id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 14 oktober 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.620 Rolnummer: A. 234087/XIV-38762 Zaak: Cassatiebeschikking 14620 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/10/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-10-18 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-11 15:24 Fiche Beschikking nr 14.620 van 14 oktober 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.620 van 14 oktober 2021 in de zaak A. 234.087/XIV-38.762 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Roox kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 256.808 van 18 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van de voornoemde bepalingen zou hebben XIV-38.762-1/3 geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. Te dezen geeft verzoeker niet aan op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van de in de voornoemde wet van 29 juli 1991 bedoelde formelemotiveringsplicht zou hebben geschonden.
- Ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoekers kritiek dat de verwerende partij de redelijkheidsplicht en de zorgvuldigheidsplicht zou hebben geschonden, heeft geen betrekking op het bestreden arrest doch slechts op de voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevochten beslissing.
- Verzoeker geeft zijn eigen visie op de duur van zijn verblijf in België, het bestaan van banden met het land van verblijf of het ontbreken van banden met het land van herkomst en de gevolgen voor hemzelf en zijn familieleden. Daargelaten de vaststelling dat die kritiek grotendeels betrekking heeft op de beslissing van de verwerende partij en niet op het bestreden arrest, dient te worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf. Met de loutere bewering dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “onterecht” heeft geoordeeld dat de verwerende partij wel degelijk rekening heeft gehouden met artikel 23 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), toont verzoeker geen schending aan van deze laatste bepaling.
- Met de aangevoerde schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, beperkt verzoeker zich andermaal tot het herhalen van zijn eigen standpunt ten gronde. Hij gaat bovendien volledig voorbij aan de omstandige motivering wat deze verdragsbepaling betreft in de punten 2.12.1 tot 2.13 van het bestreden arrest.
- Verzoeker zet nergens uiteen, anders dan met de supra reeds niet- ontvankelijk bevonden kritiek, op welke wijze artikel 55/3/1, § 1, van de vreemdelingenwet zou zijn geschonden met het bestreden arrest. XIV-38.762-2/3
- Het enige middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien oktober tweeduizend eenentwintig door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.762-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div