← België

Cassatiebeschikking 14614 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.614 Rolnummer: A. 233927/XIV-38739 Zaak: Cassatiebeschikking 14614 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-14 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-11 15:21 Fiche Beschikking nr 14.614 van 12 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.614 van 12 oktober 2021 in de zaak A. é.927/XIV-38.739 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Acer kantoor houdend te 2060 Antwerpen Brugstraat 5 bus 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 mei 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 253.273 van 21 april 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad van State desgevraagd na te gaan of (te dezen) de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter de inhoud van het voormelde beginsel heeft geschonden, doch hij vermag niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden door te oordelen of de annulatierechter al dan niet terecht heeft besloten dat de XIV-38.739-1/3 materiëlemotiveringsplicht niet werd geschonden met de voor hem aangevochten beslissing. Dat verzoeker wat die beoordeling door de eerste rechter betreft een andere visie heeft, houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van de materiëlemotiveringsplicht zou hebben geschonden.
  2. In de uiteenzetting van het enige middel acht verzoeker ook artikel 74/11, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden omdat met de aanvankelijk bestreden beslissing “een inreisverbod wordt opgelegd voor de termijn van drie jaar zonder enig onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod” terwijl deze bepaling “wel degelijk een specifieke motivering vereist om de maximumtermijn op te leggen”. Verzoeker “begrijpt nog steeds niet waarom een termijn van drie jaar werd opgelegd”. Verzoeker gaat volledig voorbij aan de concrete motieven in punt 2.2.2 van het bestreden arrest. Hij toont dan ook geen schending aan van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.739-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.739-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.