id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.622 Rolnummer: A. 234501/IX-9936 Zaak: Arrest 252622 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 13/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-14 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 05:58 Fiche Arrest nr 252.622 van 13 januari 2022 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.622 van 13 januari 2022 in de zaak A. 234.501/IX-9936 In zake: Bruno CARDOEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Van Vreckem kantoor houdend te 1500 Halle Minderbroedersstraat 3-5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEWESTELIJKE OVERHEIDSDIENST BRUSSEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: Stijn DE BOCK woonplaats kiezend bij de Algemene Centrale der Openbare Diensten gevestigd te 1000 Brussel Fontainasplein 9-11 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 7 september 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de adjunct-secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 9 juli 2021 om in de procedure tot bevordering tot eerste assistent bij de directie Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van het bestuur Brussel Economie en Werkgelegenheid de rangschikking te volgen die is voorgesteld door de IX-9936-1/10 bevorderingscommissie en waarbij Bruno Cardoen als tweede kandidaat is gerangschikt, na eerste kandidaat Stijn De Bock. II. Verloop van de rechtspleging 2. De Gewestelijke Overheidsdienst Brussel heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 4 oktober 2021 heeft Stijn De Bock gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 november 2021. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Van Vreckem, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Daisy Daniels, die loco advocaat Emmanuel Jacubowitz verschijnt voor de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, zijn gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten IX-9936-2/10 3.1. Verzoeker is als statutair benoemd ambtenaar werkzaam bij de directie Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van het bestuur Brussel Economie en Werkgelegenheid van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel. 3.2. Met een nota van 8 februari 2021 wordt verzoeker door de directie Human Resources van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel in kennis gesteld van de vacantverklaring van “[e]en zeker aantal bevorderingsbetrekkingen door verhoging in graad”, waaronder een betrekking van “eerste assistent(
- e)bij de Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie (in de Nederlandse taalrol)”. 3.3. Verzoeker, alsook verzoeker tot tussenkomst stellen zich kandidaat voor die laatstgenoemde betrekking. 3.4. Na “de evaluatie van de geschiktheden van de kandidaten”, formuleert de bevorderingscommissie het “gemotiveerd advies” om zowel verzoeker als verzoeker tot tussenkomst te rangschikken in groep A ‘geschikt’, waarbij aan verzoeker tot tussenkomst als “meest geschikte kandidaat” de eerste plaats wordt toegewezen en aan verzoeker de tweede plaats. Met betrekking tot verzoeker stelt de bevorderingscommissie: “De leden van de bevorderingscommissie zijn van mening dat de heer Cardoen een erg bekwame ambtenaar is die kwaliteitsvol werk levert, maar ze vinden dat hij → over een minder goede motivatie beschikt als de heer De Bock; → over even goede technische competenties beschikt dan de heer De Bock wat betreft een grondige kennis inzake de Ordonnantie van 30 april 2009 betreffende het toezicht op de reglementeringen inzake werkgelegenheid die tot de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behoren en de invoering van administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op deze reglementeringen; → over minder goede capaciteiten beschikt dan de heer De Bock inzake ‘in team werken’, ‘medewerkers aansturen’ en ‘problemen oplossen’.” 3.5. Op 19 mei 2021 dient verzoeker bij de voorzitter van de directieraad van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel een bezwaar in tegen de voormelde rangschikking. IX-9936-3/10 3.6. Na verzoeker te hebben gehoord, beslist de directieraad op 28 juni 2021 dat verzoekers argumenten “niet van nature zijn om de evaluatie te wijzigen voor de betrekking van eerst[e] assistent”. 3.7. Op 9 juli 2021 neemt de adjunct-secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel de thans bestreden beslissing om “de rangschikking voorgesteld door de bevorderingscommissie te volgen”. 3.8. Bij een besluit van de secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel van 14 september 2021 wordt Stijn De Bock bevorderd tot de graad van eerste assistent (rang B2) bij de directie Gewestelijke Werkgelegenheidsinspectie van het bestuur Brussel Economie en Werkgelegenheid. IV. Verzoek tot tussenkomst 4. Stijn De Bock heeft een verzoek tot tussenkomst in het administratief kort geding ingediend. Aangezien de bestreden beslissing de rangschikking van de kandidaten voor de betrekking van eerste assistent betreft, waarin Stijn De Bock als eerste kandidaat is opgenomen en die heeft geleid tot zijn bevordering tot eerste assistent op 14 september 2021, heeft hij er belang bij om in de zaak tussen te komen. Het verzoek van Stijn De Bock tot tussenkomst wordt dan ook ingewilligd. Hij wordt hierna de tussenkomende partij genoemd. V. Aanwijzing van de verwerende partij en regelmatigheid van de rechtspleging IX-9936-4/10 5.1. Vooralsnog werd door verzoeker en vervolgens ook door het auditoraat van de Raad van State en de tussenkomende partij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel aangewezen als de verwerende partij in de zaak. De nota werd ingediend door “[d]e Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, vertegenwoordigd door de Directieraad”. De bestreden beslissing werd weliswaar genomen door de adjunct-secretaris-generaal van de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel, maar de voornoemde dienst heeft geen afzonderlijke rechtspersoonlijkheid en ressorteert onder het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Ambtshalve wordt hierna in het dictum van het onderhavige arrest dan ook het Brussels Hoofdstedelijk Gewest als de verwerende partij in de zaak aangewezen, wat betekent dat de kennisgevingen in deze procedure aan de verwerende partij vanaf dit arrest moeten gebeuren aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door zijn regering. 5.2. Aangezien hierna zal blijken dat hoe dan ook niet voldaan is aan het vereiste van spoedeisendheid van de vordering, wat impliceert dat de vordering moet worden verworpen, acht de Raad van State het om proceseconomische redenen niet wenselijk, noch nodig, de tot nog toe gevoerde procedure ten aanzien van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te hernemen. Dat zou in de gegeven omstandigheden immers op gespannen voet staan met de schorsingsprocedure, die eist dat de vordering zonder vertraging wordt afgehandeld. Zoals zo-even vermeld, zal het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bij het vervolg van de procedure als de verwerende partij in het geding worden aangeschreven. VI. Ontvankelijkheid 6. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om uitspraak te doen over de ontvankelijkheidsexcepties die door de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel en de tussenkomende partij respectievelijk in de nota en het verzoek tot IX-9936-5/10 tussenkomst worden opgeworpen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze excepties zouden alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. VII. Schorsingsvoorwaarden 7. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VIII. Spoedeisendheid Uiteenzetting 8. Verzoeker wijdt in zijn inleidend verzoekschrift de volgende uiteenzetting aan de “[h]oogdringendheid” van zijn vordering: “De zaak is te spoedeisend om enkel in een beroep tot nietigverklaring te worden behandeld. Voor verzoeker is de bevordering waar hij voor in aanmerking komt, van belang voor zijn verdere loopbaan; Een verhoging van graad en bevorderingen zijn eigen aan het statuut van ambtenaar waar er doorgroeimogelijkheden zijn gedurende de loopbaan. Als er gewacht wordt op de afloop van het beroep tot vernietiging is er een verlies van een kans op huidige bevordering en op toekomstige bevorderingen na de huidige kans op bevordering; Gelet op de leeftijd en jaren dienst van verzoeker zou dit een ernstig nadeel met zich meebrengen voor verzoeker.” Beoordeling IX-9936-6/10 9. Zoals hiervóór sub 7 in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Luidens artikel 17, § 2, van diezelfde gecoördineerde wetten moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Voor een verzoekende partij bij de Raad van State die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep af te wachten, komt het dan ook erop aan om daarvan te overtuigen aan de hand van de feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit betekent dat het aan deze partij toevalt om in haar inleidend verzoekschrift specifieke gegevens bij te brengen, betrokken op de omstandigheden van haar zaak, die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 10. In dit geval beperkt verzoeker de uiteenzetting van de spoedeisendheid van zijn vordering tot enkele vage, algemene beweringen. Zo stelt hij dat de bevordering waarvoor hij in aanmerking komt, “van belang [is] voor zijn verdere loopbaan”. Hij laat evenwel geheel onduidelijk IX-9936-7/10 en onvermeld welk dat belang precies en concreet is en waarom de behartiging daarvan niet kan wachten op een uitspraak over zijn beroep tot nietigverklaring. Verzoekers vaststelling dat “[e]en verhoging van graad en bevorderingen […] eigen [zijn] aan het statuut van ambtenaar waar er doorgroeimogelijkheden zijn gedurende de loopbaan” is nietszeggend vanuit het oogpunt van de spoedeisendheid van zijn vordering, waarvan hij moet overtuigen. Voor zover verzoeker zijn niet kunnen wachten op “de afloop van het beroep tot vernietiging” toeschrijft aan “een verlies van een kans op huidige bevordering en op toekomstige bevorderingen na de huidige kans op bevordering”, valt het niet in te zien waarom een uitspraak over het beroep tot nietigverklaring, voor zover het ontvankelijk zou zijn – zoals sub 6 vermeld behoeven de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties vooralsnog geen onderzoek – het verlies van een kans op de thans beoogde bevordering niet zou kunnen goedmaken. Het aangevoerde verlies van een kans op “toekomstige bevorderingen” wordt door verzoeker dan weer niet in het minst concreet toegelicht, zodat het niet meer is dan een niet-gestaafde bewering. Al evenmin laat verzoeker toe te begrijpen waarom hetgeen hij aanvoert, “[g]elet op de leeftijd en jaren dienst”, “een ernstig nadeel met zich [zou] meebrengen”. 11. Verzoeker toont de spoedeisendheid van zijn vordering derhalve niet aan. IX. Conclusie 12. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, opdat een vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd. IX-9936-8/10 IX-9936-9/10 BESLISSING 1. Het verzoek van Stijn De Bock tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd. 2. De Raad van State wijst het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan als de verwerende partij in de zaak. 3. De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9936-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.622 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.874 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div