id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 december 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.679 Rolnummer: A. 235092/XIV-38882 Zaak: Cassatiebeschikking 14679 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/12/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-12-23 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-12 17:51 Fiche Beschikking nr 14.679 van 21 december 2021 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.679 van 21 december 2021 in de zaak A. 235.092/XIV-38.882 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ellen De Raedt kantoor houdend te 9000 Gent Begijnhoflaan 65 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 november 2021, strekt tot de cassatie van de beslissing van de Beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (hierna: de Beroepscommissie), met referentie CB/21.
- Het dossier van de zaak is op 8 december 2021 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker werpt een schending op van artikel 162, § 1, van de basiswet van 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet), naar luid waarvan “de Beroepscommissie […] zo spoedig mogelijk uitspraak [doet] over het beroepschrift en uiterlijk veertien dagen na het instellen van het hoger beroep”. XIV-38.882-1/3 De voormelde bepaling voorziet niet in een sanctie bij het overschrijden van de aangegeven termijn, evenmin als een andere bepaling in de basiswet. Het gaat om een termijn van orde, zodat een schending van artikel 162, § 1, van de basiswet op zich niet kan leiden tot de cassatie van de bestreden beslissing. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- In zijn arrest nr. 150/2018 van 8 november 2018 heeft het Grondwettelijk Hof de Beroepscommissies uitdrukkelijk gekwalificeerd als rechtscolleges. De bestreden beslissing vormt derhalve een jurisdictionele beslissing. Het in het middel ingeroepen zorgvuldigheidsbeginsel is een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, dat bijgevolg niet van toepassing is op jurisdictionele beslissingen. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker acht het vermoeden van onschuld geschonden en licht dit toe als volgt: “In de beslissing vormt de Beroepscommissie de volgende argumentatie omtrent de individuele toerekening en het vermoeden van onschuld: ‘Volgens de Nederlandse rechtspraak worden beide gedetineerden ook gestraft, tenzij er aanknopingspunten zijn die erop wijzen dat de verboden voorwerpen niet van één van hen zijn en het voldoende aannemelijk is dat die gedetineerde ook niet wist of had kunnen weten van de aanwezigheid van de verboden voorwerpen. Een loutere ontkenning volstaat niet als aanknopingspunt dat de drugs niet van hem zijn. Het is dan ook niet onredelijk om de feiten aan hem toe te rekenen.’ […] Op basis van deze argumentatie keert de Beroepscommissie de bewijslast om, waardoor appellant zijn onschuld dient aan te tonen door voldoende aannemelijk te maken dat de drugs niet van hem zijn.” Hetgeen verzoeker citeert, is echter geen motief uit de bestreden beslissing doch uit het beroepschrift bij de Beroepscommissie. De weergave in punt 3 van de bestreden beslissing van het standpunt van de huidige verwerende partij behoort niet tot de beoordeling zelf in punt 4 van die beslissing. In die mate mist verzoekers kritiek feitelijke grondslag. XIV-38.882-2/3 Verzoeker gaat eraan voorbij dat de bestreden beslissing niet is genomen omdat de drugs hem zouden toebehoren of omdat hij niet zou aantonen dat de drugs niet van hem waren. Ze is genomen op grond van de concreet ontwikkelde beoordeling “dat er voldoende elementen zijn die aantonen dat beide celgenoten minstens op de hoogte waren van de aanwezigheid van de verboden substantie in de cel” zodat “de directie […] er redelijkerwijze van [kon] uitgaan dat er minstens sprake is van deelneming in de zin van art. 131 van de Basiswet”. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Het vertrouwensbeginsel is een algemeen beginsel van behoorlijk. Om de bij de behandeling van het tweede middel uiteengezette reden is het niet van toepassing op de bestreden beslissing. Het vierde middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig december tweeduizend eenentwintig, door: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.882-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ORD.14.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div