id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 19 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.644 Rolnummer: A. 234742/XIV-38831 Zaak: Cassatiebeschikking 14644 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 19/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-23 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-11 19:49 Fiche Beschikking nr 14.644 van 19 november 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.644 van 19 november 2021 in de zaak A. 234.742/XIV-38.831 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 oktober 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 259.677 van 30 augustus 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 oktober 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Enig middel XIV-38.831-1/7
- De verzoekers werpen in het enige middel de schending op van een hele reeks bepalingen en beginselen. Zij zetten daarbij in essentie uiteen dat de motivering van het bestreden arrest op een aantal punten niet voldoet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
- De verzoekers richten zich eerst tegen de overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verzoekers volharden in hun verklaringen en verwijzen naar de algemene situatie in El Salvador, maar de motieven van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 december 2020 (hierna: de aanvankelijk bestreden beslissingen) ongemoeid laten. Anders dan de verzoekers voorhouden, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hun kritiek wel degelijk beantwoord met de vaststelling dat de verzoekers in het beroepschrift volharden in hun verklaringen afgelegd op het commissariaat-generaal, dat zij het in hun argumenten louter oneens zijn met de aanvankelijk bestreden beslissingen, maar dat dit niet van aard is om de argumentatie en redenering van de commissaris-generaal – die in het bestreden arrest uitdrukkelijk wordt bijgevallen en overgenomen – te weerleggen, dat zij nog steeds geen concrete, persoonlijke of ernstige problemen aanvoeren om de nood aan internationale bescherming concreet aannemelijk te maken en dat de bespreking van de algemene situatie in El Salvador, de verwijzing naar een algemeen risicoprofiel en de vaststelling dat bepaalde elementen over hun persoonlijke situatie niet ter discussie staan, niet volstaan om de beweerde nood aan internationale bescherming concreet aannemelijk te maken. Dat de verzoekers het niet eens zijn met die XIV-38.831-2/7 beoordeling, houdt niet in dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend zou zijn of in strijd zou zijn met een van de in het cassatiemiddel aangehaalde bepalingen of beginselen.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest niet dat de algemene situatie van een land vreemd is aan de motieven van de bestreden beslissingen, maar wel – en dit op wettige wijze – dat concrete, persoonlijke of ernstige problemen moeten worden aangevoerd om de nood aan internationale bescherming aannemelijk te maken en dat de verzoekers met een bespreking van de algemene situatie in El Salvador er niet in slagen hun beweerde nood aan internationale bescherming concreet aannemelijk te maken. De verzoekers maken wat dat betreft geen schending aannemelijk van artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet.
- De verzoekers herhalen vervolgens een aantal argumenten die zij in het eerste middel van hun beroepschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben aangevoerd tegen de aanvankelijk bestreden beslissingen. Zoals reeds blijkt uit de behandeling van het middel in punt 2 supra, maken de verzoekers daarmee geen gebrek in de motivering van het bestreden arrest noch een andere onwettigheid aannemelijk. Verder is er geen rechtsregel of beginsel die vereist dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn overwegingen in het bestreden arrest telkens vermeldt op welke aspecten van de argumentatie van de verzoekers er precies wordt geantwoord. Anders dan de verzoekers beweren, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hun vraag om internationale bescherming volledig onderzocht en met de overwegingen van het bestreden arrest een antwoord geboden op alle feitelijke en juridische aspecten van hun beroep. De motivering van het bestreden arrest is geenszins vaag en stereotiep.
- Met de overweging dat het verblijf van de verzoekers voor de duur van hun asielprocedure als dusdanig niet resulteert in bijzondere kenmerken waardoor zij identificeerbaar zouden zijn als personen die in het buitenland hebben verbleven, antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen afdoende op de argumentatie van de verzoekers dat het loutere feit dat zij een bepaalde tijd in het buitenland hebben verbleven een verhoogd risico op vervolging zou inhouden. De verzoekers hebben daarbij niet concreet aangevoerd XIV-38.831-3/7 dat de bendeleden perfect op de hoogte zijn van wie de wijk heeft verlaten en waarom, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hieromtrent geen bijkomende motivering in het bestreden arrest moest opnemen.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwerpt de argumentatie van de verzoekers dat “hun gehoor doordrenkt was van angst”, dat (vierde) verzoekster door haar angsten is getraumatiseerd en dat zij doordrongen zijn van angst voor wat de bendeleden hen kunnen aandoen. Hij is van oordeel dat dit een eigen interpretatie van hun interviews bij het commissariaat-generaal betreft terwijl de door de verzoekers afgelegde verklaringen duidelijk zijn en niet voor interpretatie vatbaar. De kritiek van de verzoekers tegen deze beoordeling heeft betrekking op de grond van de zaak en doet geen afbreuk aan de vaststelling in het bestreden arrest dat zij tot op heden geen concrete, persoonlijke of ernstige problemen hebben aangevoerd. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een afdoende antwoord geboden op de door de verzoekers aangevoerde argumentatie wat dit punt betreft.
- Het behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of een aanvullend onderzoek al dan niet noodzakelijk is. De eerste rechter vermocht derhalve zonder verder onderzoek te bevelen tot het besluit te komen dat de door de verzoekers bij hun aanvullende nota gevoegde screenshots van gesprekken via facebook en vriendschapsverzoeken – die erop zouden moeten wijzen dat een bende in El Salvador weet heeft van hun vertrek uit het land – onvoldoende objectief zijn om een basis te kunnen vormen voor een beoordeling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt daar bovendien aan toe dat de conversaties en verzoeken van M.V. hoe dan ook niet kunnen worden gelinkt aan de verzoekers, die een andere identiteit hebben. Met dit oordeel miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geenszins artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet.
- In het licht van de motieven van het bestreden arrest was de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er niet toe gehouden verder uiteen te zetten waarom niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet en aan welke van de cumulatieve voorwaarden niet is voldaan. Ten onrechte verwijzen de verzoekers in het verzoekschrift louter naar de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet- aanvaarde screenshots van gesprekken via facebook en vriendschapsverzoeken in verband met het standpunt van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat niet is voldaan aan de XIV-38.831-4/7 cumulatieve voorwaarden bedoeld in artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet, terwijl dat oordeel ook steunt op de voorafgaande overwegingen van het bestreden arrest.
- De vraag van de verzoekers om een cumulatieve risicoanalyse te maken, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen afdoende beantwoord met de overweging dat het feit dat de commissaris-generaal nagaat of elk element op zich een risico tot vervolging inhoudt, geen afbreuk doet aan het geheel van de motivering. De jurisdictionele motiveringsplicht reikt niet zover dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit nog nader zou moeten toelichten en verder zou moeten verduidelijken waarom een verdere cumulatieve risicoanalyse nodig noch wenselijk is. De verzoekers verduidelijken voorts in het verzoekschrift niet op welke wijze, naar hun oordeel, deze conclusie van de eerste rechter in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de vraag van de verzoekers om toepassing te maken van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet afdoende beantwoord door in het bestreden arrest te motiveren dat de verzoekers niet hebben aangetoond dat artikel 48/7 van de vreemdelingenwet kan worden toegepast. Deze conclusie steunt op de daaraan voorafgaande overwegingen van het bestreden arrest en de eerste rechter is er niet toe gehouden om zijn oordeel op dit punt nader te verduidelijken, noch om in het bestreden arrest te verwoorden waarom niet is voldaan aan de criteria van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet. De jurisdictionele motiveringsplicht reikt immers niet zo ver dat de rechter in zijn arrest ook moet specificeren welke de gronden voor zijn motieven zijn.
- De verzoekers voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het bestreden arrest volledig voorbijgaat aan het eerste middel voor zover daarin de schending is aangevoerd van artikel 57/1, § 4, van de vreemdelingenwet, artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 3, 6 en 37 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij wet van 25 november 1991, en aan het tweede middel voor zover daarin de schending is aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van het EVRM, de artikelen 1 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese unie en de artikelen 3, 6 en 37 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Volgens de verzoekers heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet geantwoord op de in die middelen aangevoerde argumenten dat de niet-aflatende vrees aangevallen of beroofd te worden in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volstaat om van een risico in de zin van artikel 3 XIV-38.831-5/7 van het EVRM te spreken en dat zij daaraan voldoen, dat het leven in hun wijk de menselijke waardigheid schendt omdat zij geen andere keuze hebben dan te gehoorzamen aan de facto overheid, geen rechtsmiddelen hebben en disproportioneel geweld als sanctie vrezen en dit een schending uitmaakt van artikel 3 van het EVRM, dat artikel 3 van het EVRM een kindspecifieke inschatting vereist en dat de asielaanvraag moet worden beoordeeld met het hoger belang van de minderjarige als doorslaggevende overweging en dat verzoekers ontwikkeling als kind, diens recht op overleven, om niet mishandeld en bedreigd te worden, geschonden zou worden bij terugkeer gelet op de relevante landeninformatie en zijn persoonlijk profiel. De verzoekers gaan echter voorbij aan de pertinente opmerking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat zij in het kader van hun verzoek om internationale bescherming concreet aannemelijk moeten maken dat zij voldoen aan de criteria van artikel 48/3 of 48/4 van de vreemdelingenwet en dat een resem aangevoerde rechtsregels die de verzoekers geschonden achten en een theoretische uiteenzetting over een aantal van deze bepalingen niet toelaat om vast te stellen dat verzoekers daadwerkelijk nood hebben aan internationale bescherming. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het licht van het aan hem opgedragen onderzoek of de verzoekers al dan niet beantwoorden aan de criteria bedoeld in de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet de twee door de verzoekers aangevoerde middelen en de daarin aangehaalde argumenten afdoende beantwoord met de vaststelling dat de verzoekers in het beroepsschrift volharden in hun verklaringen afgelegd bij het commissariaat-generaal en verwijzen naar de algemene situatie in El Salvador maar de motieven van de bestreden beslissingen ongemoeid laten, dat zij het in hun argumenten louter oneens zijn met de aanvankelijk bestreden beslissingen, maar dat dit niet van aard is om de argumentatie en redenering van de commissaris-generaal – die in het bestreden arrest uitdrukkelijk wordt bijgevallen en overgenomen – te weerleggen, dat zij nog steeds geen concrete, persoonlijke of ernstige problemen aanvoeren om de nood aan internationale bescherming concreet aannemelijk te maken en dat de bespreking van de algemene situatie in El Salvador, de verwijzing naar een algemeen risicoprofiel en de vaststelling dat bepaalde elementen over hun persoonlijke situatie niet ter discussie staan niet volstaat om de beweerde nood aan internationale bescherming concreet aannemelijk te maken.
- De verzoekers voeren nog de schending aan van de procedurele wapengelijkheid, het tegensprekelijk karakter van de procedure en het recht van verdediging, XIV-38.831-6/7 zonder te verduidelijken op welke wijze, naar hun oordeel, deze principes zouden zijn geschonden. In zoverre kan worden aangenomen dat de verzoekers de voorgehouden schending betrekken op de motivering van het bestreden arrest, moet worden opgemerkt dat uit een louter gebrek in de motivering, geen schending van de procedurele wapengelijkheid, het tegensprekelijk karakter van de procedure en het recht van verdediging kan worden afgeleid, daargelaten de vaststelling dat de kritiek van de verzoekers op die motivering ongegrond is bevonden.
- In de mate dat de overige in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen al van toepassing zouden zijn op het bestreden arrest, zetten de verzoekers niet anders dan met de voorgaande en ongegrond bevonden kritiek uiteen op welke wijze die bepalingen en beginselen zouden zijn geschonden.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, ieder voor een vierde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negentien november tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.831-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.644 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.