← België

Cassatiebeschikking 14610 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.610 Rolnummer: A. 234386/XIV-38802 Zaak: Cassatiebeschikking 14610 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-14 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-11 15:18 Fiche Beschikking nr 14.610 van 12 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.610 van 12 oktober 2021 in de zaak A. 234.386/XIV-38.802 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jana Schellemans kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 augustus 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 258.328 van 16 juli 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 september 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het enige middel
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de XIV-38.802-1/6 vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  3. Het bestreden arrest heeft betrekking op een vierde verzoek om internationale bescherming. Verzoeksters eerste, tweede en derde verzoek werden afgewezen, onder meer, omdat geen geloof kon worden gehecht aan haar verklaring afkomstig te zijn uit het dorp Wabxo, gelegen in het district Ceel Buur in de provincie Galgaduud. Daarbij werd vastgesteld dat verzoekster de commissaris-generaal, en, in beroep de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, in het ongewisse liet over waar zij voor haar aankomst in België leefde, onder welke omstandigheden en om welke redenen zij haar werkelijke streek van herkomst heeft verlaten. Door de ware toedracht op dit punt, dat de kern van verzoeksters asielrelaas raakt, te verzwijgen maakte verzoekster niet aannemelijk dat zij daadwerkelijk nood had aan internationale bescherming.
  4. Met de beslissing van de verwerende partij van 31 augustus 2020, die tot het bestreden arrest heeft geleid, is verzoeksters vierde verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk verklaard bij gebrek aan nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter zouden maken dat verzoekster in aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van die wet. In beroep beschikt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over een hervormingsbevoegdheid. Hij oordeelt daarbij soeverein of er al dan niet nieuwe elementen aan de orde zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoekster voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt zoals voorzien in artikel 57/6/2 van de vreemdelingenwet.
  5. In het beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voert verzoekster twee elementen aan die de kans aanzienlijk groter zouden maken dat zij in aanmerking komt voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de XIV-38.802-2/6 vreemdelingenwet of de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 48/4 van diezelfde wet, namelijk de reactie van haar echtgenoot en haar familie op de hersteloperatie en het gevaar om ten gevolge van de hersteloperatie opnieuw het slachtoffer te worden van een infibulatie. Verzoekster verwijst daarbij omstandig naar de algemene situatie van vrouwen in Somalië en naar het risico op vrouwelijke genitale verminking in Somalië. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest deze argumentatie als volgt beoordeeld: Een verwijzing naar de algemene situatie voor vrouwen in Somalië en vrouwelijke genitale verminking in Somalië, is immers niet dienstig vermits verzoekster haar werkelijke herkomst en identiteit niet heeft aangetoond. Wanneer verzoekster geen zicht biedt op haar verblijfssituatie en de eventuele problemen die daaruit voortvloeien, verhindert zij de asielinstanties zich een juist beeld te vormen over haar werkelijke nood aan internationale bescherming. Door haar gebrekkige medewerking, verkeert zowel de commissaris-generaal als de Raad in het ongewisse over waar verzoekster voor haar aankomst in België leefde, onder welke omstandigheden, wanneer en om welke redenen zij haar werkelijke land van herkomst verliet. Het belang van de juiste toedracht over deze periode kan niet genoeg beklemtoond worden. Het betreft immers de plaats en de tijd waar verzoekster de actoren van haar vrees situeert. Het is eveneens van essentieel belang voor het onderzoek van de subsidiaire bescherming. Door bewust de ware toedracht op dit punt, dat de kern van het relaas raakt en de persoonlijke aspecten van verzoekster betreffen waarover enkel zij de nodige klaarheid kan scheppen, te verhullen, maakt zij bijgevolg zelf het onderzoek onmogelijk naar een eventuele gegronde vrees voor vervolging die zij mogelijk koestert, of een reëel risico op ernstige schade die zij mogelijk zou lopen. Ook in het kader van het vierde verzoek geeft verzoekster aan nog steeds geen contact te hebben gehad met haar familie: ‘Op dit moment weet ik niets over mijn land. lk heb ook geen idee over mijn familie, hoe het met hen gaat.’ Met betrekking tot verzoeksters afgelegde verklaringen in het kader van het vierde verzoek (verklaring volgend verzoek, 20 augustus 2020) en de voorgelegde stukken (Documenten, stuk 7), stelt de Raad vast dat deze betrekking hebben op gebeurtenissen die volledig voortvloeien uit een relaas dat in het kader van de vorige verzoeken werd onderzocht en waarover een definitieve beslissing werd genomen. In de aanvullende nota van 27 mei 2021 steunt verzoekster nog op een medische verzorging die zij in België ontving, met name een desinfibulatie die zij onderging op 6 mei 2021, en de psychologische begeleiding die zij krijgt sinds november
  6. Verzoekster houdt in die stukken die werden voorgelegd in het kader van haar vierde verzoek vast aan haar ongeloofwaardige herkomst en de eerder aangehaalde motieven voor een nood aan internationale bescherming. Er zijn geen elementen in het dossier aanwezig die een ander licht werpen op de beoordeling van het eerste, tweede of derde verzoek om internationale bescherming. Een beoordeling in het licht van artikel 3 van het EVRM en de rechtspraak van het EHRM, laat niet toe om een andere beoordeling te maken van de voorgelegde stukken. Waar verzoekster nog rechtspraak aanhaalt van de Raad, wordt opgemerkt dat deze geen precedentenwerking heeft. Bovendien wordt elke zaak op zijn individuele merites beoordeeld. De Raad is van oordeel dat er geen nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door verzoekster werden aangebracht, die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in XIV-38.802-3/6 aanmerking komt voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet.”
  7. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoeksters argumentatie afgewezen als niet dienstig omdat zij geen duidelijkheid heeft verschaft over haar werkelijke herkomst en identiteit en aldus de asielinstanties verhindert zich een juist beeld te vormen over haar werkelijke nood aan internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat hij in het ongewisse is over waar verzoekster voor haar aankomst in België leefde, onder welke omstandigheden, wanneer en om welke redenen zij haar werkelijke land van herkomst verliet. Aangezien dit verband houdt met de plaats en de tijd waar verzoekster de actoren van haar vrees situeert en van essentieel belang is voor het onderzoek van de subsidiaire bescherming, maakt verzoekster zelf het onderzoek onmogelijk naar een eventuele gegronde vrees voor vervolging die zij mogelijk koestert, of een reëel risico op ernstige schade dat zij mogelijk zou lopen.
  8. Het is niet onwettig dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt op de vaststellingen in verband met de ongeloofwaardigheid van verzoeksters verklaringen over haar herkomst om haar argumentatie over het objectieve risico op vrouwelijke genitale verminking in Somalië te verwerpen. Verzoeksters argumentatie dienaangaande is wel degelijk concreet onderzocht en op een correcte en afdoende wijze beantwoord. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende daarom geen afzonderlijke beoordeling en motivering te wijden aan de algemene informatie over het risico op vrouwelijke genitale verminking in geval van verzoeksters terugkeer naar Somalië.
  9. Anders dan verzoekster aanvoert, blijkt uit de voormelde motivering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters verklaringen en stukken omtrent haar Somalische identiteit en de hersteloperatie die zij in België heeft ondergaan, niet heeft genegeerd maar integendeel uitdrukkelijk heeft betrokken bij de beoordeling van de zaak. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt echter vast dat “deze betrekking hebben op gebeurtenissen die volledig voortvloeien uit een relaas dat in het kader van de vorige verzoeken werd onderzocht en waarover een definitieve beslissing werd genomen” en dat verzoekster “in die stukken die werden voorgelegd in het kader van haar vierde verzoek vast [houdt] aan haar ongeloofwaardige herkomst en de eerder aangehaalde motieven voor een nood aan internationale bescherming” zodat er bijgevolg “geen elementen in het dossier XIV-38.802-4/6 aanwezig [zijn] die een ander licht werpen op de beoordeling van het eerste, tweede of derde verzoek om internationale bescherming”.
  10. Verzoekster klaagt ook aan dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen overweegt dat zij haar “identiteit niet heeft aangetoond”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doelt daarmee louter op het feit dat, aangezien verzoeksters herkomst niet duidelijk is, ook haar identiteit niet precies vaststaat. Anders dan verzoekster aanvoert, reikt de jurisdictionele motiveringsplicht niet zover dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest zou moeten motiveren wat hij precies onder het begrip ‘identiteit’ verstaat en op welke gronden hij tot zijn beoordeling op dit punt is gekomen. Ten onrechte verengt verzoekster in het verzoekschrift het begrip ‘identiteit’ tot ‘nationaliteit’. Verzoekster moest ook niet in de gelegenheid worden gesteld om zich wat dit punt betreft te verdedigen. Het recht van verdediging houdt immers niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op voorhand de motieven van het bestreden arrest moet meedelen zodat verzoekster zich er tegen kan verweren.
  11. Voor zover verzoekster de juistheid betwist van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, moet worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om deze beoordeling over te doen.
  12. Verzoekster toont geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet, van de artikelen 39/65 en 48/3 tot en met 48/7, van de vreemdelingenwet of van het recht van verdediging. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  13. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  14. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.802-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.802-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.610 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.