← België

Cassatiebeschikking 14618 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/10/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.618 Rolnummer: A. 234356/XIV-38797 Zaak: Cassatiebeschikking 14618 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-18 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-11 15:24 Fiche Beschikking nr 14.618 van 14 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.618 van 14 oktober 2021 in de zaak A. 234.356/XIV-38.797 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tatiana Depoortere kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 47-49, bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 augustus 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 258.255 van 15 juli 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 september 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker herneemt in het enige cassatiemiddel een aanzienlijk deel van het eerste middel dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd. Hij voert aan dat de beslissing van de verwerende partij van 26 maart 2021 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissing) kennelijk onredelijk werd genomen en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit had moeten vaststellen. Hij stelt nog dat de XIV-38.797-1/4 aanvankelijk bestreden beslissing “een flagrante schending […] van de materiële- motiveringsplicht” inhoudt. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden door in de plaats van de eerste rechter na te gaan of de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing al dan niet volstaan in het licht van de materiëlemotiveringsplicht of van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’.
  2. Wat betreft het in artikel 7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bedoelde gedrag waardoor de vreemdeling wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden en de in artikel 44bis, § 1, van dezelfde wet bedoelde “redenen van openbare orde”, is enerzijds niet vereist dat de betrokken vreemdeling voor de desbetreffende feiten een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen. Anderzijds volstaat het feit dat de betrokkene wel een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen op zich niet om te stellen dat hij door zijn gedrag wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden. Waar verzoeker er voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wees dat hij nog niet strafrechtelijk was veroordeeld, wordt in het bestreden arrest aangestipt “dat verzoeker reeds in 2010 correctioneel werd veroordeeld wegens diefstal en mededaderschap aan poging tot misdaad, zodat juridisch vaststaat dat verzoeker zich in het verleden wel degelijk ‘schuldig’ heeft gemaakt aan bepaalde schendingen van de openbare orde”. Hierna merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat “in de beslissing […] evenwel niet enkel [wordt] verwezen naar deze ‘oude’ veroordeling, maar […] eveneens de aard van de feiten waarvan hij thans verdacht wordt onder de aandacht [wordt] gebracht” zodat “verzoeker […] niet dienstig [kan] voorhouden dat deze veroordeling van meer dan 10 jaar geleden geen actueel karakter heeft omdat de beslissing eveneens gestoeld is op zijn meer recente openbare orde-problemen”. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen: “Naar aanleiding van deze recente feiten van 21 februari 2021 dient te worden opgemerkt dat het strafrechtelijk vermoeden van onschuld er niet aan in de weg staat dat een bestuur bij de uitoefening van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid rekening houdt met feiten die niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid (RvS 11 juni 2015, nr. 231.531). Het loutere gegeven dat deze feiten nog niet tot een XIV-38.797-2/4 strafrechtelijke sanctie hebben geleid, brengt niet mee dat de feiten als onbestaande zouden moeten worden beschouwd. Verzoeker levert immers geen bewijs aan dat hij niet bij deze feiten betrokken was. Uit het bevel tot aanhouding van de onderzoeksrechter van 22 februari 2021, dat in het administratief dossier is opgenomen, blijkt dat verzoeker de politonele voorwaarden van 21 februari 2021 had geschonden en dat omwille van recidivegevaar zijn aanhouding werd bevolen. Het gaat blijkens het administratief dossier om ernstige feiten van intra-familiaal geweld waardoor de gemachtigde van de staatssecretaris geenszins kennelijk onredelijk te werk ging door op basis van alle beschikbare gegevens te concluderen ‘dat betrokkene momenteel een gevaar kan betekenen voor de rust van de burgers evenals voor de handhaving van de openbare orde. Met andere woorden, het gedrag van betrokkene betekent een reële, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de maatschappij’.” Uit de voorgaande motivering blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of de aanvankelijk bestreden beslissing op wettige wijze rekening heeft gehouden met de voorwaarde dat de betrokkene door zijn gedrag wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierbij heeft vastgesteld dat die beslissing geenszins enkel op de correctionele veroordeling uit 2010 is gesteund.
  3. Verzoeker verwijst voor de aangevoerde schending van artikel 44ter, § 1, van de vreemdelingenwet naar het feit dat zijn broer in België verblijft, dat hij in België werkt en er dus economische belangen heeft en dat hij hier een woning huurt met zijn partner. Verzoeker heeft de schending van het voornoemde artikel 44ter, § 1, en de daarmee verband houdende kritiek echter niet aangevoerd voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Hij vermag dit niet voor het eerst te doen in de graad van administratieve cassatie.
  4. Verzoeker zet nergens uiteen hoe de overige in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen of beginselen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
  5. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.797-3/4 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien oktober tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.797-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.