← België

Cassatiebeschikking 14605 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 01 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.605 Rolnummer: A. 234218/XIV-38785 Zaak: Cassatiebeschikking 14605 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 01/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-05 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-11 15:03 Fiche Beschikking nr 14.605 van 1 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.605 van 1 oktober 2021 in de zaak A. 234.218/XIV-38.785 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Naweed Ahmadzadah kantoor houdend te 2000 Antwerpen Vlaanderenstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 30 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 257.256 van 25 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. In de mate dat de verzoekers het als een “belangrijk gegeven” beschouwen dat de verwerende partij hun (vijfde) verzoek om internationale bescherming ontvankelijk heeft verklaard, dient te worden opgemerkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met hervormingsbevoegdheid heeft geoordeeld over het beroep van de verzoekers dat heeft geleid tot het bestreden arrest. De Raad voor XIV-38.785-1/4 Vreemdelingenbetwistingen neemt bij dergelijke beroepen kennis van het geheel van de zaak, zonder verder te zijn gebonden door (de motieven van) de voor hem aangevochten beslissing.
  4. De verzoekers stellen dat hen wordt verweten dat de Iraanse ambassade geen biometrische gegevens noch een foto van de verzoekers heeft genomen en zij vinden het “een raadsel waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met geen woord rept over de medewerkingsplicht van de verwerende partij, nu er geen twijfels zijn over de echtheid van de neergelegde documenten die overigens afgeleverd werden door o.a. Iraanse ambassade”. Volgens de verzoekers heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte geen onderzoek bevolen en is geen nauwgezet en diepgaand onderzoek gevoerd van alle relevante stukken die kunnen wijzen op vervolging. Het behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter, te dezen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, om zich uit te spreken over de bewijswaarde van documenten, ook indien de echtheid ervan niet wordt betwist. Het behoort eveneens tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of een aanvullend onderzoek al dan niet noodzakelijk is om tot de bevestiging of de hervorming van de voor hem bestreden beslissing te kunnen besluiten. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door de Iraanse ambassade aan de verzoekers verstrekte documenten niet zonder meer verworpen omdat ze geen foto’s of biometrische gegevens bevatten. Zo stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de door de verzoekers neergelegde amayesh-kaarten en arbeidskaart reeds werden beoordeeld in het kader van de eerdere verzoeken om internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt ook dat de “vage en onduidelijke verklaringen” waarmee de verzoekers “een poging doen om de in het kader van hun vierde verzoek om internationale bescherming vastgestelde tegenstrijdigheden tussen de inhoud van het door hen neergelegde UNHCR-attest van 1 augustus 2017 en verzoeksters paspoort en hun verklaringen, trachten te verklaren of te verschonen, hun algemene geloofwaardigheid enkel verder [kunnen] ondermijnen”, waarna hij de concrete vaststellingen dienaangaande uit de beslissingen van de verwerende partij van 22 oktober 2020 citeert en er zich bij aansluit. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de door de verzoekers ingediende documenten de ongeloofwaardigheid van hun verklaringen XIV-38.785-2/4 met betrekking tot hun Afghaanse nationaliteit en hun verblijf in Iran als Afghaanse vluchteling niet vermogen te herstellen nu hun betoog “in wezen beperkt [is] tot het herhalen van hun relaas en het volharden in de bewijswaarde van hun documenten, het geven van louter theoretische beschouwingen en het op algemeen wijze minimaliseren en in twijfel trekken van de terechte vaststellingen van de commissaris-generaal”. Hierbij merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in navolging van de beslissingen van de verwerende partij van 22 oktober 2020 in hoofdorde op “dat het niet aannemelijk is dat de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken (dan wel zijn medewerkers), louter op basis van een eenvoudige mail uitgaande van verzoekers die hun naam en adres vermeldt, meteen de nodige stappen zou ondernemen om verzoekers te helpen, temeer daar verzoekers zelf verklaren dat zij geen Iraanse onderdanen zijn en zij eerder pogingen bij de Iraanse ambassade hadden ondernomen om hulp te zoeken, doch hierbij werden afgewezen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat, zelfs indien geloof kan worden gehecht aan de door de verzoekers geschetste gang van zaken, uit de e-mails enkel blijkt dat de verzoekers een doorverwijzing hebben gekregen naar de bevoegde diensten voor mogelijk verder onderzoek naar hun nationaliteit doch geen informatie blijkt over de werkelijke nationaliteit of verblijfsomstandigheden van de verzoekers voor hun vertrek naar België vermits de inhoud van die e-mails enkel is gebaseerd op de verklaringen van de verzoekers en niet op objectieve informatie. Met betrekking tot de brief van de Iraanse ambassade van 4 oktober 2018 oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierna “dat, gezien de ambassade geen biometrische gegevens noch een foto van verzoekers heeft afgenomen om zich op te baseren, het middels het neergelegde document niet aangetoond is dat de verzoekers werkelijk de personen zijn aan wie de door hen neergelegde verblijfskaarten toebehoren” en dat “deze brief vermeldt dat de personen die verzoekers beweren, doch niet aantonen te zijn, geregistreerd staan in het ‘amayesh-database’, doch bevestigt niet dat verzoekers werkelijk deze personen zijn”. Verder toetst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog de meergenoemde brief van de Iraanse ambassade aan de door de verzoekers eveneens neergelegde brief van BAFIA, dit is de officiële instantie die amayesh-kaarten uitreikt, en de kwestie van het bezit van amayesh-10-kaarten. Hij citeert hiertoe in het bestreden arrest ook de concreet ontwikkelde beoordeling uit de voor hem aangevochten beslissingen van de verwerende partij en neemt deze over. Uit het voorgaande blijkt derhalve dat de beoordeling van de bewijswaarde van de door de verzoekers overgelegde brief van de Iraanse ambassade kadert in een ruimere beoordeling van de verklaringen van de verzoekers waarin reeds diverse XIV-38.785-3/4 ongerijmdheden en tegenstrijdigheden zijn vastgesteld met betrekking tot hun voorgehouden Afghaanse nationaliteit en hun verblijf in Iran. De verzoekers gaan voorbij aan de diverse concrete vaststellingen waarop de voormelde omstandige beoordeling is gesteund. Zij tonen dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat dat betreft geen voldoende zorgvuldig en diepgaand onderzoek zou hebben gevoerd.
  5. De verzoekers zetten niet anders dan met de voorgaande, ongegrond bevonden kritiek uiteen hoe de diverse in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op een oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.785-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.