← België

Cassatiebeschikking 14671 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.671 Rolnummer: A. 234836/XIV-38844 Zaak: Cassatiebeschikking 14671 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-17 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-14 02:37 Fiche Beschikking nr 14.671 van 15 december 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.671 van 15 december 2021 in de zaak A. 234.836/XIV-38.844 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en France Laurent kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 oktober 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 260.885 van 20 september 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 november 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De verzoekers werpen in het eerste middelonderdeel in essentie op dat zij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het risico van systematische vervolging van naar Tsjetsjenië gerepatrieerde Tsjetsjeense asielzoekers (groepsvervolging) hebben ingeroepen op grond van artikel 48/4, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van XIV-38.844-1/4 vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) doch dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit risico heeft onderzocht vanuit het perspectief van artikel 48/3 van die wet. In de mate dat de verzoekers aanvoeren dat zij de voornoemde groepsvervolging niet hebben ingeroepen als grond voor de toekenning van de vluchtelingenstatus, hebben zij geen belang bij hun kritiek dat de vluchtelingenstatus hen (ook) op die grond werd geweigerd. Zij vechten in dit middelonderdeel overigens niet de overige gronden tot weigering van de vluchtelingenstatus aan. Verder blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus onder meer verwijst naar de eerder in het bestreden arrest gedane vaststellingen betreffende de asielmotieven en besluit dat de verzoekers “ingevolge deze vaststellingen niet aan[tonen] dat zij niet in aanmerking komen voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus”. De navolgende overwegingen in het bestreden arrest vormen dus ook een antwoord op de op grond van de voorgehouden groepsvervolging gevraagde toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus: “Verzoekende partijen wijzen daarnaast nog op (informatie over) de situatie van een aantal personen die in het verleden vanuit Europa zijn teruggekeerd of riskeerden te worden uitgewezen naar Tsjetsjenië. In zoverre zij hiermee laten uitschijnen dat teruggekeerde verzoekers om internationale bescherming of personen die in Europa hebben verbleven in hun land en regio van herkomst over het algemeen zouden riskeren te worden onderworpen aan folteringen en onmenselijke behandelingen, dient echter te worden vastgesteld dat uit de door verzoekende partijen aangehaalde informatie in het geheel niet kan worden afgeleid dat de situatie in hun land en regio van zulke aard zou zijn dat deze voor eenieder die, na alhier een verzoek om internationale bescherming te hebben ingediend of hier enige tijd te hebben verbleven, vanuit Europa terugkeert naar Tsjetsjenië het risico met zich zou brengen om louter naar aanleiding van een terugkeer naar en aanwezigheid in deze regio te worden geviseerd of vervolgd. Verzoekende partijen dienen aldus in concreto aannemelijk te maken dat zij bij een terugkeer naar hun land en regio van herkomst zouden riskeren te worden onderworpen aan de aangehaalde mensenrechtenschendingen. Zij tonen echter geheel niet aan dat zij een gelijkaardig profiel zouden vertonen of zich in een gelijkaardige situatie zouden bevinden als de personen op wie de door hen aangereikte informatie betrekking heeft. Evenmin tonen zij, mede gelet op de reeds hoger gedane vaststellingen, aan dat, waar, wanneer, door wie, om welke reden en in welke omstandigheden zij in dit kader aan mensenrechtenschendingen zouden dreigen te worden blootgesteld bij een terugkeer naar Tsjetsjenië.”
  4. Uit het door de verzoekers in het tweede middelonderdeel geciteerde punt 3.7 van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel XIV-38.844-2/4 degelijk kennis heeft genomen van de door hen in hun aanvullende nota voorgehouden vrees als personen die de “Republiek Ichkeria” steunen of daarvan verdacht worden en de aangevoerde elementen ook beoordeelt. Aan bepaalde stukken wordt geen bewijswaarde toegekend omdat het slechts gaat om fotokopieën die “gemakkelijk door knip- en plakwerk te fabriceren zijn”. Verder merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat alle datums in de niet in de taal van de rechtspleging gestelde citaten, “zowel wat de teksten zelf als de vermelde gebeurtenissen betreffen, zich situeren tussen anno 2004 en juli 2020, ruim voor het indienen van het onderhavig verzoekschrift op 4 januari 2021” zodat het niet gaat om nieuwe elementen in de zin van artikel 39/76, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet. De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden en de bewijswaarde van bijgebrachte stukken opnieuw te beoordelen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen verder onderzoek voert indien hij de bewijswaarde van de ter staving van een voorgehouden vrees bijgebrachte stukken niet aanvaardt, houdt op zich geen schending in van de aangevoerde bepalingen.
  5. De verzoekers betrekken hun kritiek in het derde middelonderdeel voortdurend op de “bewijskracht” van de bij hun aanvullende nota van 1 september 2021 gevoegde stukken, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft zich enkel uitgesproken over de bewijswaarde ervan, hetgeen tot zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid behoort. Dat de verzoekers in de voormelde nota hebben aangegeven dat zij “in het bezit [zijn] van de originele stukken die zij naar de hoorzitting zullen meebrengen” doch dat zij dat uiteindelijk niet hebben gedaan, kunnen zij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet aanrekenen. In die omstandigheden is geen van de aangehaalde bepalingen geschonden door het enkele feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft beperkt tot het onderzoek van de hem overgelegde stukken, zonder naar andere stukken of originelen te vragen. De verzoekers gaan ook voorbij aan de motivering waarom de desbetreffende stukken niet worden beschouwd als “nieuwe elementen” in de zin van artikel 39/76, § 1, van de vreemdelingenwet.
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.844-3/4 BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien december tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.844-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.