← België

Cassatiebeschikking 14612 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.612 Rolnummer: A. 234255/XIV-38788 Zaak: Cassatiebeschikking 14612 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-14 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 15:20 Fiche Beschikking nr 14.612 van 12 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.612 van 12 oktober 2021 in de zaak A. 234.255/XIV-38.788 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charles Buytaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 235 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 augustus 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 257.827 van 8 juli 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. XIV-38.788-1/5 Eerste middel
  2. De materiëlemotiveringsplicht is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
  3. Verzoeker werpt de schending op van artikel 149 van de Grondwet omdat in het bestreden arrest niet zou zijn geantwoord “op alle duidelijke en omstandige verweermiddelen van verzoeker”. Met dergelijke algemene en niet gefundeerde stelling geeft verzoeker niet aan op welke wijze de jurisdictionele motiveringsplicht zou zijn geschonden, laat staan dat hij een daadwerkelijke tekortkoming in de motivering aantoont.
  4. In de mate dat verzoeker artikel 149 van de Grondwet geschonden acht doordat in het bestreden arrest de “terugkeergevolgen” voor hem niet zijn onderzocht, gaat hij voorbij aan de omstandige motivering over de algemene situatie in het land van herkomst en over verzoekers persoonlijke situatie, met inbegrip van de ongeloofwaardig bevonden elementen en de onduidelijkheid over zijn regio van herkomst en opeenvolgende verblijfplaatsen. Verzoeker geeft alleszins niet aan op welke elementen uit zijn verzoekschrift tot beroep niet zou zijn geantwoord.
  5. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  6. Voor zover verzoeker de grieven herhaalt die hij in het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd tegen de aanvankelijk bestreden beslissing, is het middel niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve kennelijk niet-ontvankelijk. Voor zover verzoeker verwijst naar de veiligheidssituatie in Afghanistan in het algemeen, in Kaboel en in de provincies en vervolgens stelt dat hij “bij terugkeer naar Afghanistan in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing beweert in een toestand zal terechtkomen die een schending van artikel 3 van het EVRM inhoudt” en dat “er XIV-38.788-2/5 […] derhalve [dient] besloten te worden dat de bestreden beslissing dan ook de constitutieve elementen van art. 1.A Vluchtelingenverdrag zoals omgezet in art. 48/3 Vreemdelingenwet schendt”, betwist hij de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter echter niet in de beoordeling van de zaak zelf.
  7. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. Derde middel
  8. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is een administratief rechtscollege dat jurisdictionele beslissingen uitspreekt, te dezen met hervormingsbevoegdheid, waarop “het recht op behoorlijk bestuur zoals vervat in art. 41 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en art. 8 lid 2 Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005” niet van toepassing is. Verzoeker kan zich bovendien in een cassatieberoep tegen een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dienstig beroepen op een schending van artikel 27 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’. Het derde middel is in die mate kennelijk niet- ontvankelijk.
  9. Verzoeker voert ook nog de schending aan van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), doordat in het bestreden arrest geen rekening wordt gehouden met het lot van terugkerende asielzoekers naar Afghanistan. Verzoeker argumenteert dat “de bestreden beslissing [zich] beperkt […] tot het bevestigen van de beslissing van het CGVS, zonder echter vast te stellen naar welk land hij dan ingevolge de negatieve asielbeslissing zou moeten worden verwezen”, zodat geen onderzoek zou zijn gedaan naar een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij een terugkeer naar haar land van herkomst. Wat de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen terecht op dat de beslissing van de commissaris-generaal geen verwijderingsmaatregel inhoudt en dat wel een onderzoek wordt gevoerd naar de nood aan internationale bescherming in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 XIV-38.788-3/5 van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft een omstandig onderzoek gevoerd naar het risico in geval van terugkeer naar het land van herkomst in het licht van de in artikel 48/4 van de vreemdelingenwet bedoelde subsidiaire beschermingsstatus en hij besluit dat geen reëel risico op het lijden van ernstige schade in de zin van deze laatste bepaling in aanmerking kan worden genomen. Verzoeker zet niet uiteen in welke mate en toont derhalve ook niet aan in welke mate het voormelde onderzoek zou tekortschieten. De verwijzing naar een ander land dan het land van herkomst in geval van terugkeer is dan ook niet aan de orde.
  10. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Vierde middel
  11. Daargelaten de vraag of verzoeker zich rechtstreeks kan beroepen op Richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’, beperkt hij zich in het vierde middel tot de loutere bewering dat “niet alle elementen die voorlagen of voor konden liggen bij de beoordeling van de asielaanvraag [werden] betrokken” daar “de asielmotieven en terugkeermogelijkheden niet deugdelijk [werden] onderzocht”, zonder op enige wijze nader uiteen te zetten met welke concrete elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden of welke concrete elementen niet deugdelijk zouden zijn onderzocht.
  12. Het vierde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  13. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  14. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.788-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.788-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.612 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.