← België

Arrest 252646 - Varia (economische zaken) - 14/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.646 Rolnummer: A. 235406/XIV-38923 Zaak: Arrest 252646 - Varia (economische zaken) - 14/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-19 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 05:59 Fiche Arrest nr 252.646 van 14 januari 2022 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.646 van 14 januari 2022 in de zaak A. 235.406/XIV-38.923 In zake:

  1. Heleen VAN OOST
  2. de BV CIAO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Chris De Nyn kantoor houdend te 1840 Londerzeel Oudemanstraat 25 bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nicolas Bonbled, Jorien Van Belle en Yente Denayer kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  3. De verzoekende partijen dienen met een enig verzoekschrift op 6 januari 2022 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en een beroep tot nietigverklaring in van het koninklijk besluit van 23 december 2021 ‘houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken’, “meer specifiek de artikelen 4 en 7, 1° met betrekking tot het verbod op publiek toegankelijke evenementen die binnen plaatsvinden”. XIV-38.923 -1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 januari 2022, om 11.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Chris De Nyn, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaten Jorien Van Belle en Yente Denayer, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering
  6. Ter terechtzitting bevestigen de verzoekende partijen desgevraagd, hetgeen reeds uit het inleidend verzoekschrift lijkt te kunnen worden afgeleid, dat de vordering enkel is gericht tegen de artikelen 4 en 7, 1° van het koninklijk besluit van 23 december 2021 ‘houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken’. XIV-38.923 -2/8 IV. Regelgevend kader 4.
  7. Sinds medio maart 2020 wordt ook België geconfronteerd met de wereldwijde pandemie van de ziekte COVID-19 die wordt veroorzaakt door het virus SARS-CoV-2 en neemt de federale overheid maatregelen om de verspreiding van dit virus te beperken. 4.
  8. Op 4 oktober 2021 is de wet van 14 augustus 2021 ‘betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie’ in werking getreden. Artikel 4, § 1, van deze wet voorziet in de mogelijkheid voor de Koning om, wanneer Hij de epidemische noodsituatie heeft afgekondigd, de nodige maatregelen van bestuurlijke politie te nemen teneinde de gevolgen van de epidemische noodsituatie voor de volksgezondheid te voorkomen of te beperken. 4.
  9. Op 28 oktober 2021 wordt bij koninklijk besluit de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie afgekondigd tot en met 28 januari
  10. Dit wordt bekrachtigd door de wet van 10 november 2021 ‘tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de afkondiging van de epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID- 19-pandemie’. 4.
  11. Verder wordt het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 ‘houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken’ (hierna: het koninklijk besluit van 28 oktober 2021) genomen. Dit besluit wordt meermaals gewijzigd in het licht van de wijzigende omstandigheden van de COVID-19 pandemie, onder meer met het koninklijk besluit van 23 december 2021 ‘houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de XIV-38.923 -3/8 coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken’ (hierna: het bestreden besluit). 4.
  12. Met artikel 4 van het bestreden besluit wordt artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 vervangen. Na deze wijziging luidt artikel 7, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021: “De binnenruimten van inrichtingen of van onderdelen van inrichtingen die behoren tot de culturele, feestelijke, recreatieve of evenementensector zijn gesloten voor het publiek, behoudens voor de door dit besluit toegelaten activiteiten.” Met artikel 7 van het bestreden besluit wordt artikel 12 van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 vervangen. Na deze wijziging luidt artikel 12, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021: “Onder voorbehoud van paragraaf 5, zijn publiek toegankelijke evenementen, culturele en andere voorstellingen, en congressen die binnen plaatsvinden, verboden.” 4.
  13. Met ’s Raads arrest nr. 252.564 van 28 december 2021 wordt bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging bevolen van artikel 7 van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 zoals gewijzigd door artikel 4 van het thans bestreden besluit, wat de culturele sector betreft. 4.
  14. Naar aanleiding van het voornoemde schorsingsarrest wordt op 29 december 2021 het koninklijk besluit ‘houdende wijziging van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatregelen van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezondheid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2021) genomen. Dit koninklijk besluit wordt gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2021 en treedt diezelfde dag in werking. Ingevolge artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 29 december 2021 wordt in artikel 7, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van XIV-38.923 -4/8 28 oktober 2021 de verwijzing naar de evenementensector geschrapt, zodat deze laatste bepaling sindsdien luidt: “De binnenruimten van inrichtingen of van onderdelen van inrichtingen die behoren tot de feestelijke of recreatieve sector zijn gesloten voor het publiek, behoudens voor de door dit besluit toegelaten activiteiten.” Verder wordt (onder meer) artikel 12, § 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 gewijzigd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 december
  15. Dientengevolge luidt het voornoemde artikel 12, § 2, eerste lid, sindsdien: “Onder voorbehoud van de paragrafen 5 en 6, zijn publiek toegankelijke evenementen en culturele en andere voorstellingen die binnen of in een overdekte ruimte plaatsvinden enkel toegelaten voor een zittend publiek van maximum 50 personen, medewerkers en organisatoren niet meegeteld, onverminderd de artikelen 5, 7, 9 en 20 en het toepasselijke protocol.” V. Ontvankelijkheid van de vordering - belang Standpunt van de partijen
  16. De verwerende partij acht het beroep in hooforde niet- ontvankelijk bij gebrek aan voorwerp. Zij wijst op de supra aangehaalde wijziging van de artikelen 7, § 1, en 12, § 2, van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 door respectievelijk de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 29 december 2021 en leidt hieruit af dat “de bestreden bepalingen zijn verwijderd uit de rechtsorde en dat het beroep integraal zonder voorwerp is zodat het moet worden verworpen”. In ondergeschikte orde merkt de verwerende partij op dat het beroep “in ieder geval beperkt [is] tot artikel 7, 1° van het KB van 23 december 2021, in de mate het betrekking heeft op het woord ‘evenementen’ in artikel 12, § 2 van het KB van 28 oktober 2021”. XIV-38.923 -5/8 In meer ondergeschikte orde stelt de verwerende partij dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het beroep omdat, “aangezien de artikelen 4 en 7, 1° van het KB van 23 december 2021 zijn gewijzigd, en dus opgeheven, middels artikel 1 resp. artikel 2 van het KB van 29 december 2021, […] deze geen nadeel meer [kunnen] berokkenen aan de verzoekende partijen, noch hun belangen schaden” en de verzoekende partijen dus “geen enkel voordeel meer [kunnen] bekomen bij de schorsing/nietigverklaring van deze bepaling”.
  17. De verzoekende partijen (eerste verzoekster is de oprichtster en enige bestuurder van de tweede verzoekende partij) omschrijven zich in het inleidend verzoekschrift als “een evenementenbedrijf voor singles, genaamd ‘Dare to Date’. Zij zijn actief in Vlaanderen en (Nederlandstalig) Brussel en organiseren wekelijks een tien- tot vijftiental evenementen voor een maximum aantal van 30 personen. […] Op de Dare to Date-evenementen zijn gemiddeld 28 en maximum 30 personen aanwezig, host en barman van de locatie niet meegerekend. De events vinden plaats in gereserveerde (lees: door verzoeksters gehuurde) horecazaken. We spreken dus geenszins over ‘massa-evenementen’.” Verder vermelden zij in het inleidend verzoekschrift uit de richtlijnen van hun “Covid Event Risk Model” onder meer het volgende: “Eventdynamiek en dichtheid Tijdens alle events blijven alle deelnemers voornamelijk zitten. De speeddates zijn een zittend event. De tafeltjes en stoelen zijn vooraf opgesteld zodat elke deelnemer standaard op minstens 1,5 meter van de andere deelnemers blijft en er per deelnemer een minstens 4 vierkante meter netto-ruimte gegarandeerd is. Bij aankomst wordt elke deelnemer meteen naar zijn/haar tafeltje begeleid zodat ongecontroleerde stromen vermeden worden en interactiemogelijkheid beperkt wordt. De deelnemers bewegen enkel bij het starten van een nieuw gesprek (de mannelijke deelnemers), bij aankomst, bij gebruik sanitair en bij vertrek.” Zij stellen in het verzoekschrift nog dat zij hun evenementen Dare to Date tot en met 28 januari 2022 moeten afgelasten, met alle daaruit voortvloeiende lasten van dien. Ter terechtzitting gevraagd naar hun belang in het licht van de door het koninklijk besluit van 29 december 2021 doorgevoerde wijzigingen, XIV-38.923 -6/8 verklaren de verzoekende partijen dat zij, indien deze wijzigingen er inderdaad toe leiden dat zij hun activiteiten kunnen houden, geen belang meer hebben bij de vordering. Zij gedragen zich dienaangaande naar de wijsheid van de Raad. Zij lichten niet toe in welke mate hun activiteiten eventueel geen doorgang zouden kunnen vinden ondanks de wijzigingen in de regelgeving ingevolge het koninklijk besluit van 29 december
  18. Beoordeling
  19. De verzoekende partijen zijn voorbijgegaan aan de wijzigingen van de (voordien door het bestreden besluit gewijzigde) bepalingen van het koninklijk besluit van 28 oktober 2021 door het koninklijk besluit van 29 december 2021, die de restricties voor de evenementensector reeds met ingang van 30 december 2021 terugdringen. Zoals blijkt uit het overzicht van het regelgevend kader supra, is met deze wijzigingen de sluiting van binnenruimten voor de evenementensector opgeheven en zijn indoorevenementen “voor een zittend publiek van maximum 50 personen, medewerkers en organisatoren niet meegeteld” opnieuw toegelaten. De verzoekende partijen houden zelf voor dat hun activiteiten worden georganiseerd in een binnenruimte en een “zittend event” vormen voor een publiek, bestaande uit maximum 30 personen. Desgevraagd lichten zij niet toe waarom hun activiteiten geen doorgang zouden kunnen vinden in het licht van de gewijzigde regelgeving. Hieruit volgt dat de bestreden bepalingen sedert 30 december 2021 niet meer de schadelijke gevolgen kunnen teweegbrengen die de verzoekende partijen inroepen. Een gebeurlijke schorsing ervan kan de verzoekende partijen alleszins geen enkel voordeel opleveren, minstens tonen zij dit niet aan. De verzoekende partijen hebben dan ook geen belang bij hun vordering.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid niet-ontvankelijk is. XIV-38.923 -7/8 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.923 -8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.646 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.676 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.