← België

Cassatiebeschikking 14678 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.678 Rolnummer: A. 234013/XIV-38751 Zaak: Cassatiebeschikking 14678 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-12 17:50 Fiche Beschikking nr 14.678 van 21 december 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.678 van 21 december 2021 in de zaak A. 234.013/XIV-38.751 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Vlad Ciocotisan kantoor houdend te 1200 Brussel Vergoteplein 10 B/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 juli 2021, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 256.199 van 11 juni 2021 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 augustus 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Anders dan verzoekster voorhoudt is de motivering in het bestreden arrest betreffende de aangevoerde schending van artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) niet beperkt tot de “tautologische motivatie” dat in de beslissing van de verwerende partij rekening werd gehouden met eventuele elementen in overeenstemming met het voornoemde artikel 74/13 XIV-38.751-1/4 en dat daaruit blijkt dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met verzoeksters gezins- en familieleven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert in het bestreden arrest immers ook de concrete motieven uit de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij, namelijk dat de duur van het verblijf niet van die aard is om de banden met het thuisland te verliezen, dat betrokkene op 1 september 2016 naar België kwam om hier te studeren, dat de machtiging tot verblijf steeds beperkt was tot de duur van de studies en tijdelijk van aard was en dat uit het administratief dossier evenmin blijkt dat de gezondheidstoestand een mogelijke belemmering kan vormen om gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten of dat er sprake is van een gezins- en familieleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
  2. Verder merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de bij het verzoekschrift tot nietigverklaring gevoegde stukken dateren van na de voor hem aangevochten beslissing van de verwerende partij. Verzoekster gaat volledig voorbij aan deze motieven. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  3. Artikel 62 van de vreemdelingenwet is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk bestreden beslissing de inhoud van de voornoemde bepaling zou hebben geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. Te dezen oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.2 van het bestreden arrest op concreet gemotiveerde wijze dat in de voor hem bestreden beslissing van de verwerende partij wordt verwezen naar de juridische grondslag en de feitelijke overwegingen voor die beslissing, zodat een schending van het voornoemde artikel 62 niet wordt aangetoond. Deze overwegingen zijn niet in strijd met de inhoud van het meergenoemde artikel
  4. Zoals reeds aangegeven, is de Raad van State als administratieve XIV-38.751-2/4 cassatierechter niet bevoegd om zich zelf een oordeel te vormen over het afdoende karakter van de in de beslissing van de verwerende partij weergegeven motieven. Verzoekster verwijst naar de beoordeling van “een gezinsleven” in arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in andere zaken en verwijst naar “de eenheid van rechtspraak”. Dit is echter geen beginsel dat tot de cassatie kan leiden van een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een andere zin. Het recht om te worden gehoord beoogt te verzekeren dat eenieder in staat wordt gesteld naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar te maken in het kader van een administratieve procedure en voordat een besluit wordt genomen dat zijn belangen op nadelige wijze kan beïnvloeden. Dit beginsel beoogt met name, ter verzekering van de effectieve bescherming van de betrokken persoon, deze laatste in kennis te stellen om een vergissing te corrigeren of individuele omstandigheden aan te voeren die ervoor pleiten dat het besluit wordt genomen, niet wordt genomen of dat in een bepaalde zin wordt besloten. Het staat aan de rechter om aan de hand van de specifieke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of de aantasting van het hoorrecht van aard is dat een andere beslissing zou zijn getroffen indien de betrokkene de gelegenheid had gekregen elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt aan te voeren. Om een miskenning van het hoorrecht aan te tonen, dient de betrokkene dus aannemelijk te maken dat, indien hij was gehoord, een andere beslissing had kunnen worden genomen. Wat de voorgehouden schending van het hoorrecht betreft, geeft verzoekster in het cassatiemiddel niet anders dan met het voorgaande aan op grond van welke elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot een schending van dit beginsel had moeten besluiten. Zij geeft dus in het cassatiemiddel niet aan welke concrete elementen zij had kunnen aanvoeren en die tot een andere beoordeling van de voorgehouden schending van het hoorrecht hadden moeten leiden. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.751-3/4
  6. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig december tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.751-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.