id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.617 Rolnummer: A. 225121/VII-40262 Zaak: Arrest 252617 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 13/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-20 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 05:58 Fiche Arrest nr 252.617 van 13 januari 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.617 van 13 januari 2022 in de zaak A. 225.121/VII-40.262 In zake : Hermann WIECHMANN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tim Peeters kantoor houdend te 2520 Oelegem (Ranst) de Fraulalaan 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Klimaat, Leefmilieu, Duurzame Ontwikkeling en Green Deal bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willy Van der Gucht en Franky De Mil kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 34 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 4 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van
(1)de beslissing de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 7 maart 2018 waarbij overeenkomstig artikel 6 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlage opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijzigingen van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 door de dienst wordt overgegaan tot de administratieve inbeslagname van 10 papegaaien en van
(2)de bestemmingsbeslissing van 7 maart 2018 waarbij deze 10 vogels in volledige eigendom worden toegewezen aan het VZW Nally’s papegaaienopvang, Bruggestraat 200a, 8730 Beernem. VII-40.262-1/16 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft op 29 juli 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 december
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tim Peeters, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Franky De Mil, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker exploiteert een handel in papegaaien. Hij dient op 23 december 2016 bij de “cel CITES” van de Dienst Multilaterale en Strategische Zaken van het Directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (hierna: “cel CITES”) een certificaataanvraag in voor een Psittacus erithacus (grijze roodstaartpapegaai). VII-40.262-2/16 Het bewijs van de legale oorsprong van de betrokken papegaai wordt niet erkend door het CITES-beheersorgaan. 3.
- Op 18 oktober 2017 volgt een eerste controle. Deze heeft als doel het afleveren van twee CITES-certificaten en de inbeslagname van een grijze roodstaartpapegaai. Tijdens de controle blijken voor niet alle vogels in het bezit van verzoeker de vereiste documenten aanwezig. Er wordt een “document van ter plaatse inbeslagname” opgesteld. 3.
- Aan verzoeker wordt op 19 oktober 2017 per mail gevraagd om zijn register van binnenkomst en vertrek te bezorgen aan het inspectieteam. Op basis van de verkregen informatie beslist dit team om in december 2017 een nieuwe controle uit te voeren. Op 21 en 27 november 2017 ontvangt de verwerende partij de gevraagde overdrachtsdocumenten die alle ter plaatse in beslag gestelde bijlage-B-vogels regulariseren. Zeven Ara rubogenys-exemplaren blijven echter ter plaatse in beslag. Er blijven tekortkomingen bestaan als het register wordt vergeleken met de verkregen overdrachtsdocumenten. 3.
- Tijdens een tweede controle ter plaatse op 12 december 2017 worden 252 CITES-vogels gecontroleerd. Tijdens de inspectie worden hiervan dertig dieren ter plaatse in beslag genomen en tien definitief in beslag. Er worden ook EU-certificaten die niet bij een aanwezige vogel horen in beslag genomen. Op het einde van de controle wordt er een beslissing van in beslag genomen specimens opgesteld, ondertekend door verzoeker. 3.
- Het PV geeft het administratief onderzoek weer. Over het verhoor zet het PV uiteen dat dit niet werd gerealiseerd tijdens de inspectie, en dat de mogelijkheid voor verhoor inzake de vermelde feiten nog wordt gegeven tot en met 21 maart 2018, hetgeen in voorkomend geval het voorwerp zal uitmaken van een navolgend PV. VII-40.262-3/16 3.
- Op 7 maart 2018 wordt er een pro justitia van inbeslagname opgesteld. Dit is de eerste bestreden beslissing. Het PV vermeldt: “Naar aanleiding van de aanvraag van een Europees certificaat voor een Psittacus erithacus (CITES-bijlage-A) op basis van een ongeldig document werd op 18/10/2017 en 12/12/2017 de heer Wiechmann gecontroleerd (zie PV 63/CITES/122/1/2017). Samengevat, werden 252 vogels gecontroleerd, waarvan 47 die niet in orde waren (en daarnaast nog enkele andere inbreuken). Hiervan kon de heer Wiechmann er nog 26 achteraf regulariseren en moeten er 11 teruggestuurd worden naar de eigenaar in Nederland. Voor 10 vogels was geen regularisatie mogelijk op basis van onderstaande vaststellingen:
- 2x Ara glaucogularis (CITES-bijlage A) waarvoor certificaat van ander specimen werd voorgelegd waarbij 1 exemplaar zonder enige identificatie en 1 exemplaar waarvan pootring kon verwijderd worden
- 2x Ara macao (CITES-bijlage A) waarvoor certificaat van ander specimen werd voorgelegd.
- 1x Ara militaris zonder enige identificatie
- 2x Ara rubrogenys (CITES-bijlage A) zonder geldig certificaat
- 2x Cacatuagoffiniana (CITES-bijlage A) waarvoor certificaat van ander specimen werd voorgelegd
- 1x aanvraag certificaat Psittacuserithacus op basis van ongeldig bewijs van legale oorsprong Deze vaststellingen leiden tot volgende inbreuken: VERORDENING (EC) n° 338/97 VAN DE RAAD van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer • Art. 8 - Bepalingen betreffende de controle op de handelsactiviteiten […] • Artikel 16 - Sancties […] VERORDENING (EG) Nr. 865/2006 VAN DE RAAD van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer • Art. 66 -Merkingsmethoden […] BESLAG Gelet op de inbreuken zoals hierboven beschreven, Gelet op de, in het bijzonder, voornoemde vaststellingen in de volgende punten: Op datum van 7/03/2018 wordt, overeenkomstig art. 6 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlage opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijzigingen van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 door de dienst overgegaan tot de administratieve inbeslagname van: VII-40.262-4/16 […] De inbeslaggenomen specimens worden toevertrouwd aan het beheersorgaan CITES die vraagt ze onder te brengen bij vzw Nally’s papegaaienopvang in afwachting van hun definitieve bestemming”. 3.
- De bestemmingsbeslissing inzake in beslag genomen papegaaien wordt genomen op 7 maart
- Dit is de tweede bestreden beslissing: “Geachte heer Wiechmann, In het kader van de toepassing van de Belgische Wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten, stel ik u in kennis van mijn beslissing over de hieronder in beslag genomen goederen: […] Bestuurlijk in beslag genomen via PV 63//CITES/122/2/2017 naar aanleiding van PV/62/CITES/122/1/
- Deze 10 vogels worden in volledige eigendom toegewezen aan het vzw Nally’s papegaaienopvang, Bruggestraat 200a, 8730 Beernem. De motivering voor deze beslissing wordt hieronder uitvoerig toegelicht. De mogelijke bestuurlijke maatregelen die het CITES-Beheersorgaan kan opleggen zijn de volgende:
- Een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste, de repatriëring van deze papegaaien is moeilijk. Aangezien de vogels geen geldig certificaat hebben, kan de herkomst niet achterhaald worden.
- Het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake: de vogels worden toegekend aan een erkend opvangcentrum dat zal instaan voor de opvang van deze dieren. Deze bestemming is derhalve in overeenstemming met de doelstellingen van deze conventie.
- Het organiseren van een openbare verkoop: niet van toepassing aangezien dit enkel mogelijk is voor specimens van soorten opgenomen in Bijlage B II;
- Een bevel tot slachten: aangezien er een zinvolle bestemming kan gegeven worden aan dit specimen wordt het slachten niet opportuun geacht;
- Een bevel tot vernietigen: niet van toepassing in deze zaak. U heeft de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen deze beslissing binnen 60 dagen bij de Raad van State”. 3.
- Op 5 april 2018 wordt een “pro justitia van informatie” opgemaakt. Verzoeker contacteerde op 11 maart 2018 de verwerende partij om aan te geven dat een verhoor wenselijk is. Het verhoor vond plaats op 28 maart
- VII-40.262-5/16 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
- Verzoeker zet het volgende uiteen over zijn belang: “[…] In geval van vernietiging van de eerste bestreden beslissing zal verzoeker aanspraak kunnen maken op de terugbrenging van de vogels, minstens recht hebben op vervangende schadevergoeding. Verzoeker heeft aldus belang bij zijn verzoek tot vernietiging van de eerste bestreden beslissing. […] In geval van vernietiging van de tweede bestreden beslissing zal verzoeker aanspraak kunnen maken op de terugbrenging van de vogels, minstens recht hebben op vervangende schadevergoeding, nu de inbreuk op zijn eigendomsrecht onwettig was. Verzoeker heeft aldus belang bij zijn verzoek tot vernietiging van de tweede bestreden beslissing.”
- De verwerende partij werpt de volgende excepties op. Voorwerp van het annulatieberoep Volgens de verwerende partij is het beroep tegen beide beslissingen zonder voorwerp in zoverre het betrekking heeft op de Primolius Maracana (tiende opgesomde vogel) omdat het beslag met betrekking tot deze vogel werd opgeheven en de vogel mocht worden opgehaald door verzoeker. Onbevoegdheid van de Raad De beslissingen kaderen in de bij artikel 5 van de wet van 28 juli 1981 bepaalde strafrechtelijke beteugeling van de voorschriften van deze wet, van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten of van de Europese verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake. Het gaat bijgevolg om maatregelen van strafrechtelijke aard. De Raad is niet bevoegd om te oordelen over een vordering tot vernietiging van dergelijke maatregelen. VII-40.262-6/16 Gebrek aan belang De verwerende partij stelt dat verzoeker geen belang heeft omdat een aantal vogels niet zijn eigendom zijn. Voor de vogels die wel zijn eigendom zijn, zou verzoeker geen belang hebben omdat de eigendomsoverdracht van de vogels aan de opvanginstelling een definitieve situatie in het leven heeft geroepen die niet meer ongedaan kan worden gemaakt door een vernietigingsarrest. Voorts zet de verwerende partij het volgende uiteen: “
- Tevens dient vastgesteld dat zelfs in de hypothese dat de eigendomsoverdracht van de vogels nog ongedaan kan worden gemaakt, de verzoekende partij sowieso geen voordeel meer kan putten uit een gebeurlijke vernietiging van de beslissing tot inbeslagname van de vogels en van daaropvolgende beslissing tot eigendomsoverdracht. In de eerste plaats dient immers vastgesteld dat de inbeslagname van de vogels reeds bij de controle van 12 december 2017 gebeurde en dat de beslissing tot inbeslagname van de vogels dus op dat ogenblik werd genomen. Dit werd ook vermeld in het proces-verbaal van 28 februari 2018 (zie blz. 6): ‘Op het einde van de controle, wordt er een 'beslissing van in beslag genomen specimens’ opgesteld, ondertekend door de heer Wiechmann, mevrouw Van Looy en ikzelf (bijlage 14).’ Deze beslissing van 12 december 2017 wordt niet bestreden door de verzoekende partij, zodat de vogels dus zelfs in geval van een vernietiging van de bestreden beslissing in beslag blijven. Daarnaast dient vastgesteld dat de beslissing tot inbeslagname van de vogels werd genomen naar aanleiding van de in het proces-verbaal van 28 februari 2018 opgesomde inbreuken. Het gaat concreet om het niet kunnen voorleggen van een geldig certificaat tot ontheffing van het in artikel 8 van de Verordening nr. 338/97 bepaalde verbod tot aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van de betrokken vogels, behorende tot de in bijlage A van de Verordening genoemde soorten en/of het ontbreken van een geldige identificatie van deze vogels. Deze inbreuken kunnen niet geregulariseerd worden. De verzoekende partij toont op geen enkele wijze aan dat hij voor de betrokken vogels alsnog een geldig certificaat kan voorleggen of aanvragen. Hij heeft evenmin een certificaatsaanvraag voor de betrokken vogels ingediend. Bijgevolg zou een gebeurlijke vernietiging van de beslissing tot inbeslagname van de vogels enkel kunnen leiden tot een nieuwe VII-40.262-7/16 inbeslagname aangezien de vastgestelde inbreuken op de CITES-regelgeving blijven bestaan. Ook uit een gebeurlijke vernietiging van de beslissing tot eigendomsoverdracht zal de verzoekende partij geen voordeel kunnen putten. Met betrekking tot een in beslag genomen specimen kan de dienst CITES van de verwerende partij op grond van artikel 6, §3 van de Wet van 28 juli 1981 de volgende maatregelen nemen: 1° een bevel tot terugzenden naar de Staat van uitvoer op kosten van deze laatste; 2° het geven van het volle eigendom aan de geschikte natuurlijke of rechtspersoon, wanneer dit verenigbaar is met de doelstellingen van de Overeenkomst of van de Europese Verordeningen en beschikkingen/besluiten ter zake; 3° het organiseren van een openbare verkoop; 4° een bevel tot slachten; 5° een bevel tot vernietigen; 6° een combinatie van de in 1°, 2°, 3° en 4° bedoelde maatregelen. Gelet op het ontbreken van een geldig certificaat voor de vogels laat geen van deze mogelijkheden dus toe dat de vogels worden terugbezorgd aan de verzoekende partij. De verzoekende partij kan dus geen enkel voordeel halen uit de vernietiging van de beslissing tot eigendomsoverdracht en heeft bijgevolg geen belang bij het annulatieberoep (zie ook RvS, 26 juni 2015, nr. 231.769, Genc)”.
- In haar laatste memorie voegt de verwerende partij nog toe dat op de beslissing van 12 december 2017 de vermelding “ter plaatse” werd geschrapt. Beoordeling Voorwerp van het beroep
- Uit het verzoekschrift blijkt dat de nietigverklaring wordt gevraagd van twee beslissingen, namelijk de beslissing tot inbeslagname van de vogels opgesomd in de bestreden beslissing en de beslissing tot overdracht in volle eigendom aan de VZW Nally’s papegaaienopvang, beide van 7 maart
- Het beroep heeft aldus ook betrekking op de Psittacus erithacus. VII-40.262-8/16 De vermelding van de Primolius maracana in het verzoekschrift blijkt een louter materiële vergissing, zoals verzoeker uiteenzet in zijn memorie van wederantwoord. VII-40.262-9/16 Onbevoegdheid van de Raad
- In tegenstelling tot wat de verwerende partij uiteenzet, zijn de beslissingen geen maatregelen van strafrechtelijke aard. Artikel 5 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlage opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, (hierna: wet van 28 juli 1981) vormt niet de rechtsgrond van de bestreden beslissingen. Deze werden genomen op basis van artikel 6 van de wet van 28 juli 1981, dat de verwerende partij de bevoegdheid toekent om bestuurlijk beslag en bestuurlijke maatregelen op te leggen. Het betreft hier eenzijdige bestuurlijke rechtshandelingen uitgaande van een bestuur die de rechtstoestand van de bestuurde wijzigen, en geen maatregelen van strafrechtelijke aard. De Raad van State is in deze bevoegd. Gebrek aan belang
- Verzoeker is een zelfstandige kweker van vogels, een activiteit waarmee hij in zijn levensonderhoud voorziet. De eerste bestreden beslissing strekt er toe de vogels administratief in beslag te nemen in afwachting van hun definitieve bestemming. De tweede bestreden beslissing strekt ertoe de definitieve bestemming van de in beslag genomen vogels te bepalen: tien vogels worden in volledige eigendom toegewezen aan de VZW Nally’s papegaaienopvang. De bestreden beslissingen hebben aldus rechtstreekse financiële nadelige gevolgen voor verzoeker. Dit financieel nadeel volstaat om het belang te staven dat met de vernietiging van de bestreden beslissingen wordt beoogd. VII-40.262-10/16 De beslissing van 12 december 2017 met betrekking tot de administratieve inbeslagname van de vogels strekte er louter toe, en dit spijts de opmerking daarover in de laatste memorie van de verwerende partij, om de vogels ter plaatse in beslag te nemen in afwachting van het verdere verloop van het onderzoek. Aldus werd een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot de vogels. Ook de bewering dat de vernietiging van de bestreden beslissing opnieuw zou leiden tot een inbeslagname met fysieke verwijdering en overdracht in volle eigendom kan niet gevolgd worden, aangezien artikel 6, § 2, van de wet van 28 juli 1981 een discretionaire bevoegdheid inhoudt. De excepties worden verworpen. V. Onderzoek van het tweede middel Standpunten van de partijen
- In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van de zorgvuldigheidsplicht, het redelijkheids-, het evenredigheids-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, en de materiëlemotiveringsplicht en de hoorplicht als beginselen van behoorlijk bestuur.
- Verzoeker voert in het tweede middelonderdeel aan dat het niet voor redelijke betwisting vatbaar is dat de hoorplicht van toepassing is op beide bestreden beslissingen. Beide bestreden beslissingen zijn het gevolg van een eigen gedraging van verzoeker in de vorm van administratieve onnauwkeurigheden die hebben geleid tot de vaststellingen van bepaalde inbreuken. Die inbreuken hebben zelf tot gevolg dat de bestreden beslissingen ten aanzien van verzoeker werden genomen. Zij zijn dus het gevolg van zijn eigen gedraging. VII-40.262-11/16 Voorts hebben de bestreden beslissingen verregaande gevolgen. Zij hebben de aantasting van de eigendomsrechten tot gevolg, en van het vermogen van verzoeker in de vorm van verlies van vogels die samen ongeveer 9.750 euro waard zijn. Verzoeker merkt op dat deze vogels dienden als kweekvogels waarvan de jongen, eens zij daartoe groot genoeg zijn geworden, zouden worden verkocht. De verwerende partij duidt zelf in het proces verbaal van inbreuk nr. 63/CITES/122/1/2017 van 28 februari 2018 aan dat het verhoor van verzoeker niet kon worden gerealiseerd tijdens de inspectie. Hiermee geeft de verwerende partij zelf aan dat zij van oordeel was dat verzoeker inderdaad diende te worden gehoord. De verwerende partij diende verzoeker te horen vooraleer over te gaan tot inbeslagname en tot toewijzing van tien vogels aan een derde. De situatie kende geen urgentie die de uitsluiting van de hoorplicht zou kunnen rechtvaardigen. De vastgestelde inbreuken zijn uitsluitend van administratieve aard en op geen enkel moment is het welzijn van de dieren in gevaar geweest. Uit de diverse administratieve stukken blijkt het tegendeel: verzoeker was tijdens de controles ten zeerste bezorgd over het welzijn van de dieren en heeft daartoe aan de inspecteurs gevraagd om dieren die aan het broeden waren, gerust te laten en verzoeker toelating te geven om de dieren eerst te voederen vooraleer de controle verder te zetten. Voorts blijkt uit de diverse administratieve stukken dat de verwerende partij in afwachting van het horen van verzoeker de betrokken specimen administratief “bewarend” in beslag kon nemen.
- Volgens de verwerende partij vindt de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur geen toepassing wanneer de betrokken regelgeving de rechten van de bestuurde expliciet regelt. Artikel 7, § 2, vierde lid, van de wet van 28 juli 1981 bepaalt dat de in paragraaf 1 vermelde personen, waaronder de inspecteurs CITES van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu, kunnen overgaan tot het verhoor van de betrokkene. Verzoeker werd effectief verhoord op 28 maart
- De bepalingen van de wet van 28 juli 1981 werden dus wel degelijk nageleefd. VII-40.262-12/16 Voorts meent de verwerende partij dat de bestreden beslissingen wel degelijk aan tegenspraak werden onderworpen. Zij verwijst naar de correspondentie tussen verzoeker en de dienst CITES, waarbij verzoeker de mogelijkheid kreeg om een aantal administratieve onregelmatigheden of onduidelijkheden recht te zetten of te verduidelijken. Daarbij toonde verzoeker aan dat hij met betrekking tot de in beslag genomen Primolius macarena wel in het bezit was van een geldig certificaat, waarop ten onrechte een pootringnummer werd vermeld terwijl het dier gemerkt is met een microchip. Het beslag op dit dier werd dan ook opgeheven. Met betrekking tot de overige inbeslaggenomen vogels kon verzoeker de vaststellingen niet weerleggen, waardoor het beslag op deze vogels werd gehandhaafd. Er is volgens de verwerende partij dus wel degelijk voldaan aan de hoorplicht.
- In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de wet van 28 juli 1981 zijn rechten in het kader van het beslag “hoegenaamd” niet regelt, en enkel met betrekking tot de administratieve geldboete voorziet in de mogelijkheid om zijn verweermiddelen ter kennis te brengen. Het verhoor dat op 28 maart 2018 werd afgenomen is volgens hem niet hetzelfde als gehoord worden in het kader van de hoorplicht.
- In haar laatste memorie betoogt de verwerende partij dat verzoeker wel degelijk op de hoogte was van het feit dat het beslag op de vogels zou gehandhaafd blijven, tenzij hij alsnog kon aantonen dat voldaan was aan de CITES-regelgeving, hetgeen hij ook effectief heeft gedaan voor één vogel, waarvan het beslag dan ook werd opgeheven. Zij voegt tevens de volledige bijlage 0 bij het proces verbaal nr. 63/CITES/122/1/2017 van 28 januari 217 als bijkomend stuk toe. Beoordeling
- Artikel 7, § 2, van de wet van 28 juli 1981 voorziet de mogelijkheid om betrokkene te horen. Deze normatieve regeling sluit een VII-40.262-13/16 aanvullende werking van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht niet uit. Tegen niemand kan een maatregel worden genomen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die zijn belangen zwaar kan treffen, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt gegeven zijn standpunt uiteen te zetten en op nuttige wijze voor zijn belangen op te komen. Daartoe is vereist dat aan de betrokkene vooraf wordt meegedeeld welke maatregel tegen hem wordt overwogen en dat de feiten die de overheid in aanmerking neemt, hem worden ter kennis gebracht. Uit het pro justitia van inbreuk van 28 februari 2018 blijkt dat het verhoor van verzoeker niet werd gerealiseerd tijdens de inspectie. De mogelijkheid om hem te verhoren inzake de hierboven vermelde feiten wordt gegeven tot en met 21 maart
- Hoewel de hoorplicht niet vereist dat de betrokkene mondeling en in persoon wordt gehoord moet hij evenwel in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaandelijk op nuttige wijze zijn standpunt uiteen te zetten. Uit de voorgelegde correspondentie blijkt niet dat verzoeker ervan op de hoogte was welke maatregel tegen hem werd overwogen. Op 7 maart 2018 wordt de beslissing tot inbeslagname en de bestemmingsbeslissing inzake in beslag genomen papegaaien genomen. Het verhoor van verzoeker vindt slechts plaats op 28 maart 2018, dus na de bestreden beslissingen. Verzoeker diende in de gelegenheid te worden gesteld om voorafgaandelijk zijn standpunt op een nuttige wijze te doen kennen. Dit is niet gebeurd. De omstandigheid dat verzoeker na het opleggen van de beslissingen nog werd gehoord, noch de toevoeging van stukken bij de laatste memorie van de verwerende partij, kunnen dit gebrek verhelpen. Het tweede middelonderdeel is gegrond. VII-40.262-14/16 BESLISSING
- De Raad van State vernietigt
(1)de beslissing de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu van 7 maart 2018 waarbij overeenkomstig artikel 6 van de wet van 28 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten en van de bijlage opgemaakt te Washington op 3 maart 1973, alsmede van de wijzigingen van de Overeenkomst, aangenomen te Bonn op 22 juni 1979 door de dienst wordt overgegaan tot de administratieve inbeslagname van 10 papegaaien en
(2)de bestemmingsbeslissing van 7 maart 2018 waarbij deze 10 vogels in volledige eigendom worden toegewezen aan het VZW Nally’s papegaaienopvang, Bruggestraat 200a, 8730 Beernem.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde besluiten.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. VII-40.262-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.262-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.617 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div