id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.620 Rolnummer: A. 225758/IX-9335 Zaak: Arrest 252620 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-17 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 05:58 Fiche Arrest nr 252.620 van 13 januari 2022 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.620 van 13 januari 2022 in de zaak A. 225.758/IX-9335 In zake: Deborah COUSSEMENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Tulkens kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 24 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 28 mei 2018 waarbij Deborah Coussement wegens beroepsongeschiktheid wordt ontslagen. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9335-1/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Laure Proost, die loco advocaat François Tulkens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is op 3 januari 2017 toegelaten tot de stage in de functie van financieel controleur rekenplichtigen, graad B1 – assistent, bij de directie Financiële Controle en Goed Financieel Beheer van het bestuur Brussel Financiën en Begroting van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. 3.
- Het eindverslag van de stagebegeleider van 5 maart 2018 over de stage van verzoekster is “ongunstig” en steunt op de volgende beoordeling: “Wat betreft de verwachte resultaten: De doelstellingen van de stage werden niet bereikt. Bovendien beschikt Mevrouw Coussement niet over voldoende autonomie om haar functie te IX-9335-2/16 vervullen en dit ondanks de begeleiding en de vormingen die ter beschikking werden gesteld. Wat betreft de verwachte attitudes: De verwachte attitudes werden ook niet ingelost. Er werd een gebrek aan samenwerking, communicatie en informatie-uitwisseling en als dusdanig een gebrek aan integratie in de directie vastgesteld. Mevrouw Coussement heeft onaangepaste gedrag tijdens het werk vertoon[d], wat een negatieve impact had op het werk van haar collega’s.” In fine van dat eindverslag wordt nog vermeld dat “[a]ls het eindverslag of een van de stageverslagen ongunstig is (artikelen 71, derde lid, 72 en 73 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) […] het statuut in artikel 74 erin [voorziet] dat de stagiair beschikt over een termijn van vijftien dagen vanaf de kennisname van het eindverslag of van het ongunstig verslag om per aangetekend schrijven een beroep in te dienen bij de Commissie van Beroep die bevoegd is voor de beroepen inzake stages”. 3.
- Verzoekster stelt een beroep in en zij wordt uitgenodigd voor de zitting van de Regionale Kamer van Beroep (hierna: kamer van beroep) op 14 mei
- Op die datum beslist de Nederlandstalige afdeling van de kamer van beroep om “in overeenstemming met artikel 70 van het Besluit van de Brusselse hoofdstedelijke regering van 21 maart 2018 met betrekking tot de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel” – bedoeld wordt artikel 70 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel’ (hierna: de rechtspositieregeling van 21 maart 2018) – “de stage van mevrouw Coussement te verlengen met een eenmalige periode van vier maanden, ingaande op het ogenblik van de ontvangst van de kennisgeving van de beslissing van de Kamer, en met inachtneming van de modaliteiten en de aanbevelingen, opgenomen onder punt 6 van de overwegingen”. IX-9335-3/16 IX-9335-4/16 Punt 6 van de overwegingen, waarvan sprake in de beslissing van de kamer van beroep, luidt als volgt: “De Kamer herinnert eraan dat volgens artikel 70 van het besluit van 21 maart 2018, onmiddellijk na ontvangst van de beslissing een nieuwe stagebegeleider moet aangeduid worden in overeenstemming met artikel 53 § 1 van het besluit. Het komt de Kamer aangewezen voor dat de nieuwe stagebegeleider onmiddellijk een eerste gesprek voert met de stagiaire, met verduidelijking wat van haar verwacht wordt, dat er daarna na twee maanden een evaluatie gebeurt en op het einde van de vier maanden een definitief verslag wordt opgesteld. De Kamer vraagt ook dat, overeenkomstig artikel 52 van het besluit, en gelet op de vraag van de stagiaire in haar verzoekschrift aan de Kamer – waarover deze geen bevoegdheid heeft om zich uit te spreken – zou onderzocht worden of het niet opportuun is de aanwijzing van de stagiaire te wijzigen.” De beslissing van de kamer van beroep vermeldt dat ertegen een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld bij de Raad van State. 3.
- In een brief van 18 mei 2018 aan de kamer van beroep reageert de secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel dat op de stage van verzoekster niet de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 van toepassing is, maar wel, gelet op artikel 483 van die regeling, het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest’ (hierna: de rechtspositieregeling van 27 maart 2014). Hij betoogt voorts: “In navolging van artikel 71 van het besluit van 27 maart 2014 kan op het einde van de stage slechts worden over gegaan tot een benoeming of een ontslag wegens ongeschiktheid van de stagiair. Een verlenging van de stage is onder het besluit van 27 maart 2014 echter niet mogelijk. Verder komt in navolging van artikel 77 van het besluit van 27 maart 2014 aan de Kamer van Beroep een adviserende bevoegdheid toe, waarbij de Kamer kan voorstellen: 1° de benoeming, 2° het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie. Bovenvermelde in acht genomen en rekening houdend met de regelgeving van toepassing op het dossier van mevrouw Coussement, verzoek ik de Kamer IX-9335-5/16 van Beroep conform het besluit van 27 maart 2014 een advies te verlenen inzake de benoeming of ontslag wegens ongeschiktheid van mevrouw Coussement, dit binnen de veertien dagen volgend op dit schrijven om mevrouw Coussement zo spoedig mogelijk een finaal advies inzake haar beroep te verschaffen.” 3.
- Namens de voorzitter van de Nederlandstalige afdeling van de kamer van beroep wordt in een brief van 23 mei 2018 daarop geantwoord dat “[d]e voorzitter […] van oordeel [is] dat met haar beslissing van 14 mei 2018 de Regionale Kamer haar rechtsmacht uitgeput heeft, aldus niet opnieuw kan beraadslagen over hetzelfde dossier en niet op haar beslissing kan terugkomen”. 3.
- Op 28 mei 2018 nemen de secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel de thans bestreden beslissing, die in een brief van dezelfde datum als volgt aan verzoekster ter kennis is gebracht: “Via dit schrijven melden wij u dat de gewestelijke kamer van beroep ons op 14 mei 2018 zijn beslissing ter kennis heeft gebracht betreffende het beroep dat u bij deze instantie indiende. In deze beslissing deelt de kamer mee, ‘conform het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel, de stage van mevrouw Coussement te verlengen met een eenmalige periode van vier maanden’. De beslissing van de kamer van beroep steunt op het statuut van 21 maart
- De kamer heeft in de genomen beslissing echter artikel 483 van het statuut niet toegepast. Dit artikel bepaalt: ‘De ambtenaren van wie de stage aanving voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van de toelating tot de stage, onverminderd de onmiddellijke toepassing van de artikelen 49 en 61.’ Het artikel 49 van het besluit van 21 maart 2018 verwijst naar de bepalingen en verloven van toepassing op de stagiair. Artikel 61 van het besluit van 21 maart 2018 behandelt de vrijstelling van de stage. Uit deze bepalingen blijkt duidelijk dat wat betreft het einde van de stage, het voormalige besluit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van toepassing blijft op uw stage. De beslissing van de kamer van beroep is bijgevolg onwettig en mag niet gevolgd worden. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 71 van het besluit van 27 maart 2014 kan op het einde van de stage slechts worden over gegaan tot een benoeming of een ontslag wegens ongeschiktheid van de stagiair. Een IX-9335-6/16 verlenging van de stage is onder het besluit van 27 maart 2014 echter niet mogelijk. De ongunstige vermelding die werd voorgesteld door uw directrice-generaal, en die gevolgd werd door de benoemende overheid, wordt dus bevestigd, om de redenen vermeld in het eindverslag van uw stage van 5 maart 2018, als volgt samengevat: - Wat betreft de verwachte resultaten: De doelstellingen van de stage werden niet bereikt. Bovendien beschikt Mevrouw Coussement niet over voldoende autonomie om haar functie te vervullen en dit ondanks de begeleiding en de vormingen die ter beschikking werden gesteld. - Wat betreft de verwachte attitudes: De verwachte attitudes werden ook niet ingelost. Er werd een gebrek aan samenwerking, communicatie en informatie-uitwisseling en als dusdanig een gebrek aan integratie in de directie vastgesteld. Mevrouw Coussement heeft onaangepaste gedrag tijdens het werk vertoon[d], wat een negatieve impact had op het werk van haar collega’s. Bijgevolg bevestigen wij dat u ontslagen wordt wegens beroepsongeschiktheid, met onmiddellijke ingang. Wij zullen u een compenserende opzeggingsvergoeding betalen die overeenstemt met het zesvoud van uw laatste maandbezoldiging.” IV. Onderzoek van het ambtshalve aangevoerde middel Uiteenzetting van het middel
- In het auditoraatsverslag over de voorliggende zaak wordt ambtshalve een middel aangevoerd betreffende de onbevoegdheid van de secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal om de bestreden beslissing te nemen. Dat middel wordt als volgt in het auditoraatsverslag uiteengezet: “Met ingang van 1 april 2018 wordt op de ambtenaren in dienst bij de verwerende partij een nieuw statuut van toepassing. Het wordt geregeld in het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 maart 2018 ‘houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van de gewestelijke overheidsdiensten van Brussel (BS 30 maart 2018). Artikel 483 van dat besluit luidt: ‘Art.
- De ambtenaren van wie de stage aanving voor de inwerkingtreding van dit besluit, zijn onderworpen aan de statutaire bepalingen die van IX-9335-7/16 toepassing waren op het ogenblik van de toelating tot de stage, onverminderd de onmiddellijke toepassing van de artikelen 49 en 61.’ Aangezien de stage van de verzoekende partij een aanvang nam op 3 januari 2017 moet worden teruggegrepen naar de op dat moment bestaande regeling, zijnde het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BS 5 juni 2014, ed. 2), tenzij de verzoekende partij zou vallen onder artikel 49 of artikel 61 van het besluit van 21 maart
- Geen van deze twee bepalingen heeft echter betrekking op de problematiek van het ‘einde van de stage’ (artikelen 62-65) of de navolgende ‘beroepsprocedure’ (artikel 67-71). Los van het feit dat de stelling van de verwerende partij met betrekking tot de toepasbaarheid van de artikelen 49 en 61 van het besluit van 21 maart 2018 op verzoeksters situatie ten volle kan worden onderschreven (zie haar antwoord op het derde middel), moet, wat het einde van de stage betreft, dan ook het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden toegepast. Het ‘einde van de stage’ en de ‘beroepsprocedure’ worden in dat besluit van 27 maart 2014 geregeld in de artikelen 69 t.e.m.
- Kort samengevat, verloopt de (oorspronkelijk uitgeschreven) procedure als volgt: - Op het einde van de stage wordt een eindverslag opgesteld dat ofwel gunstig ofwel ongunstig is; - Is het eindverslag ongunstig, dan stelt de directeur-generaal met instemming van de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie voor aan de overheid bevoegd voor de benoeming; - Tegen dit voorstel kan de stagiair een beroep indienen binnen de 15 dagen bij ‘de in het artikel 28 bedoelde commissie’. Dat beroep is schorsend (artikel 74, eerste lid); - Artikel 77 bepaalt dat de commissie aan de benoemende overheid voorstelt ofwel de stagiair te benoemen ofwel het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie. - Artikel 78 bepaalt tenslotte dat de beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt genomen door de overheid bevoegd voor de benoeming. Op 21 januari 2016 wordt echter bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ‘houdende wijziging van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, voor wat betreft de interne beroepsprocedures’ artikel 28 (zie derde streepje hierboven) gewijzigd. Met ingang van 28 januari 2016 luidt artikel 28: ‘Art.
- Er wordt een regionale kamer van beroep opgericht bevoegd voor de beroepen: 1° inzake stage (…) 2° (…) 3° (…) IX-9335-8/16 Voor de aangelegenheden bedoeld in punten 1° en 3°, heeft de regionale kamer van beroep een beslissingsbevoegdheid.’ Door die wijziging ontstaat er derhalve een dubbele contradictie: - enerzijds bepaalt artikel 77, eerste lid van het besluit van 27 maart 2014 dat de commissie (nu: kamer) een voorstel doet aan de benoemende overheid terwijl het gewijzigde artikel 28 duidelijk spreekt van een beslissingsbevoegdheid wanneer een beroep inzake stage bij de kamer wordt ingediend; - anderzijds zijn dan weer twee organen bevoegd om de beslissing te nemen: de kamer op grond van voormeld artikel 28 én ingeval het een ontslag wegens beroepsongeschiktheid betreft, zoals in casu, ook de overheid bevoegd voor de benoeming op grond van artikel 78 van het besluit van 27 maart
- In voorliggende zaak is het duidelijk dat zowel de Kamer als de benoemende overheid (de secretaris-generaal én de adjunct-secretaris-generaal) een beslissing hebben genomen, en dan nog eens een verschillende. Die slordige wijze van regelgeving, waarbij bepalingen worden gewijzigd zonder dat wordt nagegaan welke de impact van de wijziging is voor of op andere bepalingen, zou tot een moeilijke patstelling hebben geleid, ware het niet dat de Raad van State op 2 mei 2016 artikel 78 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 27 maart 2014 houdende het administratief statuut en de bezoldigingsregeling van de ambtenaren van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft vernietigd (RvS 2 mei 2016, nr. 234.607, […]). De vernietiging van voormeld artikel 78 brengt met zich dat op het ogenblik van het nemen van de thans bestreden beslissing de benoemende overheid niet (langer) bevoegd was om de beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid te nemen. Aan die vernietiging werd nadien niet geremedieerd. Alleen al daarom moet de thans bestreden beslissing worden vernietigd. Aldus dient niet te worden onderzocht of de Kamer van beroep wel een beslissing kon nemen, of dat zij enkel een voorstel kon doen. Gelet op de (nieuwe) bepaling van artikel 28 van het besluit van 27 maart 2014 – immers gewijzigd bij besluit van 21 januari 2016 – en de toepassing van het principe lex posterior derogat legi priori waardoor de Kamer wel degelijk kan beslissen in plaats van voorstellen, moet worden geconcludeerd dat het inderdaad de Kamer is die de beslissing neemt. Welke beslissing dat dan moet zijn, wordt in het gewijzigde artikel 28 niet verduidelijkt. In ieder geval kan aangenomen worden dat wanneer de Kamer de bevoegdheid heeft om iemand te benoemen dan wel te ontslaan, zij eveneens kan beslissen de stage te verlengen. Immers, qui peut le plus, peut le moins.” Standpunt van de partijen
- De verwerende partij beaamt in haar laatste memorie vooreerst het uitgangspunt van het auditoraatsverslag dat de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 krachtens haar artikel 483 in dit geval niet van toepassing is, omdat IX-9335-9/16 de stage van verzoekster reeds is aangevangen op 3 januari
- De onmiddellijke toepassing van de artikelen 49 en 61 van diezelfde rechtspositieregeling, waarvan sprake in artikel 483, doet niet ter zake, aangezien de bedoelde bepalingen niets te maken hebben met de beroepsprocedure in het geval van een ongunstig eindverslag over de stage. De verwerende partij leidt daaruit af dat de beslissing van de kamer van beroep van 14 mei 2018 ten onrechte de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 heeft toegepast en niet tot grondslag kan dienen voor een beslissing om verzoekster te benoemen of haar stage te verlengen. Zij neemt voorts akte van de nietigverklaring van artikel 78 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 bij arrest nr. 234.607 van 2 mei 2016 van de Raad van State en van de wijziging van artikel 28 van diezelfde regeling bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 2016, maar geen van beide heeft volgens haar een weerslag op haar bevoegdheid om de bestreden beslissing te nemen op grond van het destijds geldende regelgevende kader. Volgens de verwerende partij mag de beslissingsbevoegdheid die de kamer van beroep sinds 2016 heeft op grond van het gewijzigde artikel 28 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014, niet worden verward met de adviesbevoegdheid van diezelfde kamer met betrekking tot de benoeming na afloop van de stage, zoals bepaald in artikel 77 van de voormelde rechtspositieregeling. De eerstgenoemde bevoegdheid heeft geen betrekking op de benoeming, maar louter op beroepen die strikt verband houden met de stage. Op grond van de laatstgenoemde bevoegdheid kan de kamer van beroep aan de benoemende overheid dan weer enkel voorstellen om over te gaan tot ofwel benoeming, ofwel ontslag wegens ongeschiktheid. Uiteindelijk blijft de eigenlijke beslissingsmacht om een stagiair al dan niet te benoemen, op grond van artikel 79 van de voormelde rechtspositieregeling logischerwijze toekomen aan de benoemende overheid. De bestreden beslissing is op grond daarvan genomen. De vernietiging van artikel 78 van het voormelde besluit heeft daarop geen weerslag. IX-9335-10/16 De verwerende partij voegt eraan toe dat de voorgaande vaststelling ook blijkt uit de bewoordingen van artikel 71 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 en “op basis van de geest van de overige relevante bepalingen uit [die regeling]”. Zij doet vervolgens gelden dat artikel 28 van de voormelde rechtspositieregeling een algemene draagwijdte heeft en “op globale wijze” de bevoegdheden van de kamer van beroep opsomt, terwijl artikel 77 van diezelfde regeling daarentegen deel uitmaakt van de afdeling over de beroepsprocedure binnen het hoofdstuk over de stage. Volgens haar had die laatstgenoemde bepaling dan ook als lex specialis voorrang moeten krijgen op artikel
- Voor zover de kamer van beroep over beslissingsbevoegdheid zou beschikken, kan niet worden aangenomen, aldus de verwerende partij, dat zij mocht beslissen om de stage te verlengen. Volgens artikel 77 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 kan er immers in het geval van een ongunstig eindverslag uitsluitend worden besloten om over te gaan tot ofwel een benoeming ofwel een ontslag, maar niet tot een verlenging van de stage. De mogelijkheid om een stage te verlengen, is op geen enkele wijze in de regelgeving opgenomen, zo vervolgt de verwerende partij. Het toekennen van een dergelijke beslissingsmogelijkheid heeft derhalve geen uitdrukkelijke, door of krachtens de wet vastgestelde grondslag. Om die reden, zo besluit de verwerende partij, kon de kamer van beroep op 14 mei 2018 geen beslissing tot verlenging van de stage van verzoekster nemen.
- Volgens verzoekster in haar laatste memorie wordt in het auditoraatsverslag terecht erop gewezen dat de kamer van beroep met ingang van 21 januari 2016 (lees: 28 januari 2016) een beslissingsbevoegdheid heeft en is de aanvankelijke antinomie in dit verband uit de wereld geholpen door de nietigverklaring van artikel 78 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 bij arrest nr. 234.607 van 2 mei 2016 van de Raad van State. De benoemende overheid IX-9335-11/16 dient de definitieve besluitvorming van de kamer van beroep te respecteren en waar zij dat niet doet, handelt zij zonder bevoegdheid. Nog volgens verzoekster is het onderscheid dat de verwerende partij wil maken tussen enerzijds de beslissingsbevoegdheid over de stage en anderzijds de benoemingsbevoegdheid onbegrijpelijk. Het komt erop neer, aldus verzoekster, dat de benoemende overheid de beslissingsbevoegdheid van de kamer van beroep hoe dan ook naast zich neerlegt. Zelfs als men poneert krachtens artikel 71 nog enige bevoegdheid te hebben, ondanks de vernietiging van artikel 78, dan kan men er niet omheen, aldus verzoekster, dat er geen mogelijkheid is om te ontslaan wanneer de kamer van beroep heeft beslist dat het eindverslag niet ongunstig is. Ook als er geoordeeld zou worden “dat het niet om een bevoegdheidsproblematiek zou gaan”, dan is het “nogal evident”, zo besluit verzoekster, dat er bij gemis aan een definitief negatief eindverslag niet zonder meer tot een ontslag kan worden beslist. Beoordeling
- Artikel 483 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018 luidt: “De ambtenaren van wie de stage aanving voor de inwerkingtreding van dit besluit, zijn onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing waren op het ogenblik van de toelating tot de stage, onverminderd de onmiddellijke toepassing van de artikelen 49 en 61.” Terecht neemt het middel dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt aangevoerd, aan dat in dit geval overeenkomstig de zo-even aangehaalde overgangsbepaling, de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 nog van toepassing is, omdat verzoekster haar stage reeds had aangevangen op de datum van inwerkingtreding van de rechtspositieregeling van 21 maart
- IX-9335-12/16 De artikelen 49 en 61 van de rechtspositieregeling van 21 maart 2018, die krachtens het voormelde artikel 483 “onmiddellijke toepassing” krijgen, zijn in dit geval niet dienstig. Geen van beide heeft immers betrekking op het einde van de stage of op de beroepsprocedure en haar resultaat.
- Artikel 28 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014, zoals het werd gewijzigd bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 21 januari 2016, luidt: “Er wordt een regionale kamer van beroep opgericht bevoegd voor de beroepen: 1° inzake stage […] 2° […] 3° […] Voor de aangelegenheden bedoeld in punten 1° en 3°, heeft de regionale kamer van beroep een beslissingsbevoegdheid.” De beslissingsbevoegdheid, waarvan sprake, heeft als zodanig geformuleerd, betrekking op hetgeen aan de kamer van beroep ter beslechting wordt voorgelegd “inzake stage”. Dit is, betrokken op de voorliggende zaak, het ongunstig eindverslag over de stage van het personeelslid, zoals bedoeld in artikel 74 van de rechtspositieregeling van 27 maart
- Het behoort derhalve tot de bevoegdheid van de kamer van beroep om zijn eigen beoordeling – gunstig of ongunstig – van de stage van het betrokken personeelslid definitief in de plaats te stellen van de initiële beoordeling door de stagebegeleider. Die beslissing van de kamer van beroep kan overeenkomstig artikel 77 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 slechts aanleiding geven tot een voorstel aan de benoemende overheid om het betrokken personeelslid te benoemen, dan wel “het ontslag wegens ongeschiktheid voor een betrekking bij het ministerie” uit te spreken. Alzo doet de beslissing van de kamer van beroep helemaal geen afbreuk aan de benoemingsbevoegdheid van de benoemende overheid zoals die in artikel 79 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 is bepaald, als volgt: IX-9335-13/16 “De geschikt verklaarde stagiair […] wordt benoemd in de graad waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld. De Regering benoemt de stagiairs […] van niveau A, de secretaris-generaal of de adjunct-secretaris-generaal die van niveau B, C, D en E.” Het behoort in beginsel daarenboven tot de aard van deze benoemingsbevoegdheid dat ze de bevoegdheid in zich sluit om het betrokken personeelslid desgevallend te ontslaan, onder meer wegens de vastgestelde ongeschiktheid voor de betrekking. De omstandigheid dat artikel 78 van de rechtspositieregeling van 27 maart 2014 aanvankelijk onder meer uitdrukkelijk bepaalde dat “[d]e beslissing tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid wordt [genomen] door de overheid, bevoegd voor de benoeming”, doch deze bepaling werd vernietigd bij arrest nr. 234.607 van 2 mei 2016 van de Raad van State – overigens om redenen die niet te maken hadden met de inhoud van die bepaling als zodanig – verandert niets daaraan.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het wel degelijk tot de bevoegdheid behoorde van de secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal als benoemende overheid om de bestreden beslissing te nemen. Het ambtshalve middel is derhalve niet gegrond.
- Of de secretaris-generaal en de adjunct-secretaris-generaal hun beslissing daarenboven wettig hebben genomen, staat los daarvan. Het wordt door verzoekster betwist in de door haar aangevoerde middelen, die vooralsnog niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een onderzoek door het daarmee belaste lid van het auditoraat. Er is derhalve aanleiding om het debat met het oog op dat onderzoek te heropenen. IX-9335-14/16 IX-9335-15/16 BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9335-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.620 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.378 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.