stellen van een actueel gevaar voor de lidstaat van ontvangst.” Het Hof stelt derhalve duidelijk dat de aangehaalde en ook te dezen toegepaste uitsluitingsgrond een dubbel doel (“ce double objectif”) heeft, enerzijds het uitsluiten van degenen die onwaardig worden bevonden om bescherming als vluchteling te genieten en anderzijds te voorkomen dat personen die ernstige misdrijven hebben begaan kunnen ontsnappen aan strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Dit is duidelijk te onderscheiden van een dubbele voorwaarde waaraan (volgens verzoeker) cumulatief zou moeten zijn voldaan alvorens de uitsluitingsgrond zou kunnen worden toegepast. Verder heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in het voornoemde arrest nog geoordeeld “dat om een persoon op grond van artikel 12, lid 2, sub b of c, van de richtlijn van de vluchtelingenstatus uit te sluiten geen evenredigheidstoetsing in het concrete geval is vereist”. Het Hof heeft van geen enkele uitzondering gewag gemaakt, dus ook niet naargelang de betrokkene al dan niet zijn straf heeft ondergaan na een gebeurlijke veroordeling. Bijgevolg faalt verzoekers kritiek naar recht als zou geen toepassing kunnen worden gemaakt van de in de artikelen 55/2 en 55/4 bedoelde uitsluitingsgrond indien de betrokkene zijn straf volledig heeft ondergaan ingevolge een veroordeling voor het kwestieuze ernstig misdrijf. XIV-38.741-3/4
- Gezien de duidelijke inhoud van de artikelen 12.2 en 17.1 van richtlijn 2011/95 en de supra aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dient niet te worden ingegaan op het verzoek dienaangaande een prejudiciële vraag te stellen.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig september tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.741-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.595 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div