id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 november 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.655 Rolnummer: A. 234734/XIV-38829 Zaak: Cassatiebeschikking 14655 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/11/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-11-30 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-11 19:50 Fiche Beschikking nr 14.655 van 26 november 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.655 van 26 november 2021 in de zaak A. 234.734/XIV-38.829 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thierry L’Allemand en Shanna Schuerewegen kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britselei 47-49/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 oktober 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 260.271 van 7 september 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 oktober 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker in het eerste cassatiemiddel letterlijk een deel van het eerste middel herhaalt dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd, met enkel de toevoeging dat “in tegenstelling tot hetgene bepaald in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wel degelijk voldoende bewezen”. XIV-38.829-1/3 Verzoekers kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft geen betrekking op het bestreden arrest. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden door in de plaats van de eerste rechter na te gaan of de aanvankelijk bestreden beslissing al dan niet op zorgvuldige wijze is genomen noch of ze al dan niet afdoende is gemotiveerd. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Het tweede cassatiemiddel is kennelijk niet-ontvankelijk in de mate dat verzoeker het tweede middel herhaalt dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker stelt dat zijn tweede voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd middel “wel degelijk voldoende duidelijk is”, doch die beoordeling, te dezen wat de aangevoerde schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), betreft, behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de eerste rechter. Hoe dan ook geeft verzoeker niet de minste toelichting in welke mate zijn voor de eerste rechter aangevoerde kritiek enig verband zou houden met de voornoemde verdragsbepaling. Verzoeker verwijst verder slechts naar zijn “Pools visum” doch hij gaat voorbij aan het motief in het bestreden arrest dat dit visum was verstreken op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Ook het derde cassatiemiddel is kennelijk niet-ontvankelijk in de mate dat verzoeker het derde middel herhaalt dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Voor het overige betwist verzoeker op algemene wijze de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van de door verzoeker in het licht van artikel 8 van het EVRM aangevoerde omstandigheden, doch de Raad van State XIV-38.829-2/3 treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. Hoe dan ook gaat verzoeker niet in op de concrete motieven dienaangaande in het bestreden arrest. Het derde middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- In het vierde cassatiemiddel herhaalt verzoeker slechts zijn vierde voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd middel. Die kritiek is niet gericht tegen het bestreden arrest, waarin dit laatste middel overigens niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat het is gericht tegen de beslissing tot vrijheidsberoving. Verzoeker gaat niet in op deze beoordeling. Het vierde middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig november tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.829-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div