← België

Cassatiebeschikking 14611 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.611 Rolnummer: A. 234213/XIV-38784 Zaak: Cassatiebeschikking 14611 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-14 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-11 15:19 Fiche Beschikking nr 14.611 van 12 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.611 van 12 oktober 2021 in de zaak A. 234.213/XIV-38.784 In zake : XXXXX XXXXX XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 257.332 van 28 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het eerste onderdeel van het enige middel citeren de verzoeksters een passage uit het bestreden arrest over de beslissing van de verwerende partij van 24 november
  2. Volgens hen is deze passage “geenszins verenigbaar met de bewoordingen van de beslissing van 24.11.2020 en schendt [ze] bijgevolg de bewijskracht van dit stuk”. XIV-38.784-1/3 De verzoeksters geven niet aan in welke bepalingen het door hen aangehaalde beginsel van de bewijskracht van geschreven stukken is opgenomen. Het eerste middelonderdeel is bijgevolg kennelijk niet-ontvankelijk.
  3. De in artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bedoelde “bijzondere omstandigheden” zijn inderdaad niet gelijk te stellen met de omstandigheden die aanleiding geven tot internationale bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 van die wet. Daargelaten de vaststelling dat de verzoeksters niet concreet aangeven op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die verschillende omstandigheden met elkaar “verwart”, vormt het geen schending van artikel 9bis van de vreemdelingenwet om rekening te houden met de vaststellingen die zijn gedaan in een onderzoek naar aanleiding van een verzoek om internationale bescherming om na te gaan of er al dan niet sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van het voornoemde artikel 9bis. Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  4. In het derde onderdeel van het enige middel werpen de verzoeksters een schending op van “de bewijskracht van zowel het verzoekschrift van verzoeksters als van de mededeling van het UNHCR, de Europese Unie en het IOM”. Zij laten opnieuw na enige bepaling aan te geven waarin dat beginsel is opgenomen. Bovendien beoordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen soeverein de bewijswaarde van de door de partijen overgelegde documenten, hetgeen hij te dezen blijkt te hebben gedaan met de beoordeling dat uit de motieven van de eerste voor hem bestreden beslissing van 24 november 2020 “duidelijk blijkt waarom de verzoekende partijen niet aantonen omwille van de algemene humanitaire situatie in Venezuela, grondslag voor de aanbevelingen van onder meer het UNHCR, zich in buitengewone omstandigheden te bevinden, […] de verzoekende partijen niet dienstig [kunnen] voorhouden dat de eerste bestreden beslissing niet toelaat te begrijpen waarom de verwerende partij de aanbevelingen van die drie internationale organisaties beslist niet te volgen”. In wezen vragen de XIV-38.784-2/3 verzoeksters een nieuwe beoordeling van de bewijswaarde van de door hen bijgebrachte aanbevelingen, hetgeen echter niet behoort tot de bevoegdheid van de Raad van State als administratieve cassatierechter. Het derde middelonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  5. Ook in het vierde middelonderdeel werpen de verzoeksters een schending op van “de bewijskracht” van een stuk en hun beroepschrift, zonder een bepaling aan te geven waarin dat beginsel is opgenomen. Vervolgens stellen zij, net als in het derde middelonderdeel, in wezen de beoordeling van de bewijswaarde van de door hen overgelegde stukken in vraag. Het vierde middelonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, ieder voor een derde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.784-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.611 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.