id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.658 Rolnummer: A. 227261/IX-9497 Zaak: Arrest 252658 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 18/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-24 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 06:00 Fiche Arrest nr 252.658 van 18 januari 2022 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.658 van 18 januari 2022 in de zaak A. 227.261/IX-9497 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Steven Maris kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bruno Lombaert en Alexandre Peytchev kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 januari 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van het Bureau van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 7 november 2018 waarbij de proeftijd van XXXX beëindigd wordt met ingang van 1 december 2018, mits betaling van een opzeggingstermijn van drie maanden, en waarbij aan de griffier van mandaat wordt gegeven om het afrekeningssaldo te berekenen, dit rekening houdend met de inbreuk van verzoeker op artikel 30 van het Statuut van de Kamer sinds 1 september 2018”. II. Verloop van de rechtspleging IX-9497-1/38
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 6 december
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Elise Myin, die loco advocaten Bruno Lombaert en Alexandre Peytchev verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is bij beslissing van het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 25 januari 2017 als laureaat van het daartoe georganiseerde aanwervingsexamen benoemd tot assistent bij de cel ‘network en security’ voor een proefperiode van één jaar met ingang van 1 maart
- IX-9497-2/38 Voorheen was hij werkzaam bij de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. 3.
- Op 15 juni 2017 heeft de eerste driemaandelijkse beoordeling van de proeftijd van verzoeker plaats. De meeste beoordelingscriteria worden als ‘goed’ gewaardeerd, enkele als ‘zeer goed’. Bij sommige criteria wordt een “bijzondere opmerking” vermeld, meestal in positieve zin. Bij het criterium ‘gestadige uitbreiding van de kennis’ wordt het volgende opgemerkt: “Gezien de complexiteit van de materie en de lange doorlooptijd van projecten is er een grote leercurve te overwinnen.” De “eindbeoordeling” luidt dat verzoeker “voldoet”. 3.
- Bij de tweede en de derde driemaandelijkse beoordeling – respectievelijk op 13 september 2017 en 20 november 2017 – luidt de “eindbeoordeling” eveneens dat verzoeker “voldoet”, maar wordt ook de eerder gemaakte opmerking bij het beoordelingscriterium ‘gestadige uitbreiding van de kennis’ hernomen. 3.
- Op 9 januari 2018 richt de bestuursdirecteur van de dienst Informatica bij de Kamer van volksvertegenwoordigers de volgende nota aan het Bureau: “Betreft: Dienst Informatica – Verlenging van een proefperiode De heer XXXX is bij beslissing van 25 januari 2017 door het Bureau voor één jaar op proef […] bij de Kamer benoemd tot assistent bij de cel network en security. De heer XXXX werkte voordien als technisch assistent (niveau C) bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg waarbij de focus voornamelijk lag op patching en helpdesk dienstverlening. Bij de eerste evaluaties toonde de heer XXXX zich als een gemotiveerde persoon die bovendien interesse toonde voor het volgen van bijkomende cursussen om zich te volmaken. IX-9497-3/38 Echter gaandeweg blijkt dat maar weinig vooruitgang werd geboekt op gebied van kennisvergaring en bij de gevolgde externe opleidingen en cursussen werden evenmin resultaten geboekt. Ondanks een grote bereidheid wordt de uitoefening van zijn huidige job nog in grote mate bepaald door de focus op technische ondersteuning die zijn vorige job kenmerkte. Ook werd omwille van persoonlijke redenen gedurende de eerste maanden van de proefperiode het volledige saldo van verlofdagen opgenomen, wat een goede beoordeling van de persoon minder goed mogelijk maakt. Momenteel beschikt de heer XXXX nog altijd over onvoldoende kennis terzake om zelfstandig zijn werk naar behoren uit te voeren. Om een betere invulling van taken de komende maanden mogelijk te maken zal in goede samenwerking met de collega’s uit de cel network en security zorgvuldig een profiel worden besproken en uitgewerkt, eveneens zal de noodzakelijke begeleiding worden gegeven vanuit de dienst. Gelet op bovenstaande argumenten, in akkoord met de collega’s uit de cel network en security en met het akkoord van de directeur generaal stel ik voor zijn proefperiode met 6 maand te verlengen.” 3.
- Tijdens de maanden december 2017 en januari en februari 2018 worden met verzoeker meerdere functioneringsgesprekken gehouden. 3.
- Op 21 februari 2018 beslist het Bureau om de proefperiode van verzoeker met zes maanden te verlengen, tot 31 augustus
- 3.
- Op 23 maart 2018 volgt de vierde driemaandelijkse beoordeling van de proeftijd van verzoeker. Verscheidene beoordelingscriteria worden als ‘onvoldoende’ gewaardeerd. Samenvattend wordt gesteld: “Eventuele aspecten en onderdelen van het werk waarin de beperkingen van het personeelslid blijken: Bij het autonoom en zelfstandig werken, het tonen van de nodige beroepsbekwaamheid evenals de snelheid en betrouwbaarheid van het resultaat in de context van de Kamer, zijn er ernstige lacunes vastgesteld en op zijn geheel als onvoldoende gemarkeerd. (zie eveneens de schriftelijke toelichting in bijlage) Geschiktheid voor de functie: Als gevolg van bovenstaande beperkingen, achten we de persoon niet geschikt en voldoet hij niet aan de verwachtingen zoals vermeld in het profiel van deze functie. IX-9497-4/38 Potentieel om verder te evalueren: Dit is het onderwerp van frequente functioneringsgesprekken waarbij de mogelijke vooruitgang wordt gepeild. (zie eveneens in bijlage het verslag van deze gesprekken voor info).” De “eindbeoordeling” luidt dat “het personeelslid niet [voldoet] voor zijn proeftijd”. Bij deze vierde driemaandelijkse beoordeling is de volgende schriftelijke toelichting door de bestuursdirecteur van de dienst Informatica en Burotica gevoegd: “In de aanloop naar de vierde (en normaal gezien laatste) driemaandelijkse evaluatie van XXXX was het al duidelijk dat deze niet een normaal verloop zou hebben en er werd dan ook een verlenging aangevraagd van de proefperiode. Zoals reeds aangehaald in een nota voor het Bestuurscomité en het Bureau waarbij deze verlenging werd gemotiveerd, blijkt dat er te weinig vooruitgang werd geboekt op gebied van kennisvergaring in de context van de Kamer. Bij de gevolgde externe opleidingen en cursussen werden evenmin resultaten geboekt. Toelichting bij kwotering van de rubrieken Een kwotering ‘onvoldoende’ werd gegeven als geheel voor de volgende rubrieken: - Professionele integratie – Niettegenstaande een grote bereidheid wordt de uitoefening van zijn huidige job nog in grote mate bepaald door de focus op technische ondersteuning (helpdesk, logistiek, …) die zijn vorige job kenmerkte. Het overstijgen naar een noodzakelijk niveau van autonoom en resultaatgericht handelen in de context van de Kamer ontbreekt. - Beroepsbekwaamheid en Kwaliteit en kwantiteit van het afgeleverde werk – Bij sommige uit te voeren taken werden niet de nodige vaardigheid en competentie getoond die nodig is voor een correct resultaat; lacunes waren er op gebied van begrip van de instructies, halve en verkeerde resultaten in einddocumenten evenals het manifest gebrek aan structuur bij zowel uitleggen als het uitvoeren van de opgelegde taken. - Autonomie en organisatietalent – Er is een onvoldoende capaciteit om het werk op een coherente manier te organiseren op autonome wijze. Concrete acties Het nieuwe invulformulier voor de evaluaties vermeldt uitdrukkelijk dat er in dit geval concrete acties dienen te worden ondernomen, dit is gebeurd in de vorm van een aantal opeenvolgende functioneringsgesprekken waarbij het gewenst profiel voor een correcte uitoefening van het werk [uitvoerig] werd besproken. Eveneens werd hierbij aan de hand van een door de persoon uit te voeren mini-project ‘verhuis van switches’ naar de graad van competentie en de resultaatgerichtheid gepeild. IX-9497-5/38 In bijlage kan u in detail de verslagen van de functioneringsgesprekken vinden. Er zijn ondanks deze – helaas spijtige – ongunstige eindevaluatie wel positieve elementen te melden voor XXXX die al vanaf het begin werden opgemerkt en ook vermeld werden bij de eerste evaluaties. Hij toont evenwel gedrevenheid en mate van betrokkenheid bij het werk, en is zeer loyaal. Ondanks een niet gunstige evaluatie heeft betrokkene spontaan gemeld zich nog te willen inzetten en toont voldoende medewerking om de huidige projecten verder af te werken tot het einde van zijn proefperiode.” 3.
- Op 31 mei 2018 heeft een vijfde driemaandelijkse beoordeling van de proeftijd van verzoeker plaats. De beoordeling van de onderscheiden criteria is identiek aan die van de vierde beoordeling. Samenvattend wordt gesteld: “Deze evaluatie herneemt de beoordeling en conclusies van de vorige evaluatie; op het geheel als onvoldoende gemarkeerd […] de verwachtingen zijn niet voldaan aan het beschreven profiel voor deze functie.” De “eindbeoordeling” luidt opnieuw dat “het personeelslid niet [voldoet] voor zijn proeftijd”. 3.
- Met een e-mailbericht van 21 juni 2018 laat verzoeker aan de bestuursdirecteur en de eerste directieraad van de dienst Personeel en Sociale Zaken bij de Kamer van volksvertegenwoordigers weten “niet akkoord [te gaan] met de evaluaties die [hem] gegeven werden gedurende [zijn] stage” en hij deelt zijn opmerkingen mee. 3.
- In een nota van 2 juli 2018 aan het college van ambtenaren-generaal spreekt de bestuursdirecteur van de dienst Informatica en Burotica de opmerkingen van verzoeker tegen. Hij stelt voor om “een einde te stellen aan de proefperiode van [verzoeker]”. 3.
- Op 17 juli 2018 ontvangt de dienst Personeel en Sociale Zaken vanwege verzoeker nog een “nota in reactie” op de voormelde nota van de bestuursdirecteur. IX-9497-6/38 3.
- Op 20 juli 2018 wordt verzoeker gehoord door het college van ambtenaren-generaal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers. Er wordt een proces-verbaal van dat verhoor opgesteld. Het voornoemde college formuleert vervolgens het advies om “overeenkomstig artikel 12quinquies van het statuut van het personeel een einde te maken aan de proeftijd van [verzoeker], mits een opzeggingstermijn van drie maanden”. Voorts beslist dat college om “[verzoeker] in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel met onmiddellijke ingang vrij te stellen van prestaties tot het einde van de huidige procedure”. 3.
- Verzoeker bezorgt schriftelijk zijn opmerkingen bij het proces-verbaal van de hoorzitting, alsook bij het voormelde advies van het college van ambtenaren-generaal. 3.
- Met een e-mailbericht van 5 september 2018 zendt de dienst Personeel en Sociale Zaken een kopie van het proces-verbaal van de hoorzitting, alsook van het advies van het college van ambtenaren-generaal, ondertekend door alle leden van dat college, aan verzoeker en zijn raadsman. 3.
- Op 19 september 2018 beslist het bestuurscomité om aan het Bureau voor te stellen “een einde te maken aan de proeftijd van [verzoeker] mits een opzeggingsvergoeding van drie maanden”. 3.
- Op 8 oktober 2018 bezorgt verzoeker zijn opmerkingen bij de voormelde beslissing van het bestuurscomité. 3.
- Met een brief van 30 oktober 2018 deelt de griffier van de Kamer van volksvertegenwoordigers aan verzoeker mee: “Wij hebben van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg vernomen dat u sinds 1 september 2018 uw functie bij die overheidsdienst opnieuw uitoefent […]. Terzelfdertijd bent u echter nog steeds in dienst bij de IX-9497-7/38 Kamer en bent u sinds eind juli 2018 vrijgesteld van dienstprestaties in afwachting van de verdere afwikkeling van het voorstel tot beëindiging van uw proeftijd. Met dit schrijven deel ik u mee dat wij het feit dat u bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg aan het werk bent terwijl u tegelijkertijd bij de Kamer in dienst bent beschouwen als een ernstige tekortkoming in de zin van artikel 12quinquies, § 3 van het statuut van het personeel. Als personeelslid van de Kamer mag u namelijk niet tezelfdertijd een andere betrekking vervullen, die wordt bezoldigd door het Rijk, de provinciën, de gemeenten of de openbare besturen (inbreuk op artikel 30 van het statuut van het personeel). U heeft bovendien nagelaten om dit voorafgaand en langs hiërarchische weg aan mij te melden (inbreuk op artikel 32 van het statuut van het personeel). Deze informatie zal worden meegedeeld aan het Bureau van de Kamer, dat de eindbeslissing zal nemen over het voorstel tot beëindiging van uw proeftijd. Indien het Bureau ons oordeel bijtreedt dat het om een ernstige tekortkoming gaat, kan het Bureau beslissen om uw proeftijd te beëindigen zonder opzegging overeenkomstig artikel 12quinquies, § 3 van het statuut van het personeel. U heeft het recht om door het Bureau te worden gehoord en om u daarbij door een raadsman van uw keuze te laten bijstaan of vertegenwoordigen. Het Bureau komt hiervoor bijeen op woensdag 7 november 2018 om 12 uur […].” 3.
- Met een e-mailbericht van 6 november 2018 bezorgt verzoeker “[b]ijkomende documenten” voor het verhoor. 3.
- Op 7 november 2018 wordt verzoeker door het Bureau gehoord en neemt het Bureau de thans bestreden beslissing, die luidt als volgt: “overwegende dat de heer XXXX door het Bureau van de Kamer van 25 januari 2017 op proef werd benoemd voor één jaar met ingang van 1 maart 2017 en dat de betrokkene de eerste laureaat was van het examen van assistent (specialisatie Network & Security), waarvan de wervingsreserve werd samengesteld door het Bestuurscomité van 18 januari 2017; overwegende dat het oorspronkelijk de bedoeling was om een Franstalige laureaat in dienst te laten treden met het oog op het respecteren van het taalevenwicht binnen de ploeg, en dat uiteindelijk de eerste Nederlandstalige laureaat werd aanvaard aangezien er geen Franstalige kandidaten geslaagd waren voor het examen; overwegende dat de griffier besliste om de betrokkene overeenkomstig artikel 12 van het statuut van het personeel toe te wijzen aan de dienst Informatica en Burotica (cel Netwerk & Security); overwegende dat de eindbeoordeling van de eerste drie beoordelingen van de betrokkene vermeldt dat de betrokkene voldoet en dat ze alle drie tevens IX-9497-8/38 vermelden dat er een grote leercurve te overwinnen is gezien de complexiteit van de materie en de lange doorlooptijd van projecten; overwegende dat de bestuursdirecteur van de dienst Informatica en Burotica bij nota van 9 januari 2018 heeft voorgesteld om de proeftijd van de betrokkene met zes maanden te verlengen en dat dit voorstel door het Bureau van 21 februari 2018 werd aanvaard, zodat de proeftijd verlengd werd tot 31 augustus 2018; overwegende dat de verlenging van de proeftijd blijkens de beslissing van het Bureau werd ingegeven enerzijds doordat de betrokkene weinig vooruitgang boekte op vlak van kennisvergaring en onvoldoende kennis had om zijn taken zelfstandig uit te voeren en anderzijds doordat de betrokkene om persoonlijke redenen het volledige saldo van zijn verlofdagen had opgenomen gedurende de eerste maanden van de proeftijd; dat dit laatste feit een correcte eindbeoordeling bemoeilijkte met het oog op een benoeming in vast verband; overwegende dat in de periode van december 2017 tot februari 2018 met de betrokkene een reeks opvolgingsgesprekken werden gevoerd, die echter blijkens de verslagen van deze gesprekken niet tot een substantiële verbetering hebben geleid; overwegende dat de vierde beoordeling van de betrokkene een ongunstige eindbeoordeling in de zin van artikel 15bis, § 5, van het statuut van het personeel vermeldt en dat de beoordeling eveneens vermeldt dat bij het autonoom en zelfstandig werken, het tonen van de nodige beroepsbekwaamheid evenals de snelheid en betrouwbaarheid van het resultaat in de context van de Kamer, ernstige lacunes zijn vastgesteld, en dat verder wordt gesteld dat de betrokkene om die redenen niet geschikt geacht wordt voor de functie zoals beschreven in de examenbrochure; overwegende dat de vijfde beoordeling de ongunstige eindbeoordeling die reeds werd vermeld in de vierde beoordeling herhaalt, waarbij alle elementen uit de vierde beoordeling worden bevestigd; overwegende dat de betrokkene bij mail van 21 juni 2018 heeft gereageerd op de vijfde beoordeling; overwegende dat de bestuursdirecteur bij nota van 2 juli 2018 overeenkomstig artikel 12quinquies, § 2, van het statuut van het personeel heeft voorgesteld om enerzijds de proeftijd van de betrokkene te beëindigen met een opzeg van drie maanden en om anderzijds de betrokkene tot het einde van de procedure vrij te stellen van dienstprestaties; overwegende dat deze nota aan de betrokkene werd betekend bij aangetekend schrijven van 2 juli 2018 en hem tevens werd overhandigd op 3 juli 2018; overwegende dat bij nota van 3 juli 2018 aan de betrokkene werd meegedeeld dat bepaalde administrator toegangsrechten worden opgeschorst in afwachting van een beslissing met betrekking tot het voorstel van de bestuursdirecteur en dat de betrokkene de nota voor ontvangst heeft getekend op 3 juli 2018; overwegende dat de betrokkene bij brief van 9 juli 2018 werd opgeroepen om gehoord te worden door het college van ambtenaren-generaal op vrijdag 20 juli 2018; IX-9497-9/38 overwegende dat de betrokkene op 17 juli 2018 schriftelijk heeft gereageerd op de nota van de bestuursdirecteur van 2 juli 2018; overwegende dat het College van ambtenaren-generaal de heer XXXX heeft gehoord tijdens de vergadering van 20 juli 2018 en dat de betrokkene werd bijgestaan door Meester Steven Maris; overwegende dat tijdens dezelfde vergadering eveneens [B.P.], bestuursdirecteur van de dienst Informatica en Burotica, alsook [R.R.], adviseur bij dezelfde dienst, gehoord werden in aanwezigheid van de betrokkene en zijn raadsman; overwegende dat van deze hoorzitting een proces-verbaal werd gemaakt; overwegende dat het College van ambtenaren-generaal op basis van het administratief dossier en na de betrokkenen te hebben gehoord, op 26 juli 2018 een advies heeft uitgebracht waarin het voorstelt om overeenkomstig artikel 12quinquies van het statuut van het personeel een einde te maken aan de proeftijd van de heer XXXX, assistent bij de dienst Informatica en Burotica, mits een opzeggingstermijn van drie maanden; overwegende dat het College van ambtenaren-generaal in hetzelfde advies van 26 juli 2018 eveneens heeft beslist om de betrokkene in het belang van de dienst bij wijze van ordemaatregel met onmiddellijke ingang vrij te stellen van prestaties tot het einde van de huidige procedure omdat de functie van de betrokkene in de cel Netwerk & Security immers een belangrijke impact heeft op de informaticaveiligheid van de Kamer, zodat de verdere uitoefening van zijn functie in het belang van de dienst dient te worden opgeschort tot het Bureau een beslissing heeft genomen over het voorstel tot beëindiging van de proeftijd; overwegende dat het proces-verbaal van de hoorzitting van 20 juli 2018 en het advies van het College van ambtenaren-generaal van 26 juli 2018 aan de betrokkene werden bezorgd bij aangetekend schrijven van 26 juli 2018; overwegende dat de betrokkene een door hem voor ontvangst ondertekend exemplaar van het proces-verbaal heeft teruggestuurd en dat hij op 10 augustus 2018 zijn opmerkingen bij het proces-verbaal en het advies van het College van ambtenaren-generaal heeft bezorgd; overwegende dat de betrokkene opmerkt dat de exemplaren van het proces-verbaal en het advies, die hem op 26 juli 2018 werden bezorgd, niet persoonlijk waren ondertekend door de adjunct-griffier, directeur-generaal PRI en Bibliotheek, en door de adjunct-griffier, directeur-generaal van de Wetgevende Diensten; overwegende dat uit het proces-verbaal blijkt dat het voltallige College van ambtenaren-generaal aanwezig was bij de hoorzitting van 20 juli 2018; overwegende dat het voltallige College van ambtenaren-generaal heeft deelgenomen aan de daaropvolgende beraadslaging maar dat de adjunct-griffier, directeur-generaal PRI en Bibliotheek, alsook de adjunct-griffier, directeur-generaal van de Wetgevende Diensten, afwezig waren op 26 juli 2018, de dag van de ondertekening van het proces-verbaal en het advies; overwegende dat de griffier in opdracht heeft getekend voor de afwezige leden van het College van ambtenaren-generaal; IX-9497-10/38 overwegende dat de adjunct-griffier, directeur-generaal PRI en Bibliotheek, alsook de adjunct-griffier, directeur-generaal van de Wetgevende Diensten, hun instemming hebben bevestigd door de bewuste documenten bij hun terugkeer alsnog te ondertekenen; overwegende dat het proces-verbaal en het advies met de handtekeningen van de adjunct-griffier, directeur-generaal PRI en Bibliotheek, en van de adjunct-griffier, directeur-generaal van de Wetgevende Diensten, aan de betrokkene en zijn raadsman werden bezorgd bij mailberichten van 5 september 2018; overwegende dat het bijgevolg geen twijfel lijdt dat het voltallige College van ambtenaren-generaal aanwezig was bij de hoorzitting en heeft ingestemd met het uitgebrachte advies; overwegende dat de betrokkene nadat de eerste drie beoordelingen met eindbeoordeling ‘gunstig’ reeds vaststelden dat de betrokkene desalniettemin nog een grote leercurve diende te overwinnen, twee ongunstige beoordelingen heeft gekregen in de zin van artikel 15bis, § 5, van het statuut van het personeel; overwegende dat de betrokkene in zijn opmerkingen van 10 augustus 2018 onterecht stelt dat de nieuwe beoordelingsformulieren het recht van het personeelslid om schriftelijk te reageren zouden beperken; overwegende dat artikel 15bis, § 2, van het statuut van het personeel bepaalt dat het personeelslid over vijftien dagen beschikt om zijn eventuele opmerkingen bij het beoordelingsformulier in te dienen en dat het personeelslid geacht wordt akkoord te gaan met de toegekende beoordeling indien het niet tijdig reageert; overwegende dat artikel 65bis van het statuut van het personeel bepaalt dat elk personeelslid op proef of benoemd in vast verband ambtshalve een afschrift ontvangt van alle officiële nota’s en adviezen die over hem handelen en er zijn opmerkingen kan bijvoegen; overwegende [dat] de beoordelingsformulieren inderdaad werden vernieuwd in 2018 maar dat zowel de oude als de nieuwe beoordelingsformulieren op de bladzijde waarop het personeelslid tekent voor ontvangst verwijzen naar de aangehaalde bepalingen van het statuut van het personeel; overwegende dat een exemplaar van het statuut van het personeel aan de betrokkene werd bezorgd bij zijn indiensttreding en dat het statuut van het personeel kan worden geraadpleegd via intranet; overwegende dat aan het recht om te reageren op een beoordeling niets werd gewijzigd maar dat de nieuwe beoordelingsformulieren, die werden gebruikt voor de vierde en vijfde beoordeling van de betrokkene de regel van artikel 15bis, § 2, van het statuut van het personeel letterlijk herhalen op de bladzijde van de handtekening van de betrokkene, terwijl de oude beoordelingsformulieren, die werden gebruikt voor de eerste tot derde beoordeling van de betrokkene, op de bladzijde van de handtekening van de betrokkene enkel verwezen naar de toepassing van de artikelen 12quinquies, § 1, 15bis en 65bis van het statuut van het personeel; overwegende dat de betrokkene geenszins kan aanvoeren dat hij niet op de hoogte was van die regel en dat hem de nodige informatie niet zou zijn bezorgd; overwegende dat in tegenstelling tot wat de betrokkene voorhoudt, het feit dat de betrokkene de vierde beoordeling heeft getekend voor ontvangst zonder IX-9497-11/38 binnen de vijftien dagen schriftelijk te reageren bijgevolg wel degelijk betekent dat hij geacht wordt ermee in te stemmen; overwegende dat uit de vierde en vijfde beoordeling blijkt dat de betrokkene op diverse vlakken tekortschiet en dat dit zowel voor het autonoom en resultaatgericht handelen geldt als voor de kwaliteit en kwantiteit van het afgeleverde werk; overwegende dat tijdens de hoorzitting van 20 juli 2018 werd verduidelijkt dat de betrokkene vanaf het begin van zijn proeftijd op systematische wijze werd ingeleid in de materie aan de hand van het OSI-model, dat zeven lagen onderscheidt, en dat daarbij werd vertrokken van de eerste laag, vervolgens de tweede laag werd aangebracht met de bedoeling om zo geleidelijk aan uit te komen bij de vijfde laag; dat de functiebeschrijving van de betrokkene namelijk betrekking heeft op de eerste tot vijfde laag; overwegende dat in januari 2018 – dus in de voorlaatste maand van de oorspronkelijke proeftijd van één jaar – tijdens een opvolgingsgesprek werd vastgesteld dat er nog diverse elementen van kennis ontbraken om over te gaan tot de derde laag; overwegende dat de betrokkene om daaraan te verhelpen in de context van de opvolgingsgesprekken, die werden georganiseerd om te verhelpen aan de professionele gebreken van de betrokkene, belast werd met een project dat bestond uit de verhuis van bepaalde switches naar een ander gebouw; overwegende dat tijdens drie opeenvolgende vergaderingen in februari 2018 werd vastgesteld dat de betrokkene er niet is in geslaagd om de doelstellingen van het project duidelijk vast te leggen en dat de technische uitwerking onvoldoende blijft; overwegende dat het feit dat de betrokkene er in de laatste maand van zijn oorspronkelijke proeftijd van één jaar niet in slaagt aan te tonen dat hij een project dat gericht is op de tweede laag naar behoren kan uitvoeren, aantoont dat de betrokkene in februari 2018 nog steeds een fundamentele achterstand had op het te verwachten traject dat betrekking had op de eerste tot en met vijfde laag; overwegende dat uit de hoorzitting van 20 juli 2018 blijkt dat de betrokkene er dankzij de verlenging van zijn proeftijd is in geslaagd de tweede laag in voldoende mate te beheersen en dat dit blijkt uit het feit dat de betrokkene later een wifi-project naar behoren heeft uitgevoerd, ook al dient te worden toegevoegd dat dit project voor de betrokkene slechts een uitvoerende taak inhield; overwegende dat de betrokkene voor bepaalde aspecten van de derde laag een beperkte beheersing lijkt te hebben opgebouwd; overwegende dat dit echter niets afdoet aan de vaststelling dat de betrokkene er niet is in geslaagd om op zelfstandige manier te werken in de vijf lagen die worden vereist; overwegende dat de hiërarchie heeft geoordeeld dat de betrokkene eerst de eerste en tweede laag diende te beheersen alvorens over te gaan tot de derde, vierde en ten slotte vijfde laag, en dat dit een legitieme manier vormt om de opleiding van een nieuwe medewerker te structureren; overwegende dat men bovendien eveneens voor ogen moet houden dat het toevertrouwen van taken van hogere niveaus ook een impact heeft op de informaticaveiligheid van de Kamer en dat zolang de betrokkene niet had IX-9497-12/38 aangetoond op een betrouwbare manier te kunnen omgaan met taken van de eerste en tweede laag, het als een terechte voorzorgsmaatregel voorkomt om meer geavanceerde taken uit te stellen tot de betrokkene zich voldoende betrouwbaar toont om die op autonome wijze veilig te kunnen uitvoeren; overwegende dat het in die optiek dan ook logisch is dat de vraag van de betrokkene om toegang te krijgen tot de firewalls werd geweigerd aangezien de hiërarchie met recht en reden vermocht te oordelen dat dit onaanvaardbare veiligheidsrisico’s met zich zou meebrengen voor de Kamer; overwegende dat uit dit alles blijkt dat de betrokkene er niet is in geslaagd om al de vijf vereiste lagen te beheersen omdat zijn competenties te beperkt bleken en dat de verlenging van de proeftijd het nog mogelijk heeft gemaakt om enige vooruitgang te boeken, maar zonder in de buurt te komen van een bevredigende beheersing van de vijf vereiste lagen en zonder te overtuigen dat dit binnen een redelijke termijn kan worden verwacht; overwegende dat de betrokkene erkent dat hij zijn professionele pc heeft gebruikt voor bepaalde informaticatoepassingen die geheel los staan van de Kamer en die dienden voor opleidingen die de betrokkene buiten de Kamer heeft gevolgd en dat tijdens een opvolgingsvergadering in januari 2018 aan de betrokkene werd meegedeeld dat dit niet strookt met de best practices van een degelijk informaticaveiligheidsbeleid zoals de Kamer dit propageert; overwegende dat het op eigen initiatief installeren en gebruiken van dergelijke externe toepassingen belangrijke veiligheidsrisico’s inhoudt voor de infrastructuur van de Kamer en dat de pc’s van de gewone personeelsleden zo zijn geconfigureerd dat het onmogelijk is om dergelijke toepassingen te installeren; overwegende dat dit niet geldt voor de betrokkene, die als lid van de cel Netwerk & Security over verregaande administrator rechten en toegangen beschikt en dat die rechten en toegangen zijn bedoeld om zijn werk mogelijk te maken, en niet om privétoepassingen te installeren; overwegende dat tijdens een opvolgingsvergadering in januari 2018 werd afgesproken dat de betrokkene de toepassingen zou verwijderen onmiddellijk na het examen dat de betrokkene op 12 januari 2018 zou afleggen in het kader van een opleiding die hij volgde buiten de Kamer en waarvoor hij de toepassingen nodig had; overwegende dat tijdens de opvolgingsvergadering van 2 februari 2018 echter bleek dat de toepassingen nog steeds niet waren verwijderd en dat de betrokkene de toepassingen alsnog heeft verwijderd nadat hij een tweede maal tot de orde werd geroepen; overwegende dat het niet dadelijk nakomen van deze afspraak een tekortkoming vormt m.b.t. een aantal gedragsgerichte competenties die worden vermeld in het functieprofiel, zoals ‘integer handelen, in overeenstemming met de verwachtingen van de organisatie’ en ‘zijn verbintenissen nakomen’; overwegende dat het installeren van eigen toepassingen in strijd is met de beginselen van de informaticaveiligheid en dat uit de verklaringen van de bestuursdirecteur tijdens de hoorzitting van 20 juli 2018 blijkt dat het om een algemeen beginsel gaat dat voor iedere medewerker van de dienst en a fortiori voor de leden van de cel Netwerk & Security glashelder moet zijn; IX-9497-13/38 overwegende dat de betrokkene in zijn opmerkingen van 10 augustus 2018 stelt dat dit beginsel hem niet schriftelijk werd meegedeeld bij zijn indiensttreding; overwegende dat dergelijk algemeen beginsel niet schriftelijk hoeft te worden meegedeeld aangezien het om een element van basiskennis gaat voor een medewerker van de dienst Informatica en Burotica en a fortiori voor een lid van de cel Netwerk & Security; overwegende dat het feit dat de betrokkene ondanks een eerste aanmaning naliet om een einde te stellen aan het foutief gebruik van zijn professionele pc, en dit pas na een tweede aanmaning deed, aantoont dat de betrokkene zich onvoldoende rekenschap geeft van de ernst van zijn fout en van zijn voorbeeldfunctie als lid van de cel Netwerk & Security; overwegende dat de betrokkene er tijdens de hoorzitting van 20 juli 2018 blijk van gaf nog steeds de ernst van zijn fout niet in te zien; overwegende dat het College van ambtenaren-generaal dan ook terecht heeft vastgesteld dat dit incident duidelijk bevestigt dat de betrokkene de omzichtige houding die van een lid van de cel Netwerk & Security wordt verwacht niet bezit; overwegende dat de betrokkene tijdens de hoorzitting van 20 juli 2018 heeft erkend dat hij een beoordelingsgesprek heeft opgenomen met zijn smartphone buiten het medeweten van de persoon met wie het gesprek werd gevoerd en dat de betrokkene wanneer hij bevraagd wordt naar zijn motieven hiervoor, stelt dat hij geen vertrouwen meer heeft in zijn hiërarchie; dat hij in zijn opmerkingen van 10 augustus 2018 verwijst naar een opmerking van de bestuursdirecteur over de proeftijd van de betrokkene voorafgaand aan het beoordelingsgesprek als rechtvaardiging voor de opname; overwegende dat dergelijk gedrag ontoelaatbaar is en dat het feit dat de betrokkene te kennen geeft geen vertrouwen te hebben in zijn hiërarchie of verwijst naar een opmerking van de bestuursdirecteur over zijn proeftijd de opname in het geheel niet rechtvaardigt; overwegende dat de twee meest recente beoordelingen van de betrokkene ongunstig zijn en aantonen dat de betrokkene niet voldoet en dat de betrokkene geacht wordt met de eerste ongunstige beoordeling akkoord te gaan aangezien hij niet heeft gereageerd binnen de voorgeschreven termijn; overwegende dat bovendien blijkt uit het administratief dossier en uit de hoorzitting van 20 juli 2018 dat de betrokkene er tijdens zijn proeftijd, die werd verlengd, niet in slaagt aan te tonen dat hij een betrouwbaar en competent lid van de cel Netwerk & Security is noch dat hij dit binnen een redelijke termijn zou kunnen worden; overwegende dat dit blijkt uit de volgende elementen: - het feit dat de betrokkene op vlak van technische competenties volgens het OSI-model slechts twee lagen op aanvaardbare wijze beheerst, terwijl dit voor vijf lagen wordt vereist; - de ontoereikende aanpak van het hem toevertrouwde project in januari en februari 2018 (verhuis van bepaalde switches), die de ongunstige beoordelingen bevestigt daar waar ze stellen dat de betrokkene onvoldoende in staat is om zelfstandig en probleemoplossend te werk te gaan; IX-9497-14/38 - het installeren van toepassingen voor privégebruik op zijn professionele pc, waaruit enerzijds blijkt dat de betrokkene weinig inzicht vertoont in de beginselen van de informaticaveiligheid en in zijn rol als lid van de cel Netwerk & Security en anderzijds een gebrek aan respect voor gemaakte afspraken blijkt; - het opnemen van een beoordelingsgesprek buiten medeweten van de gesprekspartner, ingegeven door een gebrek aan vertrouwen in de hiërarchie; overwegende dat het College van ambtenaren-generaal terecht het advies heeft uitgebracht om een einde te maken aan de proeftijd van de betrokkene; overwegende dat de door het College van ambtenaren-generaal besliste vrijstelling van prestaties in het belang van de dienst geheel gerechtvaardigd is aangezien de functie van de betrokkene in de cel Netwerk & Security een belangrijke impact heeft op de informaticaveiligheid van de Kamer; overwegende dat, gelet op de dienstvrijstelling, een verbrekingsvergoeding van drie maanden eerder aangewezen is dan een opzeggingstermijn van dezelfde duur; gelet op de nota van de dienst Personeel en Sociale Zaken van 11 september 2018; gelet op het advies van de directeur-generaal van de Quaestuurdiensten; gelet op het advies van de adjunct-griffier, directeur-generaal van de P.R.I. en de Bibliotheek; gelet op het advies van de adjunct-griffier, directeur-generaal van de Wetgevende diensten; gelet op het advies van de griffier; gelet op het advies van het Bestuurscomité van 19 september 2018; overwegende dat het advies van het Bestuurscomité aan de betrokkene werd meegedeeld bij brief van 21 september 2018; overwegende dat de betrokkene op 8 oktober 2018 zijn opmerkingen bij dit advies heeft bezorgd; overwegende dat het College van ambtenaren-generaal en het Bestuurscomité hebben voorgesteld om een einde te maken aan de proeftijd van de betrokkene mits een opzeggingsvergoeding van drie maanden overeenkomstig artikel 12quinquies, § 2, van het statuut van het personeel; overwegende dat uit een mailbericht van 26 september 2018 van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg blijkt dat de betrokkene sinds 1 september 2018 werkzaam is bij die overheidsdienst; overwegende dat de betrokkene sinds eind juli 2018 vrijgesteld was van dienstprestaties bij de Kamer in afwachting van de verdere afwikkeling van het voorstel tot beëindiging van zijn proeftijd; overwegende dat de betrokkene gedurende heel die periode echter nog steeds in dienst was bij de Kamer en onderworpen bleef aan de bepalingen van het statuut van het personeel; overwegende dat personeelsleden van de Kamer niet tezelfdertijd een andere betrekking mogen vervullen die wordt bezoldigd door het Rijk, de provinciën, de gemeenten of de openbare besturen (artikel 30 van het statuut van het personeel); IX-9497-15/38 overwegende dat personeelsleden die een bezoldigde nevenactiviteit uitoefenen verplicht zijn om dit voorafgaand en via hiërarchische weg mee te delen aan de griffier (artikel 32 van het statuut van het personeel), wat te dezen niet is gebeurd; overwegende dat de griffier bij brief van 8 oktober 2018 aan de betrokkene heeft meegedeeld dat de uitbetaling van zijn wedde met ingang van de wedde van de maand november 2018 voorlopig stopgezet wordt in afwachting van verdere ontwikkelingen in dit verband; overwegende dat de griffier bij brief van 30 oktober 2018 aan de betrokkene heeft meegedeeld dat deze dubbele tewerkstelling een inbreuk vormt op de artikelen 30 en 32 van het statuut van het personeel, alsook dat aan het Bureau bijgevolg wordt voorgesteld om de proeftijd van de betrokkene overeenkomstig artikel 12quinquies, § 3, van het statuut van het personeel te beëindigen zonder opzegging, aangezien de betrokkene een ernstige tekortkoming heeft begaan; overwegende dat de betrokkene in dezelfde brief werd opgeroepen om gehoord te worden door het Bureau op 7 november 2018; overwegende dat een elektronische kopie van deze brief op 30 oktober 2018 via mail werd bezorgd aan de betrokkene en zijn raadsman; overwegende dat de betrokkene bij mailberichten van 30 en 31 oktober 2018 bevestigd heeft aanwezig te zullen zijn bij de hoorzitting van 7 november 2018; overwegende dat de betrokkene bijkomende opmerkingen heeft bezorgd op 6 november 2018; gelet op de hoorzitting door het Bureau van 7 november 2018 (zie bijlage B); nadat de ambtenaren-generaal de zaal hebben verlaten en na erover te hebben beraadslaagd; en overwegende: - dat de heer XXXX de vierde evaluatie voor ontvangst ondertekende, maar dat het document uitdrukkelijk bepaalt dat het niet-indienen van opmerkingen binnen een termijn van vijftien dagen na ontvangst als akkoord wordt beschouwd; - dat het voorstel van het College van ambtenaren-generaal en van het Bestuurscomité erin bestaat om overeenkomstig artikel 12quinquies, § 2, van het statuut van het personeel van de Kamer een einde te maken aan de proeftijd van de heer XXXX, mits betaling van een opzeggingsvergoeding van drie maanden; - dat de heer XXXX sedert het advies van het College van ambtenaren-generaal van een vrijstelling van dienstprestaties geniet en dat het feit dat hij ondertussen sedert 1 september 2018 terug bij de FOD WASO werkt door deze administratie aan de administratie van de Kamer ter kennis werd gebracht; - dat de betrokkene tijdens de hoorzitting van 7 november 2018 heeft erkend dat hij sinds 1 september 2018 aan het werk is bij de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en dat hij dit niet aan de Kamer heeft meegedeeld overeenkomstig artikel 32 van het statuut van het personeel; - dat een lid bedenkingen heeft wat betreft de relevantie van de bezwaren van de heer XXXX, waarop de voorzitter antwoordt dat het dossier door de diensten correct werd behandeld; IX-9497-16/38 - dat een lid meer duidelijkheid wenst over de financiële afhandeling van het dossier, waarop de voorzitter antwoordt dat de diensten het nodige zullen doen om het verschuldigd saldo te betalen, rekening houdend met de overtreding van het verbod om, tijdens de maanden september tot november 2018, tegelijk twee betrekkingen te hebben; beslist eenparig: - om zich te scharen achter het met redenen omklede advies van het College van ambtenaren-generaal, gevolgd door het Bestuurscomité, zich er de motieven van eigen te maken en, overeenkomstig artikel 12quinquies, § 2, van het statuut van het personeel van de Kamer, de proeftijd van de heer XXXX te beëindigen met ingang van 1 december 2018 en mits betaling van een opzeggingsvergoeding van drie maanden; - wat de financiële afwikkeling van de zaak betreft, mandaat te geven aan de griffier om het afrekeningssaldo te berekenen, gelet op de inbreuk op artikel 30 van het statuut van het personeel van de Kamer door de heer XXXX sedert 1 september 2018.” IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 ‘betreffende de eedaflegging bij de aanvang der grondwettelijke vertegenwoordigende monarchie’. Hij “merkt op dat, gelet op de evaluatieprocedure en het gegeven dat het Bureau het advies van het College van Ambtenaren-Generaal tot de [zijne] maakt, gevolgd door het Bestuurscomité, zowel diegene[n] die de evaluatie uitvoeren […] als diegenen die deel uitmaken van het College van Ambtenaren-Generaal als van het Bestuurscomité voormelde eed dienden te hebben afgelegd”, wat volgens zijn informatie niet het geval zou zijn, terwijl die personen volgens hem wel degelijk onder de voormelde bepaling vallen. IX-9497-17/38
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat verzoeker niet het rechtens vereiste belang heeft bij dit middel, vooreerst omdat het niet valt in te zien op welke wijze de bedoelde eedaflegging een invloed kan hebben gehad op de bestreden beslissing en voorts omdat, indien het middel gegrond zou zijn, ook de beslissing van het Bureau van 25 januari 2017 om verzoeker tot assistent op proef te benoemen onwettig zou zijn.
- In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat het gebrek aan eedaflegging in hoofde van de leden van het college van ambtenaren-generaal niet kan worden “gezuiverd” door de beslissing van het Bureau, “omdat het immers om een verplichte instantie gaat in de te doorlopen procedure”. Daarenboven is de eed “minstens de objectieve waarborg dat er sprake is van onafhankelijkheid en onpartijdigheid”. Ten slotte is volgens verzoeker het gemaakte onderscheid tussen de klassieke overheidsdiensten en de wetgevende macht kunstmatig. Hij stelt dat de betrokken ambtenaren “minstens belast [zijn] met een openbaar ambt of ambtenaren van het bestuur in de zin van het voormelde [d]ecreet [zijn]”. Ook zij dienen de onafhankelijkheid, onpartijdigheid en neutraliteit in acht te nemen.
- In haar laatste memorie insisteert de verwerende partij op de opgeworpen exceptie. Zij benadrukt dat het, gelet op “de onderliggende feiten van onderhavige zaak”, “quasi-uitgesloten” is dat andere evaluatoren tot een ander oordeel zouden kunnen komen. Beoordeling
- De door de verwerende partij opgeworpen exceptie dat verzoeker niet het rechtens vereiste belang heeft bij het middel, kan niet worden bijgevallen. Indien verzoeker immers terecht zou aanvoeren dat zijn evaluatoren, de leden van het college van ambtenaren-generaal, het bestuurscomité en het Bureau de bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed hadden moeten afleggen om aan de beoordeling van zijn proeftijd te mogen deelnemen en IX-9497-18/38 zij dat niet hebben gedaan, dan had die beoordeling door anderen moeten worden uitgevoerd, wat alleszins impliceert dat ook een andere uitkomst mogelijk was geweest. De omstandigheid dat, zoals de verwerende partij beweert, zulks zou betekenen dat ook verzoekers benoeming niet rechtsgeldig tot stand zou zijn gekomen, doet daaraan geen afbreuk, aangezien die benoeming, bij ontstentenis van enig beroep daartegen, inmiddels hoe dan ook geacht moet worden definitief te zijn. De exceptie is niet gegrond. 9.
- Artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 luidt: “Al de ambtenaren van het gerecht en van het bestuur, de officieren van de burgerwacht en van het leger en, in ’t algemeen, al de ingezetenen belast met enig openbaar ambt of enigen openbaren dienst zijn verplicht, alvorens hun betrekking te aanvaarden, de eed af te leggen in de volgende bewoordingen: […] ‘Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgisch volk’ […].” Die bepaling maakt geen gewag van de leden van het administratief personeel van wetgevende vergaderingen. Verzoekers evaluatoren en de leden van het college van ambtenaren-generaal bij de Kamer van volksvertegenwoordigers kunnen ook niet zonder meer worden gelijkgesteld met één van de wel vermelde categorieën. De voormelde bepaling is dan ook niet op hen van toepassing. 9.
- Verzoeker lijkt de schending van het decreet van 20 juli 1831 tevens te betrekken op de leden van het Bureau van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de leden van het bestuurscomité, die door het Bureau zijn aangewezen. IX-9497-19/38 Uit het reglement van de Kamer van volksvertegenwoordigers blijkt dat het Bureau bestaat uit een door de plenaire vergadering verkozen voorzitter, drie ondervoorzitters en bureauleden die op voorstel van de fracties worden benoemd, waarbij zoveel leden worden benoemd als nodig is opdat elke fractie met ten minste twaalf leden ten minste één lid van het Bureau telt. Het wordt aangevuld met de gewezen voorzitters die lid van de Kamer zijn, de voorzitters van de politieke fracties en een toegevoegd lid per fractie met minder dan twaalf leden die geen gewoon bureaulid heeft. De leden van het Bureau zijn derhalve leden van de Kamer die, alvorens hun ambt te aanvaarden, de voorgeschreven eed dienen af te leggen. Met de verwerende partij moet worden aangenomen dat de leden van het Bureau niet de eed afleggen waarin is voorzien in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831, maar wel de eed die is bepaald in artikel 1 van datzelfde decreet: “De leden van de Kamer der Volksvertegenwoordigers en van de Senaat zijn verplicht, alvorens hun ambt te aanvaarden, in de verenigde Kamer de volgende eed af te leggen: ‘Je jure d’observer la Constitution’.” 9.
- Verzoeker toont dan ook geen schending aan van artikel 2 van het decreet van 20 juli
- Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 32sexies, § 2, “voorlaatste alinea” (versta: achtste lid), van de wet van IX-9497-20/38 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de welzijnswet), en “minstens […] van het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid”. Hij betoogt dat de functie van verslaggever tijdens de hoorzitting van het college van ambtenaren-generaal werd waargenomen door K.V.G., adjunct-adviseur bij de dienst Personeel en Sociale Zaken, die eveneens de “interne vertrouwenspersoon” is, zoals bedoeld in de welzijnswet. Hij stelt dat de “onterechte behandeling” waarvan hij het voorwerp uitmaakt, “een reden vormt voor contactname met de interne vertrouwenspersoon”. Het recht om dat te doen wordt hem ontnomen, aldus verzoeker. K.V.G. had als vertrouwenspersoon niet op de voormelde vergadering van het college van ambtenaren-generaal aanwezig mogen zijn.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het middel niet ontvankelijk is, onder meer wegens gemis aan belang. Het valt volgens haar niet in te zien op welke wijze het optreden van K.V.G. een invloed kan hebben gehad op de bestreden beslissing, temeer nu verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat hij in tempore non suspecto überhaupt heeft overwogen om, onder alle interne vertrouwenspersonen die de Kamer heeft benoemd, specifiek met K.V.G contact op te nemen en hij daartoe een poging heeft ondernomen. De verwerende partij stelt dat de beweerde onregelmatigheid slechts aanleiding kan geven tot een vernietiging van de bestreden beslissing als blijkt dat die beslissing anders was geweest indien de beweerde schending niet was begaan.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat in het geval van een schending van een regel die verband houdt met onpartijdigheid en onafhankelijkheid, de vraag naar het belang niet moet worden gesteld en een objectieve schijn van partijdigheid voldoende is om tot vernietiging te besluiten. Alleszins is hem de kans ontnomen op een andere beslissing en kon hij, gelet op de rol van K.V.G. als verslaggever, niet meer naar hem toe als interne IX-9497-21/38 vertrouwenspersoon, waardoor hem de kans op een minnelijke oplossing is ontnomen. Aangezien K.V.G. werkzaam was op de dienst Personeelszaken, was het geen optie een beroep te doen op een andere vertrouwenspersoon, zo voegt verzoeker er nog aan toe. Wat de grond van de zaak betreft, argumenteert verzoeker dat K.V.G. “in rechte optreedt en dus sowieso als leidinggevende dient beschouwd te worden”, minstens is hij “als ondergeschikte belast met handelingen van het dagelijks bestuur”. Hij stelt voorts dat hijzelf “[i]n de periode dat hij het meest een interne vertrouwenspersoon nodig had […] geen beroep [kon] doen op [K.V.G.]”. Beoordeling 13.
- Verzoeker voert in het middel vooreerst een schending aan van artikel 32sexies, § 2, van de welzijnswet, namelijk van het achtste lid van deze bepaling, naar luid waarvan “[d]e personen die deel uitmaken van het leidinggevend personeel […] evenmin de functie van vertrouwenspersoon [mogen] uitoefenen”. Die bepaling schrijft voor wie de functie van vertrouwenspersoon niét mag uitoefenen, namelijk “[d]e personen die deel uitmaken van het leidinggevend personeel”. Er kan echter helemaal niet uit worden afgeleid dat K.V.G., ongeacht of hij al dan niet tot het leidinggevend personeel moet worden gerekend, niet zou mogen handelen als verslaggever van het college van ambtenaren-generaal. Het middel kan in zoverre niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. 13.
- Voor zover verzoeker in het middel “minstens een schending van het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid” aanvoert, legt hij niet in het minst uit op welke wijze het voornoemde beginsel in het gedrang zou zijn gekomen IX-9497-22/38 door de aanwezigheid van K.V.G. als verslaggever op de hoorzitting van het college van ambtenaren-generaal, laat staan hoe deze aanwezigheid het advies van het college van ambtenaren-generaal zou kunnen hebben beïnvloed. In zoverre is de door de verwerende partij opgeworpen exceptie gegrond en is het middel niet ontvankelijk. 13.
- Het tweede middel dient in zijn geheel te worden verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van “artikel 3 van het Personeelsstatuut van de Kamer van Volksvertegenwoordigers juncto […] de rechten van verdediging”. Hij licht toe: “
- […] dat zowel het proces-verbaal van verhoor als het advies van het College van Ambtenaren-Generaal oorspronkelijk niet waren ondertekend door [P.T.] en [R.D.], hoewel zij wel degelijk aanwezig waren tijdens het verhoor en het verhoor als datum 20 juli 2018, zijnde de datum van het verhoor, vermeldt (zie de bijlagen bij stuk 10). Beide documenten werden blijkbaar ‘i.o.’ (naar verzoeker aanneemt ‘in opdracht’) ondertekend. De namen van de personen die dan ‘i.o.’ zouden hebben ondertekend, [worden] echter nergens vermeld. Niet alleen werden de documenten (naar alle waarschijnlijkheid) niet ondertekend door personen die niet aanwezig waren bij het verhoor, wat de vraag doet ontstaan hoe zij dan kunnen verklaren dat de inhoud van het proces-verbaal, dat tijdens het verhoor door [K.V.G.] werd opgesteld, correct is, maar daarenboven is het zo dat artikel 3 van de statuten van de Kamer niet toestaat dat een derde lid is van het College van ambtenaren-Generaal. De samenstelling van dat College is in voormeld artikel 3 geregeld, zonder dat er een mogelijkheid voor plaatsvervanging is voorzien noch enige mogelijkheid tot het geven van een volmacht. Het advies is dan ook ongeldig. Verder is het ook zo dat het heden niet duidelijk is of [P.T.] en [R.D.] wel aanwezig waren tijdens de beraadslaging, zeker nu het advies zelf als datum 26 juli 2018 draagt. Op basis van de handtekeningen onder het advies lijkt dit alvast niet zo te zijn. Dit is vanzelfsprekend in strijd met de fundamentele rechten van verzoeker (hij kan zelfs niet eens nakijken wie heeft getekend). Het lijkt in ieder geval erop dat het IX-9497-23/38 advies is genomen bij afwezigheid van de helft van de leden die het College van ambtenaren-Generaal uitmaken (wat een schending is van artikel 3 van de Statuten van de Kamer) en daarenboven bij afwezigheid van de helft van de leden die tijdens het verhoor van verzoeker en zijn raadsman aanwezig waren. Bij schrijven van 10 augustus 2018 (stuk 11) werd deze gang van zaken geprotesteerd.
- Bij e-mail van 5 september 2018 mocht verzoeker via [K.V.G.] plotsklaps een e-mail ontvangen met als bijlage het advies van het College van Ambtenaren-Generaal en het proces-verbaal van verhoor waarop nu plots de twee handtekeningen van [P.T.] en [R.D.] waren toegevoegd, dit zonder enige vermelding van datum waarop zij dat document dan wel zouden hebben ondertekend. In ieder geval is het zo dat dat document door de toevoeging van beide voormelde handtekeningen niet plots wel geldig wordt. Het advies is en blijft ongeldig. Hierbij weze nog toegevoegd dat, nu verzoeker elke controle wordt ontnomen en er geen klaarheid is wie wanneer aanwezig was, het duidelijk is dat er in deze sowieso ook sprake is van een schending van de rechten van verdediging van verzoeker. Hierbij weze benadrukt dat het Bureau dan nog eens het advies tot de hare maakt, wat dan ook leidt tot een ongeldige beslissing van het Bureau.”
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat verzoeker niet over het rechtens vereiste belang bij het middel beschikt, aangezien het niet valt in te zien en verzoeker ook niet aantoont hoe hetgeen wordt aangevoerd een invloed kan hebben gehad op de inhoud van de bestreden beslissing.
- Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat het middel wel ontvankelijk is. Aangezien niet eens duidelijk is wie aan de beraadslaging heeft deelgenomen, kon vanzelfsprekend een andere beslissing worden genomen. Wat de grond van de zaak betreft, doet verzoeker nog gelden dat niet wordt aangetoond dat het toegelaten is een beslissing van het college van ambtenaren-generaal ‘i.o.’ te ondertekenen. Beoordeling IX-9497-24/38
- De door de verwerende partij opgeworpen exceptie van gemis aan belang bij het middel in hoofde van verzoeker hangt samen met de grond van het middel. 18.
- Artikel 3, laatste lid, van het statuut van het personeel van de Kamer van volksvertegenwoordigers (hierna: het personeelsstatuut) luidt: “De ambtenaren-generaal, met name de griffier, de twee adjunct-griffiers en de directeur-generaal van de Quaestuurdiensten, staan het Bestuurscomité bij in de uitvoering van zijn bevoegdheden en nemen deel aan de vergaderingen van het Bestuurscomité en van het Bureau. Zij vergaderen als college in de bij dit statuut bepaalde gevallen en telkens wanneer zij het nuttig achten voor de goede administratie van de diensten van de Kamer.” Aldus dient het college van ambtenaren-generaal, overeenkomstig artikel 12quinquies, § 2, eerste lid, van het personeelsstatuut, een advies te verstrekken wanneer, zoals in dit geval, op gemotiveerd voorstel van de betrokken hiërarchische meerderen de beëindiging wordt beoogd van de proeftijd van een personeelslid. 18.
- In tegenstelling tot wat verzoeker suggereert, blijkt uit het administratief dossier dat op 20 juli 2018 het college van ambtenaren-generaal geldig was samengesteld. Het proces-verbaal van de hoorzitting van 20 juli 2018, dat door verzoeker niet van valsheid wordt beticht, vermeldt immers de aanwezigheid van de griffier, de twee adjunct-griffiers en de directeur-generaal van de Quaestuurdiensten (stukken 16 van het administratief dossier). De twee door verzoeker genoemde leden die diezelfde dag afwezig waren bij de ondertekening van het proces-verbaal, moeten worden geacht aanwezig te zijn geweest tijdens de hoorzitting. Hetzelfde geldt voor het advies van het college van ambtenaren-generaal van diezelfde datum. De notulen van de vergadering van het college van ambtenaren-generaal op die datum, die evenmin van valsheid worden beticht, gaan ervan uit dat de beide adjunct-griffiers aanwezig waren bij de IX-9497-25/38 beraadslaging (stukken 17 van het administratief dossier). Zij worden slechts “afwezig” vermeld “bij handtekening”. Uit niets blijkt en verzoeker toont niet aan dat onbevoegden aan de desbetreffende hoorzitting en beraadslaging van het college van ambtenaren-generaal zouden hebben deelgenomen. 18.
- Er is ook geen onduidelijkheid over de vraag wie in eerste instantie ‘i.o.’ de voormelde stukken heeft ondertekend: dat was namelijk de griffier, zoals aan verzoeker uitdrukkelijk ter kennis werd gebracht met een e-mailbericht van 5 september
- Voor zover verzoeker de rechtsgeldigheid van die ondertekening ‘i.o.’ betwist, blijkt hij geen belang daarbij te hebben, aangezien de desbetreffende stukken op 26 juli 2018 ook werden ondertekend door de bij de ondertekening op 20 juli 2018 afwezige adjunct-griffiers. 18.
- Verzoeker toont geen schending aan van artikel 3 van het personeelsstatuut, noch van zijn rechten van verdediging.
- Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van “de bevoegdheden van het Bureau inzake personeelsbeleid juncto [het] motiveringsbeginsel”. IX-9497-26/38 Hij betoogt dat het personeelsbeleid overeenkomstig het personeelsstatuut tot de bevoegdheden van de Kamer van volksvertegenwoordigers behoort, buiten de bevoegdheden die door de Kamer zelf of door het personeelsstatuut aan andere organen of personen zijn gedelegeerd. Hij wijst erop dat het college van ambtenaren-generaal hem op 26 juli 2018 een ordemaatregel heeft opgelegd, namelijk het niet meer moeten verrichten van dienstprestaties, terwijl nergens de bevoegdheid van dat college blijkt om deze maatregel te nemen. Volgens verzoeker is het Bureau het daartoe bevoegde orgaan, maar heeft het zich ertoe beperkt zich de maatregel eigen te maken, terwijl het minstens zelf een onderzoek had moeten voeren en een beoordeling had moeten maken.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het middel niet ontvankelijk is, omdat het niet gericht is tegen de bestreden beslissing. De beslissing houdende het opleggen van de bedoelde ordemaatregel is immers een van de bestreden beslissing te onderscheiden, afzonderlijke beslissing.
- Verzoeker repliceert in zijn memorie van wederantwoord dat hij de exceptie van de verwerende partij niet begrijpt, aangezien het middel wel degelijk gericht is tegen de beslissing van het Bureau, dat zich de beslissing van het college van ambtenaren-generaal eigen maakt, hoewel het college niet bevoegd was om die beslissing te nemen. Beoordeling
- Het college van ambtenaren-generaal heeft op 20 juli 2018 een voorstel geformuleerd om een einde te maken aan de proeftijd van verzoeker. Daarnaast heeft het college van ambtenaren-generaal beslist om verzoeker bij ordemaatregel in het belang van de dienst met onmiddellijke ingang vrij te stellen van prestaties “tot het einde van de huidige procedure”. IX-9497-27/38 Met de beslissing die het voorwerp uitmaakt van het thans voorliggende annulatieberoep spreekt het Bureau zich uit over het “voorstel tot beëindiging van de proeftijd van een assistent”. Het Bureau spreekt zich niet uit over de door het college van ambtenaren-generaal opgelegde ordemaatregel. Het middel dat van het tegendeel uitgaat, mist derhalve feitelijke grondslag.
- Het vierde middel is niet gegrond. IX-9497-28/38 E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een vijfde middel de schending aan van “artikel 15bis, § 5 van het Personeelsstatuut van de Kamer van Volksvertegenwoordigers juncto […] het motiveringsbeginsel”. Hij betoogt dat de vierde en de vijfde driemaandelijkse beoordeling van zijn proeftijd niet werden uitgevoerd in overeenstemming met artikel 15bis, § 5, van het personeelsstatuut, omdat hij niet in kennis werd gesteld van de redenen waarom er een ongunstige evaluatie is, laat staan dat dit op een concrete en ondubbelzinnige manier zou zijn gebeurd. De evaluatie gebeurde immers aan de hand van kruisjes, met de mogelijkheid om commentaar toe te voegen, maar een concrete en ondubbelzinnige vermelding van de tekortkomingen bleef uit. Er werden geen opmerkingen geformuleerd en er kan moeilijk worden gesproken van een vijfde evaluatie.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het middel onontvankelijk is, vooreerst omdat verzoeker de desbetreffende grief niet eerder tijdens de administratieve procedure heeft doen gelden, terwijl artikel 15bis, § 2, van het personeelsstatuut uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om binnen een welbepaalde termijn opmerkingen te maken op het evaluatieformulier – bij gebreke waarvan betrokkene geacht wordt in te stemmen met de toegekende beoordeling en dat formulier van die mogelijkheid ook uitdrukkelijk melding maakt. Voorts verduidelijkt verzoeker niet waarom de materiëlemotiveringsplicht geschonden zou zijn.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat het middel betrekking heeft op de wijze van evaluatie en het mededelen van de resultaten, terwijl de voorgeschreven termijn van vijftien dagen, voor zover die al IX-9497-29/38 dwingend zou zijn, enkel betrekking heeft op de opgegeven redenen voor de beoordeling. Voorts is het volgens hem duidelijk dat “het hier om de formele vorm [van motivering] gaat”, maar ook is er sprake van een schending van de materiëlemotiveringsplicht “in die zin dat men inhoudelijk ook niet heeft geantwoord op de punten van kritiek zoals door verzoeker geformuleerd op het advies van het College van Ambtenaren-Generaal”, zodat het Bureau de fouten van het voornoemde college tot de zijne heeft gemaakt.
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij met betrekking tot de door haar opgeworpen exceptie erop dat artikel 15bis, § 2, van het personeelsstatuut geenszins uitsluit dat het personeelslid, naast inhoudelijke opmerkingen, tevens “formele/procedurele opmerkingen” formuleert over de wijze waarop de beoordeling tot stand is gekomen. Beoordeling
- Geen algemene rechtsregel schrijft voor dat de Raad van State in het kader van een beroep tot nietigverklaring enkel kennis mag nemen van grieven of middelen die reeds tijdens de administratieve procedure door de betrokkene werden aangevoerd. De verwerende partij wijst ook geen specifieke wettelijke bepaling aan die verzoeker uitdrukkelijk ertoe zou verplichten om, op straffe van onontvankelijkheid in de latere rechtsgang, bepaalde middelen voor te leggen in de loop van de procedure tot evaluatie van zijn proeftijd. Artikel 15bis, § 2, van het personeelsstatuut is alvast geen dergelijke bepaling. De verwerende partij doet evenmin gelden dat verzoeker uitdrukkelijk afstand zou hebben gedaan van het recht om zich tegen een bepaalde onregelmatigheid te verweren. IX-9497-30/38 Wanneer zij de voormelde exceptie toch opwerpt, dan is dit wezenlijk omdat zij verzoeker verwijt welbewust, met welhaast bedrieglijk opzet een hem bekend juridisch bezwaar te hebben achtergehouden, om er het Bureau mee te kunnen verschalken indien de uitkomst van de evaluatieprocedure hem niet welgevallig zou zijn. Het verval van het recht om onregelmatigheden als middel aan de rechter voor te leggen is evenwel een zware sanctie die slechts uitzonderlijk kan worden toegepast. De bewijslast berust daarenboven bij wie zich op de kwade trouw beroept. In dit geval gaat de verwerende partij aan die bewijsvoering voorbij. Zij werpt enkel op dat verzoeker de grief die het voorwerp uitmaakt van het te beoordelen middel niet heeft vermeld op het daartoe bestemde evaluatieformulier. Dat is een feitelijke vaststelling. Hoe hieruit een opzettelijk én bedrieglijk verzuim moet blijken, toont zij niet aan. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie, voor zover ze steunt op de “laattijdigheid” van het middel, is niet gegrond.
- Wel doet de verwerende partij terecht gelden dat in het inleidend verzoekschrift niet is verduidelijkt waarom de materiëlemotiveringsplicht geschonden zou zijn. Voor zover verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat er sprake is van een schending van de materiëlemotiveringsplicht “in die zin dat men inhoudelijk ook niet heeft geantwoord op de punten van kritiek zoals door [hem] geformuleerd op het advies van het College van Ambtenaren-Generaal”, appelleert hij aan een schending van de formelemotiveringsplicht. Bovendien is deze grief niet aangevoerd in de uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift en is ze om die reden niet ontvankelijk. IX-9497-31/38 De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is in zoverre gegrond.
- Artikel 15bis, § 5, van het personeelsstatuut van de Kamer van volksvertegenwoordigers luidt: “Om als ongunstig te worden beschouwd moet de beoordeling concreet en ondubbelzinnig vermelden om welke redenen de hiërarchische meerderen de professionele kwaliteiten van het personeelslid als onvoldoende beschouwen. De directeur-dienstchef vermeldt in dit geval op het beoordelingsformulier dat de volgende beoordeling na één jaar zal worden uitgebracht. Om in aanmerking te komen als een ongunstige beoordeling in de zin van artikel 15quater moet de beoordeling een expliciete verwijzing bevatten naar de eventuele toepassing van het ontslag wegens beroepsongeschiktheid.” Verzoeker voert in essentie aan dat hij bij de vierde en vijfde driemaandelijkse beoordeling niet in kennis is gesteld van de redenen waarom zijn proeftijd ongunstig wordt beoordeeld. De vierde driemaandelijkse beoordeling van de proeftijd van verzoeker vond plaats op 23 maart
- Het desbetreffende evaluatieformulier vermeldt de criteria die zijn beoordeeld. Het is inderdaad zo dat op dat formulier de beoordeling per criterium wordt weergegeven door een “X” die is aangebracht bij de gepast geachte waardering. Wat verzoeker echter niet vermeldt, is dat bij een aantal negatief beoordeelde criteria uitdrukkelijk wordt verwezen naar de “schriftelijke toelichting in bijlage”. Die toelichting is hiervóór sub 3.7 aangehaald. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker doet gelden, blijkt uit die bijgevoegde nota duidelijk waarom hij ongunstig wordt geëvalueerd: hij heeft te weinig vooruitgang geboekt op het vlak van kennisvergaring; het noodzakelijke niveau van autonoom en resultaatgericht handelen ontbreekt; hij heeft niet de nodige vaardigheden en competenties voor het bereiken van een correct resultaat; er waren lacunes in het begrip van de instructies, halve en verkeerde resultaten in einddocumenten en een manifest gebrek aan structuur bij zowel het uitleggen als het uitvoeren van de opgelegde taken; er is onvoldoende capaciteit vastgesteld om het werk op een coherente manier en op een autonome wijze te organiseren. IX-9497-32/38 Niettegenstaande de eerste drie tussentijdse evaluaties gunstig waren, stond in elk ervan ook te lezen dat, gezien de complexiteit van de materie en de lange doorlooptijd van projecten, er nog een grote leercurve moest worden overwonnen. Verzoeker wist derhalve van in het begin dat een grote vooruitgang op het vlak van kennisvergaring nodig was. Verzoeker werd tijdens zijn proeftijd herhaaldelijk gewezen op dat gebrek aan kennisvergaring. Hij was derhalve zeer goed op de hoogte van de reden waarom zijn proefperiode eerst werd verlengd en uiteindelijk werd beëindigd.
- Het vijfde middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. F. Zesde middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een zesde middel de schending aan van “het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel juncto […] het motiveringsbeginsel”. Hij betoogt dat “hij na drie positieve evaluaties een gerechtvaardigde verwachting had om benoemd te worden, wat echter niet gebeurde, ondanks dat dit de normale procedure zou zijn geweest”. Hij is daarvan afgehouden door een “weerlegging” (versta: verlenging) van zijn proeftijd, op een moment dat hij nog geen negatieve evaluatie had gehad.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat het middel onontvankelijk is voor zover het de schending aanvoert van “het motiveringsbeginsel”, omdat op geen enkele wijze wordt toegelicht waarom de bestreden beslissing materieel of formeel gebrekkig zou zijn gemotiveerd. IX-9497-33/38
- In zijn memorie van wederantwoord is verzoekers enige repliek op de voormelde exceptie: “Nu verzoeker dit punt heeft opgeworpen, doch verweerster hier niet op in is gegaan, is het duidelijk dat de motivering op dat punt fout is.” Wat de grond van het middel betreft, doet verzoeker gelden dat het noodzakelijk is om te kijken naar de derde evaluatie, die “samengevat” stelt dat hij “geschikt [is] voor de functie”. “De rest […] is eigenlijk niet relevant”, zo stelt verzoeker. Het is voor hem een raadsel waarom er toen geen benoeming is gevolgd. Hij voegt eraan toe dat overigens uit het resultaat van een examen dat hij recent voor het selectiebureau van de federale overheid heeft afgelegd, blijkt dat hij geschikt is voor de functie. Beoordeling
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift niet uitlegt op welke wijze de bestreden beslissing het motiveringsbeginsel zou schenden. Zijn – overigens onduidelijke – toelichting in de memorie van wederantwoord is laattijdig. Het middel is niet ontvankelijk voor zover het de schending van “het motiveringsbeginsel” inroept. De exceptie is gegrond.
- Zoals reeds bij de beoordeling van het vijfde middel is gebleken, waren de eerste drie tussentijdse beoordelingen weliswaar ‘gunstig’, maar bij elk ervan werd verzoeker erop gewezen dat, gezien de complexiteit van de materie en de lange doorlooptijd van projecten, hij nog een grote leercurve te overwinnen had. Met die opmerking(en) diende verzoeker te weten waaraan hij gedurende zijn IX-9497-34/38 proeftijd moest werken. Hij diende daaruit eveneens te begrijpen dat wanneer er op dat vlak geen of te weinig progressie werd geboekt, dit tot een ander eindresultaat kon leiden. Van iemand die tijdens de proeftijd aan een tussentijdse beoordeling is onderworpen, mag immers worden verwacht dat hij niet alleen het samenvattend besluit van het verslag daarover onder ogen neemt, maar de volledige beoordeling, met inbegrip van alle opmerkingen, en daaruit de gepaste lering trekt. Verzoeker vermocht derhalve uit de eerste drie tussentijdse beoordelingen van zijn proeftijd niet een gerechtvaardigde verwachting putten dat hij in zijn functie zou worden benoemd. De omstandigheid dat verzoeker recent zou zijn geslaagd voor een examen van het selectiebureau van de federale overheid voor een andere functie verandert niets daaraan.
- Het zesde middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. G. Zevende middel Uiteenzetting van het middel en exceptie van de verwerende partij
- Verzoeker voert in een zevende middel de schending aan van “het motiveringsbeginsel”. Hij argumenteert dat het Bureau in de bestreden beslissing slechts een zeer beperkte eigen motivering vermeldt en “voor de rest” integraal verwijst naar het advies van het college van ambtenaren-generaal, gevolgd door het bestuurscomité, en “dat tot de hare maakt”. Van een eigen onderzoek en motivering is er volgens verzoeker geen sprake. Daarbij komt nog dat hij op 10 augustus 2018 aan de verwerende partij een document heeft bezorgd met opmerkingen op het advies van het college van ambtenaren-generaal en op het IX-9497-35/38 proces-verbaal van de zitting van 20 juli
- Op al deze opmerkingen werd, aldus verzoeker, door het Bureau niet geantwoord.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord op dat verzoeker niet verduidelijkt of hij een schending van de formele- dan wel van de materiëlemotiveringsplicht voor ogen heeft. Zij stelt vast dat uit de toelichting van het middel blijkt dat de kritiek van verzoeker in essentie betrekking heeft op de formele kenbaarheid van de motieven. Zij leidt eruit af dat het middel niet ontvankelijk is voor zover het steunt op een beweerde schending van de materiëlemotiveringsplicht.
- In zijn memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat “er sprake [is] van een schending van de materiële motiveringsplicht in die zin dat men inhoudelijk ook niet heeft geantwoord op de punten van kritiek zoals door verzoeker geformuleerd op het advies van het College van Ambtenaren-Generaal”. Wat de grond van het middel betreft, doet verzoeker gelden dat de beslissende instantie ertoe gehouden is een eigen onderzoek van de zaak te voeren en daarvan te doen blijken in de beslissing. Daarenboven is zij ertoe gehouden de argumenten die een impact kunnen hebben op het resultaat van de beslissing te beantwoorden. Volgens verzoeker kan alleen maar worden vastgesteld dat dit niet is gebeurd. Er is immers niet geantwoord op enig argument van kritiek dat hij heeft aangevoerd ten aanzien van het advies van het college van ambtenaren-generaal. Beoordeling
- Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat verzoeker in zijn uiteenzetting van het middel in het inleidend verzoekschrift niet toelicht op welke wijze de materiëlemotiveringsplicht geschonden zou zijn. Zijn toelichting in de memorie van wederantwoord is laattijdig en betreft hoe dan ook een grief betreffende de formele motivering van de bestreden beslissing. IX-9497-36/38 Het middel is derhalve onontvankelijk voor zover het de schending van de materiëlemotiveringsplicht aanvoert. De door de verwerende partij opgeworpen exceptie is gegrond.
- Uit de uitvoerige motivering van de bestreden beslissing, zoals hiervóór aangehaald sub 3.19 blijkt dat het Bureau, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, na een eigen onderzoek tot het besluit komt dat het zich kan scharen achter de redenen die het college van ambtenaren-generaal, daarin gevolgd door het bestuurscomité, ertoe hebben gebracht om de beëindiging van verzoekers proeftijd te adviseren. Daarbij moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat het Bureau wel is ingegaan op kritiek die verzoeker in een document van 10 augustus 2018 op het advies van het college van ambtenaren-generaal heeft geformuleerd. Verzoeker toont het tegendeel niet aan en laat volledig in het ongewisse welke wezenlijke kritiek die hij heeft geformuleerd, onbeantwoord zou zijn gebleven. Uit de formelemotiveringsplicht volgt niet dat in de bestreden beslissing op alle grieven die verzoeker aanvoert, een afzonderlijk en specifiek antwoord moet worden gegeven. Het volstaat dat uit de bestreden beslissing blijkt dat die grieven in overweging zijn genomen en waarom ze in globo niet konden overtuigen. Volgens de formelemotiveringsplicht moeten in de beslissing afdoende de redenen worden vermeld die haar kunnen dragen. In dit geval toont verzoeker niet concreet aan dat de bestreden beslissing op dat vlak zou falen.
- Het zevende middel is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep. IX-9497-37/38
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9497-38/38 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.658 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div