id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.618 Rolnummer: A. 232459/VII-40978 Zaak: Arrest 252618 - Voedselveiligheid (FAVV) - 13/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-20 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 05:58 Fiche Arrest nr 252.618 van 13 januari 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Voedselveiligheid (FAVV) Beslissing : Vernietiging Voortzetting Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.618 van 13 januari 2022 in de zaak A. 232.459/VII-40.978 In zake : SEA DELIGHT CANADA S.L.U., vennootschap naar Spaans recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Aude Mahy en Emmanuel Van Nuffel kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 81 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rik Depla kantoor houdend te 8310 Sint-Kruis (Brugge) Karel van Manderstraat 123 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (hierna: FAVV) van 14 oktober 2020 tot definitieve inbeslagname van 19.340 kilogram tonijn geproduceerd door Sea Delight Canada S.L.U. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.978-1/13 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 2 juli 2021 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 december 2021. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Aude Mahy, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Joost Hoste, die loco advocaat Rik Depla verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 1 oktober 2020 legt de verwerende partij bij de NV Lineage Rijkevorsel bewarend beslag op een lading tonijn, afkomstig uit Vietnam. Er is volgens de verwerende partij een vermoeden van illegale behandeling met koolstofmonoxide. 3.2. Het bedrijf Wageningen Food Safety Research-Microbiological & Chemical Food Analysis verricht op 9 oktober 2020 een analyse van monsters. Enkele daarvan vertonen een aanwezigheid van 4,12 mg/kg (monster met nr. VII-40.978-2/13 2786-20-004), 3,44 mg/kg (monster met nr. 2786-20-0007) en 2,39 mg/kg(monster met nr. 2786-20-009) koolstofmonoxide. 3.3. Op 14 oktober 2020 wordt overgegaan tot de definitieve inbeslagname van de lading tonijn waarop de monsters met nrs. 2786-20-0004, 2786-20-0007 en 2786-20-0009 betrekking hebben. Dit is de bestreden beslissing. De verwerende partij biedt de mogelijkheid aan om de monsters te onderwerpen aan een tegenanalyse. De NV Lineage Rijkevorsel doet afstand van die mogelijkheid. 3.4. Bij e-mailbericht van 15 oktober 2020 laat de BV Amacore, die eigenaar is van de ladingen tonijn, weten dat zij wel een tegenanalyse zal laten uitvoeren van deze monsters. De tegenanalyse zou worden verricht door Eurofins Institut Dr Rothe GmbH. Volgens de BV Amacore heeft de leverancier laten weten dat het op de tonijn aangewende procedé in België is toegestaan. 3.5. De verwerende partij meldt per e-mail van 21 oktober 2020 dat het door de BV Amacore voorgestelde laboratorium heeft laten weten dat het zelf geen analyse op koolstofmonoxide uitvoert. Er wordt voorgesteld om de tegenanalyse te laten verrichten door het voormelde Wageningen Food Safety Research. 3.6. De verzoekende partij, die producent is van de betrokken voedingsmiddelen en die verantwoordelijk is voor het op de Europese markt brengen ervan, en de BV Amacore vragen de opheffing van het beslag. De verwerende partij meldt bij brief van 10 november 2020 dat zij de vraag niet kan inwilligen. Vervolgens meldt de verwerende partij bij brief van 8 december 2020 dat de tegenanalyse van de monsters mag gebeuren door het laboratorium Wageningen Food Safety Research, het laboratorium Iben GmbH of het VII-40.978-3/13 laboratorium Anfaco-Cecopesca. Uiteindelijk wordt het laatstvermelde laboratorium gekozen. 3.7. Met een brief van 10 december 2020 wordt meegedeeld dat de BV Amacore niet langer eigenaar is van de in beslag genomen ladingen en dat de verzoekende partij door de beëindiging van de contractuele relatie met de BV Amacore nu exclusief eigenaar is. 3.8. De tegenmonsters worden door een koerierbedrijf bij Wageningen Food Safety Research opgehaald. 3.9. De verzoekende partij meldt bij e-mail van 18 januari 2021 dat uit de tegenanalyse van het laboratorium Anfaco-Cecopesca blijkt dat er geen overschrijding van de koolstofmonoxidewaarden is vast te stellen bij de betrokken lading tonijn. De testrapporten worden bijgevoegd. Er wordt gevraagd om het definitief beslag te lichten. 3.10. De verwerende partij stelt op 19 januari 2021 dat blijkt dat er onregelmatigheden hebben plaatsgevonden bij het vervoer van de tegenmonsters, waardoor de geldigheid van de analyse in het gedrang is gekomen. De verwerende partij nodigt de verzoekende partij uit voor een verhoor, dat plaatsvindt op 3 februari 2021. 3.11. De directeur van de Nationale Opsporingseenheid van de verwerende partij meldt met een brief van 8 februari 2021: “Wij wensen terug te komen op uw vraag dd. 18 januari 2021 inzake de vrijgave van de goederen geacteerd in PV 2786/20/0106/NOE. Bij de beslissing hebben wij rekening gehouden met het verhoor geacteerd in PV 2715/21/0002/NOE en de verkregen documenten dd. 03.02.2021. Hieruit blijkt dat de twee begeleidende transportdocumenten tussen het labo WFSR en labo Anfaco Cecopesca niet overeenstemmen met de werkelijkheid (Verdrag van 19 mei 1956 betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg). Bijkomend geeft het reisverslag van 27-UT-96 en 16-UX-30 geen uitsluitsel dat de goederen zijn uitgeladen en opnieuw ingeladen bij Transfrio, R. Funchal 70, 2670-364 Lourdes, Portugal, waardoor we ontbrekende informatie hebben betreffende de toestand en de reisweg van het monster. VII-40.978-4/13 Het FAVV heeft beslist dat de goederen die voorwerp uitmaken van het PV2786/20/0106/NOE niet worden vrijgegeven en de analyseresultaten van labo Anfaco-Cecopesca inzake de tegenanalyse op de stalen 2786-20-0004, 2786-20-0007, 2786-20-0009 nietig te verklaren”. De bevoegde controleur verduidelijkt: “Op 18 januari 2021 hebben wij de vraag ontvangen van advocatenkantoor DALDEWOLF inzake de vrijgave van de goederen geacteerd in PV 2786/20/0106/NOE. Deze vrijgave was naar aanleiding van de analyseresultaten van de tegenanalyse. Hieronder aangegeven: FAVV 2786-20-0004 : 75 µg/kg FAVV 2786-20-0007: 43 µg/kg FAVV 2786-20-0009 : door[]middel van een verklaring van zowel koerierdienst, als labo ANFACO-CECOPESCA overgemaakt te worden naar het FAVV om de conformiteit van het vervoer aan te tonen.’ Op 18 januari 2021 hadden we deze informatie betreffende de toestand van het monster nog niet ontvangen. Wel hadden wel de 2 vervoersdocumenten ontvangen van labo WFSR. Deze vervoersdocumenten betroffen meerdere tegenstrijdigheden. waardoor er twijfel is over het vervoerstraject en de toestand van de stalen. Omwille van deze tegenstrijdigheden zijn we niet ingegaan op de vrijgave, maar overgegaan tot uitnodiging tot verhoor door[ ]middel van een conference call. Wij ontvangen van advocatenkantoor DALDEWOLF op 26 januari bewijsstukken om het transport en de toestand van het monster te ondersteunen. Onderstaande feiten komen naar voor: Reisverslag voor vrachtwagen 27-UT-96. 28.12.2020: Geladen 30.12.2020: Stopplaats Transfrio 31.12.2020: Laatste stopplaats Scania Vialonga (588725
- km)04.01.2021: Geladen voor aflevering Scania Vialonga (588726
- km)04. 01.2021: 1 ste stopplaats: R. Pte. Da Pedra 154, 250. Maia, Portugal (589023
- km)05.01.2021: Aflevering bij labo ANFACO. De belanghebbende verklaart dat het monster in bewaring is gebracht bij Transfrio R. Funchal 70, 2670-364 Loures. Portugal. Uit het reisverslag blijkt dat de vrachtwagen niet opnieuw gestopt is op 04.01.2021 om het monster op te halen. Hiervoor was er tijdens het verhoor geen plausibel antwoord. Het expeditiekantoor (LCL logistics) die Transfrio had aangesteld als onderaannemer ging dit verder uitzoeken en ons ondersteunde documenten doorsturen. Op 3 februari 2021 ontvangen wij de gevraagde documenten betreffende het verhoor van het advocatenkantoor DALDEWOLF. Deze documenten VII-40.978-5/13 bevatten een reisverslag van vrachtwagen ‘16-UX-30’. Deze vrachtwagen zou de stalen van Transfrio naar Scania Vialonga hebben gebracht, zodat de vrachtwagen ‘27-UT-96’ de stalen zou meenemen naar het labo ANFACO. Hierbij willen we de bijkomende opmerking maken dat: - Op de vervoersbewijzen geen enkele verwijzing is naar de nummerplaat ‘16-UX-30’ - Dat de vrachtwagen met nummerplaat ‘16-UX-30’ volgens het reisverslag een reisweg heeft afgelegd van Transfrio naar Scania - Vialonga van 12 km, maar dat zijn kilometerstand ongewijzigd is gebleven: 472197 km”. 3.12. Volgens het koerierbedrijf is de levering correct verlopen. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunten van de partijen 4. In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen (hierna: koninklijk besluit van 22 februari 2001), in het bijzonder artikel 3, § 5, van artikel 6, §§ 1, 2 en 5, van het koninklijk besluit van 20 september 2012 betreffende de monsternemingen en de analyse ervan, bedoeld in artikel 3, § 5, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001, in het bijzonder artikel 12 (hierna: koninklijk besluit van 20 september 2012), van de beginselen van goed bestuur, in het bijzonder de effectieve uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid en de zorgvuldigheidsplicht, en van het beginsel van de tegenspraak of “audi alteram partem”. Ten slotte wordt het gebrek ingeroepen aan juiste, pertinente en toelaatbare motieven in rechte en in feite. De verzoekende partij betoogt in essentie dat voornoemde bepalingen en beginselen zijn geschonden doordat de verwerende partij de betwiste lading tonijn niet-conform heeft bevonden zonder over te gaan tot een analyse die conform is met de toepasselijke regelgeving. De verwerende partij heeft niet toegelaten dat een daadwerkelijke tegenanalyse werd verricht, omdat zij eiste dat die zou geschieden door een door haar erkend laboratorium. Het bewarend VII-40.978-6/13 beslag werd omgezet in een definitieve inbeslagname op de enkele grond van de eerst verkregen resultaten, terwijl de verwerende partij de tegenanalyse had moeten toestaan binnen de vereiste tijd, het resultaat van deze tegenanalyse had moeten afwachten, en pas definitief mocht oordelen op grond van die analyse. Door in de gegeven omstandigheden tot de definitieve inbeslagname van de lading tonijn te beslissen, zou de verwerende partij haar beoordelingsbevoegdheid niet correct hebben uitgeoefend en de in het middel genoemde regelgevende bepalingen hebben geschonden. 5. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord: “Wat betreft de vermeende schending van artikel 12 KB 20.09.2012: Verwerende partij mag in de eerste plaats verwijzen naar hetgeen uiteengezet wordt onder randnummer 6. Zodra een analyse wijst op non-conformiteit, wordt het product definitief in beslag genomen. Nadien kan het beslag worden opgeheven indien de tegenanalyse uitwijst dat het product toch conform is. Op 14.10.2020, het ogenblik van de bestreden beslissing, was er nog geen tegenanalyse uitgevoerd. Ten tweede werd naderhand de tegenanalyse zonder waarde verklaard door het FAVV op grond van artikel 9, §3 KB 03.08.2012 […]. Zodoende moest verwerende partij geen rekening houden met de resultaten van de tegenanalyse”. 6. In haar memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij in essentie dat een verwarrend administratief dossier werd neergelegd, waarin eveneens wordt gerefereerd aan een lading tonijn die niet het voorwerp uitmaakt van deze procedure. Voorts betwist de verzoekende partij dat per analogie een bepaling die betrekking heeft op de tegenanalyse, mag worden toegepast op de eerste analyse. Het is bovendien pas na kennisneming van de resultaten van de tegenanalyse dat een beslissing mag worden genomen over een definitief beslag. De betwisting van de geldigheid van de daadwerkelijk verrichte tegenanalyse kan daarenboven niet worden bijgetreden. Enig probleem in het transport kan alvast niet hebben geleid tot de vastgestelde divergentie in de testresultaten. In wezen komt het erop neer dat de verwerende partij met haar handelen het recht op een tegenanalyse heeft miskend. VII-40.978-7/13 7. In haar laatste memorie voegt de verwerende partij toe dat het standpunt dat het als nietig beschouwen van de tegenanalyse door de verwerende partij geen “resultaat” van de tegenanalyse is, de deur opent voor toekomstige misbruiken bij tegenanalyses. De verwerende partij zou dan immers, na het vaststellen van een manifeste fraude bij de tegenanalyse, aan de betrokkene, steevast nog het recht op een nieuwe tegenanalyse moeten geven. Er zijn volgens de verwerende partij maar twee monsters voorhanden, zodat bij een foutieve tegenanalyse er geen monster meer is voor een nieuwe tegenanalyse. Beoordeling 8. Het bewarend beslag dat op 1 oktober 2020 door de verwerende partij werd gelegd, steunt op artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001, dat als volgt luidt: “De met toepassing van artikel 3, § 1, van dit besluit aangewezen personen kunnen, bij administratieve maatregel, de producten waarvan ze vermoeden dat ze niet conform zijn aan de bepalingen die ze regelen onder bewarend beslag plaatsen, om ze binnen een door de Minister bepaalde termijn te onderwerpen aan een onderzoek of een analyse overeenkomstig artikel 3, § 5, van dit besluit. Het bewarend beslag wordt opgeheven op bevel van de personen aangewezen in toepassing van artikel 3, § 1, van dit besluit, bij het verstrijken van de termijn of bij het definitief beslag”. De analyse waarvan sprake in voormeld artikel 6, § 1, eerste lid, wordt uitgewerkt in artikel 3, § 5, van hetzelfde besluit, dat luidt: “Ze zijn gemachtigd het product of een monster ervan aan een onderzoek of een analyse te onderwerpen, in een erkend laboratorium. Bijzondere analyses kunnen evenwel worden uitgevoerd in een niet erkend laboratorium onder de door Ons te bepalen voorwaarden. De wijze en de voorwaarden van de monsterneming evenals de erkenningsvoorwaarden en -procedure van de analyselaboratoria worden door Ons bepaald. De Minister bepaalt de analysemethodes. Hij kan de maximum tarieven van de analyses of de onderzoeken vaststellen. Het Agentschap erkent de laboratoria”. VII-40.978-8/13 Artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 augustus 2012 betreffende de erkenning van de laboratoria die analyses uitvoeren in verband met de veiligheid van de voedselketen bepaalt: “De analyses en de tegenanalyses bedoeld in het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen of de wet van 15 juli 1985 betreffende het gebruik bij dieren van stoffen met hormonale, anti-hormonale, beta-adrenergische of productiestimulerende werking bij dieren, worden toevertrouwd : 1° ) aan de laboratoria van het Agentschap :
- a)Federaal Laboratorium voor de Voedselveiligheid (FLVV) Braemkasteelstraat 59 9050 Gentbrugge
- b)Federaal Laboratorium voor de Voedselveiligheid (FLVV) Leuvensesteenweg 17 3080 Tervuren
- c)Federaal Laboratorium voor de Voedselveiligheid (FLVV) Brusselsesteenweg 370A 9090 Melle
- d)Laboratoire fédéral pour la Sécurité alimentaire (LFSA) Rue de Visé 495 4020 Wandre
- e)Laboratoire fédéral pour la Sécurité alimentaire (LFSA) Chaussée de Namur 22 5030 Gembloux; Het Agentschap publiceert op zijn website de analyses uitgevoerd door de laboratoria van het Agentschap. 2° ) aan de laboratoria erkend overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. Het Agentschap publiceert de lijst van erkende laboratoria op zijn website en in het Belgisch Staatsblad. Het Agentschap publiceert op zijn website de analyses waarvoor de laboratoria erkend zijn. 3° ) aan de andere laboratoria, overeenkomstig artikelen 9 en 10 van dit besluit”. 9. Voor de analyse van de aanwezigheid van koolstofmonoxide in vis geldt artikel 2, 3°) van het koninklijk besluit van 3 augustus 2012. De artikelen 9 en 10 bepalen: “Art. 9. § 1. De laboratoria die optreden in het kader van een tegenanalyse maken het validatiedossier voor deze analyse over aan het Agentschap, in overeenstemming met bijlage III bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële VII-40.978-9/13 controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn. De laboratoria mogen slechts een tegenanalyse uitvoeren indien het niveau van hun technisch kunnen minstens gelijk is aan dit van het laboratorium dat de initiële analyse uitvoerde. § 2. Indien het onmogelijk is om een beroep te doen op een ander erkend laboratorium om een tegenanalyse uit te voeren, wordt de tegenanalyse volgens de hierna weergegeven orde van voorrang toevertrouwd aan : 1° het voor de analyse aangeduide nationale referentielaboratorium; 2° een laboratorium dat beschikt over een accreditatie die is afgeleverd overeenkomstig de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of over een accreditatie afgeleverd door een organisme waarmee het Belgische accreditatiesysteem een akkoord van wederzijdse erkenning heeft; 3° een laboratorium dat door een andere autoriteit werd erkend. § 3. Indien bij de tegenanalyse een verschillend resultaat wordt verkregen, stelt het Agentschap een onderzoek in. Als aan het einde daarvan een fout of onregelmatigheid aan één der laboratoria moet worden toegeschreven, vallen de kosten voor het vervoer van de monsters en de analysekosten ten laste van dat laboratorium. Art. 10. § 1. Het Agentschap kan, indien er geen erkend laboratorium en geen laboratorium van het Agentschap bestaat voor een analyse of indien het aantal analyseaanvragen de analysecapaciteit van de erkende laboratoria overtreft, analyses laten uitvoeren of resultaten aanvaarden van laboratoria die niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 4. § 2. In het kader van § 1 maken de laboratoria aan het Agentschap het validatiedossier voor de betreffende analyse over, in overeenstemming met bijlage III bij Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004. § 3. Deze laboratoria moeten op eigen kosten deelnemen aan de opleidingen bedoeld in artikel 5, 9°”. 10. De verzoekende partij verwijt de verwerende partij dat zij dat resultaat van de tegenanalyse niet heeft afgewacht om de non-conformiteit van de lading tonijn vast te stellen. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 bepaalt: “Bij een tegenanalyse wordt enkel met het resultaat hiervan rekening gehouden”. VII-40.978-10/13 Deze vereiste kadert in het recht van verdediging. Inbreuken worden vastgesteld of niet, enkel en alleen op grond van het resultaat van de tegenanalyse. Artikel 2 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 bepaalt: “Dit besluit is van toepassing op de monsternemingen en op de analyse ervan, bedoeld in artikel 3 § 5, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 [...], onder voorbehoud van specifieke andersluidende regelingen met betrekking tot monsternemingen en de analyse ervan”. De procedure omschreven in artikel 3, § 5, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdt derhalve eveneens de tegenanalyse van de monsters in, omdat het koninklijk besluit van 20 september 2012 dat op die bepaling steunt, zowel op de analyse als op de tegenanalyses betrekking heeft. Er is te dezen betwisting over de niet-conforme toestand van de in beslag genomen producten. Uit artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 22 februari 2001 blijkt niet dat een tegenanalyse enkel kan worden gevraagd na het definitief beslag, zoals de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt. Volgens artikel 6, § 2, van dat koninklijk besluit worden bedorven, ontaarde, schadelijke en schadelijk verklaarde producten, en producten die niet conform zijn aan de bepalingen die ze regelen, in beslag genomen. De non-conformiteit kan volgens artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 september 2012, in het voorkomende geval, enkel blijken op grond van de tegenanalyse. Wegens onregelmatigheden gedurende het transport werd het resultaat van de tegenanalyse “nietig verklaard”. De verwerende partij verwijst naar het hoger geciteerde artikel 9, § 3, van het koninklijk besluit van 3 augustus 2012 als rechtsgrond voor die beslissing. VII-40.978-11/13 Het onderzoek door de verwerende partij leidt, als een fout of onregelmatigheid begaan door een laboratorium wordt geconstateerd, tot het opleggen van de gemaakte kosten aan dat laboratorium. Artikel 9, § 3, houdt evenwel niet in dat het recht van verdediging terzijde wordt geschoven ten gevolge van die fout of onregelmatigheid, en dat in weerwil van artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 - dat precies het recht van verdediging waarborgt - enkel met het resultaat van de initiële analyse rekening wordt gehouden. De goederen die het voorwerp uitmaken van het beslag opgenomen in het proces-verbaal 2786/20/0106/NOE, zijn door de verwerende partij nog niet vrijgegeven en kunnen alsnog het voorwerp uitmaken van een tegenanalyse met respect voor het recht van verdediging. Een schending van artikel 12 van het koninklijk besluit van 20 september 2012 is aangetoond. Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen van 14 oktober 2020 tot definitieve inbeslagname van 19.340 kilogram tonijn geproduceerd door Sea Delight Canada S.L.U. 2. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. 3. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. VII-40.978-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.978-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div