← België

Cassatiebeschikking 14604 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.604 Rolnummer: A. 234191/XIV-38778 Zaak: Cassatiebeschikking 14604 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-05 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-11 15:03 Fiche Beschikking nr 14.604 van 1 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.604 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 234.191/XIV-38.778 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 257.586 van 1 juli 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. Eerste onderdeel van het enige middel
  4. In het eerste “grief” van het enige middel achten de verzoekers de artikelen 39/65, 48/4 en 48/5 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot XIV-38.778-1/4 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden. De kritiek van de verzoekers dat in het bestreden arrest niet zou zijn onderzocht of de door de verzoekers in het land van herkomst ondergane gebeurtenissen, “over het geheel genomen”, een onmenselijke of vernederende behandeling vormen, is ongegrond. Na de door de verzoekers aangevoerde feiten te hebben opgesomd, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers (in het algemeen) dat “om tot de toekenning van internationale bescherming te leiden […] de gevreesde problemen dermate systematisch ingrijpend [moeten] zijn dat fundamentele mensenrechten worden aangetast waardoor het leven in het land van herkomst ondraaglijk wordt en waartegen de staat niet wil en kan beschermen”. Hierna gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kort in op de verschillende door de verzoekers aangevoerde incidenten en hij besluit dan (opnieuw in het algemeen) “dat deze feiten, ofschoon moreel verwerpelijk en afkeurenswaardig, op zich onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden gekwalificeerd als een systematische en persoonlijke vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin of als ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming”. Vervolgens gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op een aantal andere door de verzoekers aangehaalde feiten, namelijk met betrekking tot de dochter van de verzoekers en het pensioen van eerste verzoeker. Hij relativeert in grote mate de ernst van die feiten en het verlies van het pensioen ten bedrage van 3 dollar per maand. Tot slot stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “concluderend […] dat de discriminatie en het racisme waarvan verzoekers (en hun dochters) melding maken onvoldoende ernstig is om gekwalificeerd te worden als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming”. Uit de voormelde motieven blijkt geenszins dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft nagelaten de aangevoerde feiten in hun geheel te beoordelen en niet enkel afzonderlijk. Waar de verzoekers voorhouden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening had moeten houden met hun psychologische toestand ingevolge de feiten waarvan zij het slachtoffer zijn geweest, gaan zij (los van de vaststelling dat een aantal elementen ongeloofwaardig werden bevonden) voorbij aan de omstandige motivering dienaangaande in de laatste alinea van punt 2.10.3.1 van het bestreden arrest. XIV-38.778-2/4 De verzoekers tonen derhalve niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft voldaan aan de in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Zij voeren niet anders dan met de voorgaande ongegrond bevonden kritiek aan dat de artikelen 48/4 en 48/5 van de vreemdelingenwet zouden zijn geschonden. Wat de voorgehouden ernst van de ondergane feiten en van de psychologische toestand van de verzoekers betreft, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Tweede onderdeel van het enige middel
  5. Het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, houdt onder meer in dat de partijen kennis moeten kunnen nemen van alle aan de rechter voorgelegde stukken en dat zij er op nuttige wijze standpunt over moeten kunnen innemen. Dit houdt echter niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ertoe gehouden zou zijn om zijn voorgenomen beoordeling van de door de verzoekers aangevoerde elementen voor te leggen aan de verzoekers alvorens zijn beslissing te nemen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was er dan ook niet toe gehouden eerst aan de verzoekers voor te leggen dat, wat de desbetreffende door hen aangevoerde elementen betreft, diende te blijken dat de Venezolaanse overheden hen op intentionele wijze de nodige medische zorgen zouden ontzeggen. Derde onderdeel van het enige middel
  6. In de derde “grief” van het enige middel werpen de verzoekers de schending op van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), en de artikelen 39/65, 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. Zij achten de motivering van het bestreden arrest onvoldoende omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in strijd met verschillende arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen, of onvoldoende, rekening zou hebben gehouden met de bijgebrachte psychologische attesten en het letselcertificaat. XIV-38.778-3/4 De verzoekers beperken zich tot algemene kritiek, waarbij zij echter voorbijgaan aan de omstandige beoordeling en concrete beoordeling in het bestreden arrest van de door hen aangevoerde elementen, de aangevoerde medische gevolgen en de psychologische attesten en het “letselcertificaat”. De verzoekers gaan meer bepaald voorbij aan de concrete motieven op grond waarvan uiteindelijk wordt besloten dat de voormelde attesten de appreciatie van hun verzoek om internationale bescherming niet in positieve zin kunnen ombuigen. Zij maken derhalve niet aannemelijk dat de desbetreffende motieven van het bestreden arrest niet volstaan noch dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gevoerde onderzoek niet zou voldoen aan de vereisten van de artikelen 3 en 13 van het EVRM. Conclusie
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.778-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.604 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.