id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.661 Rolnummer: A. 225232/IX-9682 Zaak: Arrest 252661 - Tucht (openbaar ambt) - 18/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-01-24 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 06:00 Fiche Arrest nr 252.661 van 18 januari 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.661 van 18 januari 2022 in de zaak A. 225.232/IX-9682 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de minister van Defensie van 20 april 2018 tot verbreking van ambtswege van de dienstneming van XXXX als kandidaat-beroepsonderofficier; - de beslissing van de commandant van de koninklijke school voor onderofficieren van 19 februari 2018 houdende de preventieve verwijdering van XXXX. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 248.187 van 28 augustus 2020 is het debat heropend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. IX-9682-1/34 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 december
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekende partij en luitenant Pieter-Jan Tuts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 248.187 van 28 augustus
- IX-9682-2/34 IV. Onderzoek van het beroep in zoverre het gericht is tegen de eerste bestreden beslissing A. Tweede middel a. vooraf
- Artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ schrijft voor dat het verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen dient te bevatten. Dit voorschrift houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt om een voldoende duidelijke omschrijving te geven, zowel van de overtreden rechtsregel of het overtreden rechtsbeginsel als van de wijze waarop die regel of dat beginsel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. Voldoende duidelijk betekent dat het niet nodig is veronderstellingen over de juiste bedoelingen van de verzoekende partij te maken, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en de Raad van State ertoe gebracht worden het verzoekschrift op te stellen in de plaats van de verzoekende partij. Die uiteenzetting is een essentieel onderdeel van de inleidende akte omdat het de andere partijen toelaat zich te verdedigen tegen de grieven die ten aanzien van de bestreden beslissing worden aangevoerd en de Raad van State in staat stelt de gegrondheid van die grieven te beoordelen. 5.
- Het tweede middel, enig middel gericht tegen de eerste bestreden beslissing, luidt: “Machtsoverschrijding en onwettige motieven, evenals schending van
(1)artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM),
(2)de beginselen van redelijkheid, onafhankelijkheid, onpartijdigheid, zorgvuldigheid, hoorplicht, recht van verdediging en vermoeden van onschuld, en
(3)de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke IX-9682-3/34 motivering van bestuurshandelingen.” 5.
- Gewis heeft verzoeker aan de toelichting van dit middel een structuur gegeven – genummerde alinea’s verdeeld over diverse rubrieken. Alleen helpt die structuur niet om klaar te zien in het aangevoerde middel. Na het hiervóór aangehaalde middel plaatst verzoeker een rubriek ‘VI.1 Voorbehoud’. Dan volgt een rubriek VI.2 ‘Referentie-normen en referentie-beginselen’ waarin verzoeker de hiervóór aangehaalde bepalingen en beginselen citeert of hun draagwijdte op algemene manier toelicht, zonder ze ook maar enigszins concreet op de bestreden beslissing te betrekken. Die uiteenzetting wordt gevolgd door een rubriek VI.4 ‘Recapitulatie van de retroacten’ waarin verzoeker een aantal feiten opsomt. Dan is er een rubriek VI.5 ‘Anticipatieve bespreking – Ontvankelijkheid van de grief van schending van artikel 6 EVRM’. Eindelijk komt dan een rubriek VI.6 ‘Grieven’. Die rubriek wordt echter opnieuw onderverdeeld op geheel inconsistente wijze. Sommige “grieven” hernemen de in het middel aangevoerde bepalingen en beginselen (bijvoorbeeld punt VI.6.2 ‘Schending van het onpartijdigheidsbeginsel’ of punt VI.6.8 ‘Schending van het recht van verdediging en van de formele motivering- plicht’). Andere “grieven” verwijzen echter naar specifieke feiten (bijvoorbeeld punt VI.6.3 ‘Onregelmatig en onwettig ‘intern onderzoek’’ of punt VI.6.4 ‘Onregelmatige en onwettige beslissingen en beoordelingen op 13, 19-20 en 21 februari 2018’). 5.
- De verwerende partij heeft in de memorie van antwoord ervoor geopteerd om het middel te bespreken zoals zij de overlappende kritieken meende te mogen begrijpen. 5.
- In zijn memorie van wederantwoord maakt verzoeker bij die aanpak een voorbehoud. Hij schrijft de indeling die de verwerende partij maakt te zullen volgen, zonder afstand te doen van het middel “zoals hij het middel zorgvuldig heeft verwoord, opgebouwd en toegelicht, onderdeel per onderdeel”. IX-9682-4/34 IX-9682-5/34 5.
- Met een dergelijk algemeen voorbehoud kan niet worden ingestemd. Verzoeker heeft een bijzonder moeilijk leesbare tekst als verzoekschrift ingediend. Overigens, ook het uitbundig gebruik van diverse lettertypes, schuinschrift, onderstrepingen en dergelijke meer draagt niet bij tot een goed begrip. In haar laatste memorie neemt de verwerende partij op de korrel “dat verzoeker […] een lawine aan principes en beginselen telkens opnieuw aanhaalt, in de hoop dat [de Raad van State] een eigen constructie van de middelen in de plaats stelt van de onduidelijke bespreking ervan door de verzoeker”. Die kritische vaststelling wordt bijgevallen. Op verzoeker rust een stelplicht. Indien hij meent dat het verweer zekere grieven onvolledig of niet beantwoordt, mag hij zich er niet toe beperken een algemeen voorbehoud te maken. Dit zou erop neerkomen dat hij het aan de Raad van State overlaat om het middel te interpreteren. b. eerste grief Uiteenzetting door verzoeker
- In punt VI.6.2 van het verzoekschrift noemt verzoeker het onpartijdigheidsbeginsel geschonden. Verzoeker voert aan dat de commandant van de koninklijke school voor onderofficieren (hierna: de KSOO) op 13 februari 2018 heeft beslist “gezien het strafrechtelijke karakter en de ernst van de aangehaalde feiten (…) om een juridische klacht in te dienen” en het slachtoffer heeft aangeraden hetzelfde te doen. De commandant heeft daarbij te kennen gegeven dat verzoekers gedrag volledig ingaat tegen de waarden waar Defensie in het algemeen, en de KSOO in het bijzonder, voor staat, dat er binnen de KSOO een nultolerantie tegenover pesterijen geldt, hetgeen de eerste dag van de inlijving is IX-9682-6/34 meegedeeld, dat enkele kandidaten dit niet begrepen lijken te hebben en dat hij in het geval van verzoeker meent dat er geen mogelijkheid meer is om hem een tweede kans te geven. Volgens verzoeker kon de korpscommandant de zaak niet meer zonder enig vooroordeel behandelen. Hij had zich immers naar aanleiding van het onderzoek van de zaak persoonlijk geëngageerd op een dusdanige wijze dat hij er een moreel belang bij had dat de eindbeslissing in dezelfde zin zou luiden. Dat moreel belang bestaat uit het voorkomen van gezichtsverlies door te moeten terugkomen op zijn standpunt. De commandant van de KSOO was derhalve partijdig. Verzoeker wijst in dat verband op de cruciale inbreng van de korpscommandant die
(1)de procedures heeft ingesteld met een vaststelling van schuldigverklaring en de zwaarste strafmaat,
(2)de hoorzitting heeft gevoerd en
(3)op het einde van de hoorzitting heeft beslist het voorstel tot ontslag van ambtswege aan de minister te versturen. De minister van Defensie heeft vervolgens dit advies volledig beaamd. 7. In de memorie van wederantwoord haalt verzoeker de volgende argumenten aan als repliek op het verweer van de verwerende partij: - Onregelmatigheden en onwettigheden van het intern onderzoek vitiëren onherroepelijk de eindbeslissing. - De partijdigheid van de commandant van de KSOO wordt niet opgevangen door de aanwezigheid van de stafchef van de KSOO. De commandant heeft overigens te kennen gegeven dat de beslissing enkel van hem uitging. Bovendien kan de aanwezigheid van een hiërarchisch ondergeschikte de partijdigheid van zijn meerdere niet opvangen. - De reglementering voorziet niet in een mogelijkheid tot wraking van de eenheids- of korpscommandant. Er is enkel een mogelijkheid tot wraking indien de betrokkene moet verschijnen voor een onderzoeksraad, hetgeen in casu niet het geval is. - Dat de minister van Defensie autonoom een beslissing heeft genomen, doet geen afbreuk aan het feit dat het bestuur dat het dossier aan de minister heeft voorgelegd partijdig was. De minister heeft het advies van de commandant van de KSOO geheel overgenomen. IX-9682-7/34 IX-9682-8/34 - Ten onrechte stelt de verwerende partij dat de commandant het model B zou hebben gewijzigd in geval van overtuigende argumenten. Het is eigen aan een partijdige overheid dat zij haar beslissing niet wijzigt, ongeacht de gegrondheid van verzoekers weerlegging. - Dat het model B pas na de hoorzitting is verstuurd ontkracht de aangevoerde partijdigheid niet. - De argumentatie dat er van structurele partijdigheid geen sprake is, doet niet ter zake aangezien geen grief van structurele partijdigheid is aangevoerd. 8. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker nog dat het gegeven dat de commandant van de KSOO de reglementering in acht moet nemen niet belet dat hij ingevolge de concrete omstandigheden van de zaak de schending van het onpartijdigheidsbeginsel kan aanvoeren. Die concrete omstandigheden zijn dat de korpscommandant zelf een strafrechtelijke klacht heeft ingediend bij de politie hoewel hij daartoe niet verplicht was. Hij nam geen genoegen met een bericht conform artikel 29, § 1, van het Wetboek van Strafvordering. Dit bewijst zijn partijdigheid. Ook nu nog belet de verwerende partij het toezicht door de Raad van State door deze strafrechtelijke klacht niet aan het administratief dossier toe te voegen. De hoorzitting was een maat voor niets omdat de commandant niets heeft veranderd aan zijn vooringenomenheid. Beoordeling 9. Verzoeker leidt de schending van het onpartijdigheidsbeginsel af uit de subjectieve partijdigheid van de commandant van de KSOO. Hij verklaart uitdrukkelijk met het middelonderdeel niet de structurele partijdigheid aan te kaarten. 10. Een verzoekende partij mag zich niet in het algemeen beklagen over subjectieve partijdigheid, maar moet precieze feiten of concrete aanwijzingen aanvoeren die de beweerde partijdigheid aantonen. IX-9682-9/34 Daarenboven mag de toepassing van het onpartijdigheids- beginsel er niet toe leiden dat het nemen van een onregelmatige beslissing onmogelijk wordt, namelijk doordat dit beginsel het optreden van het bevoegde orgaan onmogelijk zou maken. 11.1. Verzoeker steunt de beweerde subjectieve partijdigheid vooreerst op het gegeven dat de commandant van de KSOO op 13 februari 2018 heeft beslist om een strafrechtelijke klacht in te dienen. Het indienen van een strafrechtelijke klacht is evenwel erop gericht een objectief onderzoek naar de feiten te laten verrichten – door een instantie die overigens over ruimere onderzoeksmogelijkheden beschikt dan het actief bestuur – en toont op zich geen partijdigheid aan. 11.2. Voorts meent verzoeker dat de commandant zich naar aanleiding van het onderzoek van de zaak persoonlijk geëngageerd had op een dusdanige wijze dat hij er een moreel belang bij had dat de eindbeslissing in dezelfde zin zou luiden. Hij zou gezichtsverlies – door te moeten terugkomen op zijn standpunt – hebben willen vermijden. Verzoeker wijst daarbij op de prominente rol van de commandant in de procedure. In dat verband moet worden gewezen op de reglementering op grond waarvan de commandant heeft gehandeld, meer bepaald de artikelen 11 en 12, § 2 en § 5, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 ‘betreffende de dienstnemingen en wederdienstnemingen van de kandidaat-militairen van het actief kader’ (“koninklijk besluit van 13 november 1991”), in de versie van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing. Uit die bepalingen volgt dat de korpscommandant, wanneer hij kennis krijgt van ernstige feiten die begaan zijn door een kandidaat en die niet verenigbaar zijn met de staat van militair, daarvan een verslag opstelt waarin de feiten worden uiteengezet en een met redenen omkleed advies wordt gegeven IX-9682-10/34 over de ernst van de feiten. Betreft het, zoals in casu, een kandidaat die niet ten minste twee jaar dienst heeft volbracht, dan stuurt de korpscommandant van de betrokkene, zonder tussenkomst van de onderzoeksraad, na desgevallend te hebben kennisgenomen van het verweer van de betrokken kandidaat, een voorstel tot verbreking van ambtswege van de dienstneming aan de minister van Defensie. Niet de commandant, maar de minister beslist. De commandant heeft als reglementair bevoegd orgaan de minister een voorstel voorgelegd en hij heeft daarbij volledig overeenkomstig de voormelde bepalingen gehandeld. De regelgeving gaat er zelfs van uit dat de commandant éérst een voorstel uitschrijft en pas daarna de betrokkene die daarom verzoekt, hoort in diens verweer – wat impliceert dat de commandant zich hoe dan ook eerst een, zij het voorlopige, mening moet vormen over de (ernst van
- de)feiten, die hij naderhand kan bijstellen op grond van het verweer van de betrokkene. Het feit dat de commandant zich bij het onderzoek van de zaak aldus een mening heeft gevormd over de feiten en de ernst ervan, waartoe hij reglementair bevoegd en zelfs verplicht is, toont niet aan dat hij niet meer zonder gezichtsverlies – na kennisgenomen te hebben van het verweer van verzoeker en hem te hebben gehoord – kon terugkomen op zijn mening. 12. De grief met betrekking tot het onpartijdigheidsbeginsel is niet gegrond. c. tweede grief Uiteenzetting door verzoeker 13. In punt VI.6.3 betoogt verzoeker dat het intern onderzoek “6 februari 2018 – 9 februari 2018” onregelmatig en onwettig is verlopen. Verzoeker citeert stukken uit artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door de wet van 13 augustus 2011 ‘tot wijziging IX-9682-11/34 van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan’ (hierna: de wet van 13 augustus 2011 of de wet Salduz), dat hij geschonden acht doordat de ondervraagden niet op voorhand in kennis werden gesteld van de feiten waarover zij zijn verhoord, hen niet is meegedeeld dat zij niet verplicht kunnen worden zichzelf te beschuldigen en zij op militair bevel verplicht werden om de waarheid te spreken. Verzoeker wijst er ook op dat er geen proces-verbaal van het verhoor is opgesteld. Verzoeker besluit dat het intern onderzoek onwettig is en dat “men” het recht van verdediging schond. 14. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker dat onregelmatigheden en onwettigheden van het intern onderzoek de eindbeslissing vitiëren. 15. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat procedures die vallen onder het toepassingsgebied van het strafrechtelijk deel van artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (“EVRM”) inzake het recht van verdediging een aantal minimale waarborgen vergen die door de wet Salduz worden verleend. Er is geen geldige reden om verzoeker deze minimale waarborgen te ontzeggen aangezien hij eveneens een artikel 6 EVRM- strafvervolging onderging, waarvan het intern onderzoek deel uitmaakt. Beoordeling 16. Verzoeker steunt punt VI.6.3 op een partieel citaat van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij de wet van 13 augustus 2011. Artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering is evenwel vervangen bij artikel 3 van de wet van 21 november 2016 ‘betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord’. De door verzoeker geciteerde, niet IX-9682-12/34 langer geldige bepalingen van artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering kunnen dan ook niet geschonden zijn. 17. Verzoeker betoogt in de laatste memorie dat de “al dan niet achterhaalde, Salduz-wetgeving” inzake het recht van verdediging een aantal minimale waarborgen vergt. Hij maakt evenwel niet duidelijk op welke wijze, naar zijn oordeel, het recht van verdediging zou zijn geschonden. Hij alludeert op “ondervraagde kandidaten”, zonder dit op zijn situatie toe te spitsen. Bovendien is het middelonderdeel volledig gericht tegen een intern informatief onderzoek dat zelfs niet in opdracht van de commandant werd gevoerd en aan de opstart van de statutaire procedure tegen verzoeker voorafging. Het recht van verdediging is enkel van toepassing tijdens de tuchtprocedure zelf en niet tijdens het daaraan voorafgaand onderzoek. 18. De grief over het intern onderzoek “6 februari 2018 – 9 februari 2018” is, voor zover ontvankelijk, niet gegrond. d. derde grief Uiteenzetting door verzoeker 19. In punt VI.6.4 stelt verzoeker dat de commandant van de KSOO “op 13, 19-20 en 21 februari 2018” onwettige beslissingen heeft genomen “die het vermoeden van onschuld en het beginsel van onpartijdigheid evenzeer schenden, namelijk door te besluiten dat verzoeker strafbare feiten heeft begaan en dat er bovendien ‘geen mogelijkheid is om (aan verzoeker) een tweede kans te geven’”. De commandant steunt daarvoor op de resultaten van het intern onderzoek dat zelf onregelmatig is verlopen en onwettig is. Vervolgens stelt verzoeker in randnummer 78 van het verzoekschrift: “Er is meer. IX-9682-13/34 Op 19 februari 2018 beslist [de commandant van de KSOO] om een procedure ‘op te starten die het nemen van een statutaire maatregel ten gevolge kan hebben’. Dit op grond van: ‘Pestgedrag ten opzichte van medekandidaten in de KSOO’, aldus het ‘onderwerp’ van de nota dd. 19 maart 2018. Voor de ‘uiteenzetting van de feiten’ verwijst [de commandant van de KSOO] naar: ‘zie Bijlage A’. Hij stelt er o.m. bij wijze van ‘Gemotiveerd advies’: ‘de feiten zijn bijzonder ernstig, niet overeen te brengen met de staat van een beroepsonderofficier en tasten het imago van Defensie erg aan’. De onwettigheid van de opmaak en totstandkoming van de ‘uiteenzetting van de feiten’ op 13, 19, 20 en 21 februari 2018 impliceert dat het formeel starten van de procedure even onwettig is.” Voorts schrijft verzoeker in randnummer 79: door “aan verzoeker geen afschrift [van de modellen B] te geven […] en aan verzoeker dan een te korte termijn voor verweerschrift te geven, schendt [de commandant] evenzeer, en wederom, het vermoeden van onschuld en de beginselen van onpartijdigheid, recht van verdediging en hoorplicht.” 20. In de laatste memorie stelt verzoeker dat de schending van het onpartijdigheidsbeginsel de openbare orde raakt, zodat een eventuele tekortkoming aan de stelplicht volgens hem kan worden opgevangen door de Raad van State. Hij doet in zijn laatste memorie ook afstand van deze grief, voor zover hij in randnummer 79 van het verzoekschrift aanklaagt dat hem geen afschrift van de twee opgestelde modellen B is bezorgd. Beoordeling 21. Hiervóór is vastgesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de commandant van de KSOO partijdig was of dat het intern onderzoek onregelmatig is verlopen. Verzoeker verschaft in het kader van punt VI.6.4 geen nadere toelichting waarom het intern onderzoek onregelmatig en onwettig zou zijn. Hij toont dan ook geenszins aan dat de beslissingen van de commandant van de KSOO van 13, 19, 20 en 21 februari 2018 het vermoeden van onschuld en het IX-9682-14/34 onpartijdigheidsbeginsel schenden. IX-9682-15/34 22. De uiteenzetting in randnummer 78 van het verzoekschrift is onontvankelijk. Verzoeker doet enkele feitelijke vaststellingen, maar hij vermeldt niet welke rechtsregel of welk rechtsbeginsel hij geschonden acht en op welke wijze, naar zijn oordeel, die regel of dat beginsel is geschonden. 23. Gelet op de afstand, wordt de uiteenzetting bij randnummer 79 van het verzoekschrift niet onderzocht. 24. Wat is geschreven onder punt VI.6.4 is, voor zover ontvankelijk, ongegrond. e. vierde grief Uiteenzetting door verzoeker 25. In punt VI.6.5 ‘Onregelmatige en onwettige hoorzitting dd. 9 maart 2018’ schrijft verzoeker dat de commandant van de KSOO op 9 maart 2018 het vermoeden van onschuld, het onpartijdigheidsbeginsel, het recht van verdediging en de hoorplicht heeft geschonden “bij aanvang van de hoorzitting”. Verzoeker argumenteert dat hij expliciet verplicht werd de “waarheid te spreken, de volledige waarheid en niet anders dan de waarheid”. Deze “onwettige modus operandi schendt het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld”. De commandant verantwoordt zijn handelwijze door te benadrukken “dat dit een administratieve procedure is, geen tuchtprocedure en ook geen juridische procedure”. Deze verantwoording “is evenwel onwettig, faalt naar recht en schendt artikel 6 EVRM, de wet van 28 februari 2007 [‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht’ (“de wet van 28 februari 2007”)] en de artikelen IX-9682-16/34 11 en 12 van het KB van 13 november 1991”. De omstandigheid dat de gevoerde procedure een administratieve procedure is, neemt volgens verzoeker niet weg dat er sprake is van een tuchtprocedure zoals bedoeld in artikel 79/1, 3°, c, van de wet van 28 februari 2007 en de artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 13 november 1991. Overigens is aan verzoeker een schuldig gedrag verweten waarbij de verweten feiten tevens een strafrechtelijk karakter hebben. De tuchtrechtelijke waarborgen en beginselen waarop verzoeker recht heeft, kunnen niet ongedaan worden gemaakt door het gegeven dat er sprake is van een administratieve procedure, die de juridische procedure voorafgaat. Voorts voert verzoeker aan dat het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld, het onpartijdigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 6 EVRM zijn geschonden door de “slotconclusie” van de hoorzitting van 9 maart 2018. Hij argumenteert dat de commandant van de KSOO het verhoor meteen heeft afgesloten met de slotconclusie om zijn intentie niet te wijzigen, hetgeen onwettig en onzorgvuldig is en getuigt van partijdigheid en vooringenomenheid. Deze “tussenbeslissing” is des te meer onwettig omdat ze steunt op een onregelmatig intern onderzoek. 26. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker de stelling van de verwerende partij dat de aanwezigheid van de stafchef van de KSOO zijn recht van verdediging zou hebben gewaarborgd of versterkt. Hij merkt op dat hij door de betrokkene werd geïnterpelleerd tijdens de hoorzitting, dat de korpscommandant te kennen heeft gegeven dat de beslissing alleen van hem uitging en dat een hiërarchisch ondergeschikte de partijdigheid van de korpscommandant niet kan verhelpen en geen bijkomende waarborg is voor het recht van verdediging. Voorts wijst verzoeker erop dat het gegeven dat de commandant zijn beslissing meteen heeft genomen genoegzaam blijkt uit het proces-verbaal waarin geen onderbreking op het einde van de hoorzitting wordt vermeld. IX-9682-17/34 27. Verzoeker stelt in zijn laatste memorie dat het recht van verdediging de openbare orde raakt zodat een eventuele tekortkoming aan de stelplicht kan worden opgevangen door de Raad van State. Verzoeker meent bovendien dat de grief in verband met de schending van het recht van verdediging duidelijk is aangevoerd in het verzoekschrift en hij verwijst ter staving naar enkele uittreksels. Voorts wijst verzoeker erop dat het Grondwettelijk Hof in arrest nr. 4/2001 van 25 januari 2001 besloot tot de ongrondwettigheid van de “verplichting tot waarheid”-clausule in politionele tuchtzaken. Volgens verzoeker valt het niet in te zien waarom men militairen, die net zoals de geïntegreerde politiediensten behoren tot de “Gewapende macht”, een fundamentele procedurele waarborg mag ontzeggen die de personeelsleden van de geïntegreerde politiediensten wel hebben. De argumentatie van de verwerende partij dat hij zich heeft kunnen verdedigen ook al werd hij verplicht om de waarheid te spreken, acht verzoeker ongegrond. Hij wijst erop dat het recht van verdediging ondeelbaar is en niet kunstmatig kan worden opgesplitst. Dat hij, na op bevel de waarheid te hebben meegedeeld, vrij was om in zijn verdediging toe te lichten wat hij nog zinvol vond, maakt de schending van het recht van verdediging en artikel 6 EVRM niet goed. De verwerende partij gaat daarbij volgens verzoeker ook ten onrechte vlot voorbij aan de herkwalificatie van de aan verzoeker opgelegde tuchtprocedure als een autonome strafvervolging in de zin van artikel 6 EVRM. Het verbod van een verplichting tot het spreken van de waarheid en tot het correct beantwoorden van de vragen in een tuchtprocedure behoort tot de waarborgen van het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld en de artikelen 6 EVRM en 14 van het Internationaal Verdrag van 19 december 1966 ‘inzake burgerrechten en politieke rechten’ (IVBPR), die in casu ook van toepassing zijn. IX-9682-18/34 Voorts stelt verzoeker dat hij de aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en het vermoeden van onschuld duidelijk heeft uiteengezet, met dien verstande dat artikel 6 EVRM het recht van verdediging als het ware bevestigt en bestendigt. Bovendien houdt de grief van de schending van het recht van verdediging verband met de openbare orde en is het niet anders voor de grief van de schending van artikel 6 EVRM en het onpartijdigheidsbeginsel. Een eventuele tekortkoming aan de stelplicht dienaangaande kan worden opgevangen door de Raad van State, die de grief ook zelf moet opwerpen. Verzoeker merkt nog op dat als verzwarende omstandigheid geldt dat interferenties met de strafvervolging niet waren uitgesloten. Het openbaar ministerie kon de documenten van de militaire overheid aanwenden bij de strafvervolging. Bovendien heeft de verwerende partij, na verzoeker te hebben verplicht de waarheid te zeggen in zijn verklaringen en verhoren, deze documenten bezorgd aan de burgerlijke partij. Tot slot benadrukt verzoeker dat de commandant van de KSOO onmiddellijk bij het beëindigen van het verhoor op 9 maart 2018 zijn conclusie heeft meegedeeld. Beoordeling 28.1. In de eerste plaats voert verzoeker de schending aan van het vermoeden van onschuld, het onpartijdigheidsbeginsel, het recht van verdediging en de hoorplicht met betrekking tot de “aanvang van de hoorzitting”. 28.2. In zijn toelichting daarbij komt verzoeker niet meer terug op de aangevoerde schending van het onpartijdigheidsbeginsel en de hoorplicht. Hij verduidelijkt op geen enkele wijze hoe deze beginselen, naar zijn oordeel, bij de aanvang van de hoorzitting zijn geschonden. Aanvullingen in latere procedurestukken zijn laattijdig en kunnen dit gebrek niet verhelpen. In zoverre is de grief onontvankelijk. IX-9682-19/34 28.3. Verzoeker vermeldt de omstandigheid dat de commandant van de KSOO hem bij aanvang van de hoorzitting van 9 maart 2018 heeft aangemaand om de waarheid te spreken. Hij ziet hierin een schending van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld en verwerpt de verantwoording die de commandant hiervoor geeft. Daargelaten de vraag of de verantwoording die de commandant geeft voor zijn vraag om de waarheid te spreken al dan niet correct is, moet worden vastgesteld dat verzoeker in het middelonderdeel geenszins concreet uiteenzet hoe zijn recht van verdediging en het vermoeden van onschuld dan wel zijn geschonden. Terecht werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet specificeert op welke concrete wijze zijn recht van verdediging is geschonden. Even terecht merkt zij op dat verzoeker in de memorie van wederantwoord hierop in het geheel niet meer terugkomt. Met een loutere aanmaning om de waarheid te spreken, heeft de commandant van de KSOO geen standpunt ingenomen over verzoekers schuld, minstens licht verzoeker niet toe op welke wijze. Voorts blijkt dat verzoeker vrij zijn verdediging heeft kunnen voeren. Hij had zijn geschreven verweerschrift al aan de commandant bezorgd op 22 februari 2018, dus vóór de hoorzitting een aanvang nam. Op de hoorzitting werd verzoeker bijgestaan door een vakbondsafgevaardigde en heeft hij alles kunnen zeggen – of verzwijgen – om zijn versie van de waarheid te staven. Minstens zet verzoeker in het verzoekschrift niet uiteen op welke wijze, naar zijn oordeel, zijn recht om zijn verdediging vrij te voeren is ingeperkt en hij, bijvoorbeeld, de feiten niet heeft kunnen ontkennen of ze op een andere manier heeft kunnen voorstellen. In het proces-verbaal van de hoorzitting is te lezen dat verzoeker zijn verdediging on-middellijk overliet aan de vakbondsafgevaardigde, die in zijn tussenkomst voornamelijk overgaat tot “een weerlegging […] van het relaas der feiten” en de feiten “ten stelligste” ontkent. IX-9682-20/34 Op een verzoekende partij die zich beroept op de schending van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld rust een stelplicht en het valt dan ook aan verzoeker toe om in concreto aan te tonen op welke wijze het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld zijn miskend door een loutere aanmaning vanwege de ondervrager om de waarheid te spreken. Dit doet verzoeker niet. In zoverre de schending wordt aangevoerd van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld is het middelonderdeel eveneens onontvankelijk. 28.4. Voor zover verzoeker in verband met deze grief in de laatste memorie nog de schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR aanvoert, is deze argumentatie laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 29. Met betrekking tot de “slotconclusie” van de hoorzitting voert verzoeker aan dat het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld, het onpartijdigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 6 EVRM zijn geschonden doordat de commandant onmiddellijk na de hoorzitting van 9 maart 2018 heeft besloten om zijn intentie niet te wijzigen en het voorstel om verzoeker van ambtswege te ontslaan aan de minister te verzenden. Daargelaten de vraag of de slotconclusie meteen na de hoorzitting is meegedeeld, dan wel na een beraadslaging van dertig minuten in afwezigheid van verzoeker en zijn raadsman zoals de verwerende partij stelt, moet opnieuw worden vastgesteld dat verzoeker geenszins verduidelijkt waarom en op welke manier deze handelwijze het recht van verdediging, het vermoeden van onschuld, het onpartijdigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 6 EVRM schendt. De Raad van State ziet ook niet spontaan in waarom het beweerde onmiddellijk meedelen van de conclusie ipso facto een schending van de aangehaalde beginselen en bepaling zou inhouden. Verzoeker schiet andermaal tekort aan zijn stelplicht. Ook deze grief is derhalve onontvankelijk. IX-9682-21/34 30. Wat verzoeker schrijft onder punt VI.6.5 is geheel onontvankelijk. IX-9682-22/34 f. vijfde grief Uiteenzetting door verzoeker 31. In punt VI.6.6 schrijft verzoeker dat de eerste bestreden beslissing onregelmatig en onwettig is omdat ze steunt op een onregelmatige en onwettige procedure. Hij verwijst daarbij naar het intern onderzoek en de hoorzitting van 9 maart 2018 die volgens hem onregelmatig en onwettig zijn verlopen. Voorts voert verzoeker de schending aan van het recht van verdediging omdat hem een zwaardere straf is opgelegd omwille van de wijze waarop hij zijn verdediging heeft gevoerd. Hij argumenteert dat de minister van Defensie met de overweging “weigert de ernst van zijn daden toe te geven” in de eerste bestreden beslissing hem de wijze verwijt waarop hij zijn verdediging heeft gevoerd en dit gegeven vervolgens mee in aanmerking neemt om de bestreden tuchtstraf op te leggen. 32. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker met verwijzing naar artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1991 dat de minister van Defensie naast de verbreking van de dienstneming ook daarvan kan afzien, ook al acht hij de feiten bewezen. Zijn bevoegdheid is dus niet gebonden. De overheid kan bovendien ook kiezen voor de sanctie van de kleine tucht, zoals gebeurd is voor zijn collega’s. Het motief “weigert de ernst van zijn daden toe te geven” is dan ook geenszins overtollig, maar doorslaggevend voor de keuze van de tuchtstraf. Met verwijzing naar arrest nr. 56/2020 van 23 april 2020 van het Grondwettelijk Hof argumenteert verzoeker dat aannemen dat de minister geen andere keuze had dan de dienstneming te verbreken of daarvan af te zien, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet juncto het beginsel van de individualisering van de sancties. Volgens verzoeker moet artikel 11 van het IX-9682-23/34 koninklijk besluit van 13 november 1991 alvast zo worden gelezen dat het de minister ook toelaat om uitstel te verlenen. Beoordeling 33. Bij de beoordeling van de voorgaande grieven is vastgesteld dat verzoeker er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat het intern onderzoek en de hoorzitting van 9 maart 2018 onregelmatig en onwettig zijn verlopen. Verzoeker voert in het kader van deze grief geen nieuwe argumenten aan die de onwettigheid van het intern onderzoek en de hoorzitting kunnen aantonen. Zijn grief dat de bestreden beslissing onwettig is omdat ze steunt op een intern onderzoek en een hoorzitting die onwettig zijn, moet dan ook worden verworpen. 34.1. De motivering “In feite” van de bestreden beslissing luidt: “Betrokkene werd aangeduid als spilfiguur van verbale en non-verbale gewelden. Op basis van een intern onderzoek, verklaringen en getuigenissen worden de feiten voldoende bewezen geacht. Betrokkene brengt in zijn verweer geen enkel nieuw element aan dat de feiten weerlegt en weigert de ernst van zijn daden toe te geven. Deze feiten zijn onverenigbaar met de staat van kandidaat-beroepsonderofficier. De dienstneming, ondertekend op 16 Aug 16 wordt van ambtswege verbroken.” 34.2. Indien de korpscommandant vaststelt dat een kandidaat zich aan ernstige, met zijn staat van militair niet overeen te brengen, feiten schuldig heeft gemaakt, kan hij de procedure tot verbreking van de dienstneming starten. Betreft het, zoals in casu, een kandidaat die minder dan twee jaar dienst heeft volbracht, stuurt hij daartoe aan de minister een voorstel tot verbreking van de dienstneming. De minister kan vervolgens overeenkomstig artikel 12, § 5, van het koninklijk besluit van 13 november 1991 de dienstneming verbreken of hij kan daarvan afzien. Het is het ene of het andere. Voor zover verzoeker aanvoert dat een zwaardere tuchtstraf is opgelegd omwille van de wijze waarop hij zijn verdediging heeft gevoerd, faalt het middelonderdeel derhalve naar recht. Indien IX-9682-24/34 de minister, zoals in casu, van oordeel is dat de ten laste gelegde feiten bewezen zijn en dat die feiten “onverenigbaar [zijn] met de staat van kandidaat- beroepsonderofficier”, dan volstaat dit als verantwoording voor de verbreking van de dienstneming. Het gegeven dat verzoeker weigert de ernst van zijn daden toe te geven is slechts een vaststelling, hoogstens een overtollig motief. Dat de minister over een discretionaire bevoegdheid beschikt, doet niet anders besluiten. 35. Wat verzoeker aanbrengt onder punt VI.6.6 is niet gegrond. g. zesde grief Uiteenzetting door verzoeker 36. Een zesde grief – punt VI.6.7 – luidt ‘Schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR’. Verzoeker voert aan dat de feiten die hem ten laste worden gelegd “naar nationaal recht een strafrechtelijke kwalificatie hebben”. Artikel 6 EVRM is bijgevolg van toepassing “wat de eindbeoordeling van de tuchtoverheid hierover uiteindelijk oplevert in de ‘kleine’ en/of ‘grote’ tucht”. Sancties in de ‘kleine tucht’ kunnen leiden tot vrijheidsberoving of -beperking “en de artikelen 5 en 6 EVRM en de artikelen 9 en 14 IVBPR beheersen hoe dan ook de ‘kleine tucht’”. Het voorafgaand intern onderzoek kan zonder enige beperking uitmonden in de kleine of de grote tucht. Bovendien kunnen sancties van kleine en grote tucht worden gecumuleerd. Bijgevolg moet van bij de aanvang van de administratieve of tuchtrechtelijke procedure de militair de waarborgen van artikel 6 EVRM genieten, ook al lijkt artikel 6 EVRM niet van toepassing te zijn op een procedure van grote tucht. Elk verhoor en elke daad van intern onderzoek kan ook worden aangewend in de kleine tucht waardoor de militair een vrijheidsbeperkende of vrijheidsberovende straf kan oplopen. De “kleine tucht doorlopen” is geen theoretische overweging. In het kader van de voorliggende feiten kregen zes kandidaten twee dagen licht arrest en een IX-9682-25/34 kandidaat twee dagen zwaar arrest. Artikel 6 EVRM is daarom van toepassing vanaf de eerste ondervraging. De in de voorgaande middelonderdelen aangetoonde schending van het recht van verdediging houdt ook de schending in van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. 37. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de onregelmatigheden en onwettigheden van het intern onderzoek de eindbeslissing vitiëren, “met hierbij ook de schending van artikel 6 EVRM”. Verzoeker verwijst naar zijn betoog in de voorgaande middelonderdelen dat er tijdens het intern onderzoek geen proces-verbaal is opgesteld, dat de wet Salduz is miskend, dat de kandidaten werden verplicht om de waarheid te zeggen en dat zij niet werden verwittigd over de feiten waarover zij werden verhoord. Dat de betwisting nu ook aan de Raad van State kan worden voorgelegd, maakt de schending van artikel 6 EVRM niet goed. 38. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat hij de schending van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging duidelijk heeft aangevoerd. Bovendien raakt de schending van het recht van verdediging de openbare orde en is het niet anders voor de schending van het strafprocesrechtelijk aspect van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, dat het recht van verdediging bevestigt en bestendigt. Een eventuele tekortkoming aan de stelplicht kan worden opgevangen door de Raad van State. Voorts stelt verzoeker dat weliswaar enkel aan collega’s een militaire tuchtstraf van de kleine tucht werd opgelegd, maar dat dit gebeurd is in het kader van hetzelfde dossier waarin het bestuur na een en hetzelfde onderzoek verschillende wegen heeft bewandeld wat betreft de finale straffen. Een straf van de kleine tucht was dus ook mogelijk ten aanzien van verzoeker. De toepasbaarheid van artikel 6 EVRM wordt steeds bepaald door de straf die verzoeker kon oplopen en niet enkel door de straf die verzoeker heeft gekregen. De omstandigheid dat verzoeker geen militaire tuchtstraf werd opgelegd, is dan IX-9682-26/34 ook geen geldige reden om te besluiten dat het middelonderdeel onontvankelijk zou zijn. Beoordeling 39. Nog afgezien van de vaststelling dat verzoeker geen sanctie in de kleine tucht werd opgelegd en eveneens buiten beschouwing latend dat het intern onderzoek bedoeld is om inlichtingen te verzamelen voorafgaand aan de eigenlijke statutaire procedure, moet worden vastgesteld dat verzoeker zijn uiteenzetting van punt VI.6.7 wijdt aan een betoog dat artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR van toepassing zijn. Zonder dat moet worden nagegaan of die stelling correct is, blijft het zo dat verzoeker met geen woord nader toelicht hoe die bepalingen naar zijn oordeel dan wel zijn geschonden. Verzoeker stelt enkel dat de in de voorgaande middelonderdelen aangetoonde schending van het recht van verdediging ook de schending inhoudt van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR. Hij verduidelijkt op geen enkele wijze waarom die beweerde schending van het recht van verdediging ook een schending van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR impliceert. Bovendien is hiervóór gebleken dat verzoeker geen schending van het recht van verdediging heeft aangetoond. 40. In zoverre verzoeker in zijn laatste memorie gewag maakt van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, moet worden opgemerkt dat hij in dit middelonderdeel in het inleidend verzoekschrift niet de schending van deze beginselen heeft aangevoerd. Voor het eerst aangevoerd in de laatste memorie is deze argumentatie laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 41. De zesde grief is onontvankelijk. h. zevende grief IX-9682-27/34 Uiteenzetting door verzoeker 42. In punt VI.6.8 vermeldt verzoeker de schending “van het recht van verdediging en van de formele motivering-plicht”. Nadat hij eerst overheen enkele bladzijden feiten in herinnering brengt, schrijft verzoeker dat de beslissing van de commandant van de KSOO van 9 maart 2018 om het voorstel tot ontslag van ambtswege te behouden slechts een “summiere formele motivering” bevat die “noch afdoende noch wettig” is. De korpscommandant toont niet aan dat hij alle gegevens terdege heeft afgewogen, wat nochtans vereist was wegens de grote impact op verzoekers rechtstoestand. De korpscommandant motiveert bovendien dat er sprake is van “ernstig en aanhoudend verbaal en non-verbaal pestgedrag” zonder nader te verduidelijken wat deze vage omschrijving inhoudt. Tot slot motiveert de korpscommandant niet, of minstens niet afdoende, waarom verzoekers omstandig verweer wordt afgewezen. De korpscommandant miskent derhalve het recht van verdediging en de formelemotiveringsplicht. Hij volhardt daarbij in de schending van het onpartijdigheidsbeginsel aangezien hij op 13 februari 2018 en 19 februari 2018 reeds had besloten dat verzoeker schuldig was. Voorts voert verzoeker aan dat de minister van Defensie eveneens het recht van verdediging en de formelemotiveringsplicht schendt. Hij neemt de onwettigheden van het voorstel van de commandant van de KSOO impliciet over en stelt slechts summier dat verzoeker geen enkel nieuw element aanbrengt dat de feiten weerlegt. Ook de minister toont dus niet dat hij alle gegevens heeft afgewogen. Hij houdt het impliciet bij een “ernstig en aanhoudend verbaal en non-verbaal pestgedrag” zonder nader te verduidelijken wat dit volgens hem inhoudt. Ook de minister motiveert niet, of minstens niet afdoende, “waarom precies hij verzoekers verweer (impliciet) afwijst”. Beoordeling IX-9682-28/34 43. Hiervóór is reeds vastgesteld dat verzoeker geen schending van het onpartijdigheidsbeginsel door de korpscommandant aannemelijk maakt. Wat verzoeker schrijft in punt VI.6.8 voegt niets toe dat tot een aanvullende beoordeling zou nopen. 44. In tussenarrest nr. 248.187 van 28 augustus 2020 is vastgesteld dat in het proces-verbaal van 9 maart 2018 en in de eerste bestreden beslissing het verweer van verzoeker afdoende is beantwoord. De verwerende partij oordeelt dat verzoekers verweer niet van aard is om de bewezen feiten te weerleggen en het volstaat dan dat de verwerende partij verwijst naar de determinerende reden die haar beslissing verantwoordt, zijnde de vaststelling dat verzoeker de spilfiguur is van “verbale en non-verbale gewelden” en dat “de feiten voldoende bewezen [worden] geacht”, alsook dat verzoeker “in elk geval” anders had kunnen en moeten reageren. 45. Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker niet verduidelijkt welke gegevens de verwerende partij niet in aanmerking zou hebben genomen. Verzoeker meent ook ten onrechte dat de verwerende partij zou moeten verwoorden wat zij verstaat onder “ernstig en aanhoudend verbaal en non-verbaal pestgedrag” en “verbale en non-verbale gewelden”. De formelemotiveringsplicht reikt niet zover – de woorden ‘ernstig’, ‘aanhoudend’, ‘verbaal’, ‘non-verbaal’ en ‘pestgedrag’ behoren tot het courante taalgebruik en ze kunnen door wie ze niet kent opgezocht worden in elk verklarend woordenboek. Verzoeker kan zich aan de hand van die omschrijving van de tuchtfeiten verweren indien hij denkt dat de tenlastelegging zonder rechtens vereiste feitelijke grondslag is, wat evenwel geen zaak is van formele-, maar wel van materiëlemotiveringsplicht. 46. De grief is niet gegrond. i. achtste grief IX-9682-29/34 Vooraf 47. Punt VI.6.9 luidt ‘Schending van redelijkheidsbeginsel, motivering-plicht en recht van verdediging’. Het is in tussenarrest nr. 248.187 van 28 augustus 2020 onontvankelijk bevonden wat de schending van de materiëlemotiveringsplicht betreft en ongegrond wat de schending van de formelemotiveringsplicht betreft. Uiteenzetting door verzoeker 48. Verzoeker voert aan dat zelfs indien de feiten bewezen zouden zijn, de opgelegde tuchtstraf onredelijk is doordat hij wordt gestraft voor gedragingen die bepaalde kaderleden hebben getolereerd of aangemoedigd en als aanneembaar hebben voorgesteld. Hij acht het redelijkheidsbeginsel bovendien des te meer geschonden doordat de minister de interne en externe mutaties van kaderleden die schuldig werden geacht aan de vastgestelde feiten niet bij zijn besluitvorming heeft betrokken. 49. Voor zover de verwerende partij opmerkt dat verzoeker slechts enkele maanden het statuut van een kandidaat-beroepsonderofficier had, repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord dat dit des te meer verantwoordt dat de verwerende partij wel rekening had moeten houden met de wijze waarop het kader peloton B40 heeft geleid. 50. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker met verwijzing naar artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1991 dat de minister van Defensie naast de verbreking van de dienstneming ook daarvan kan afzien, ook al acht hij de feiten bewezen. Zijn bevoegdheid is dus niet gebonden. De overheid kan bovendien ook kiezen voor een sanctie van de kleine tucht. Met verwijzing naar arrest nr. 56/2020 van 23 april 2020 van het Grondwettelijk Hof argumenteert verzoeker dat aannemen dat de minister IX-9682-30/34 geen andere keuze had dan de dienstneming te verbreken of daarvan af te zien in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet juncto het beginsel van de individualisering van de sancties. Volgens verzoeker moet artikel 11 van het koninklijk besluit van 13 november 1991 alvast zo worden gelezen dat het de minister ook toelaat om uitstel te verlenen. Beoordeling 51. Een schending van het redelijkheidsbeginsel veronderstelt dat de overheid bij het nemen van haar beslissing de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Van een schending van het redelijkheidsbeginsel kan slechts sprake zijn wanneer een beslissing, waarvan is vastgesteld dat ze berust op deugdelijke grondslagen, inhoudelijk dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon of, nog, wanneer er een zodanige wanverhouding bestaat tussen die motieven en de inhoud van de beslissing, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot die besluitvorming zou komen of die beslissing zou nemen. 52. Verzoeker poogt de onredelijkheid van de beslissing aan te tonen door te wijzen op de rol die bepaalde kaderleden hebben gespeeld bij de feiten en die omwille van hun nalatigheid werden gemuteerd. Dit belet echter niet dat de feiten in hoofde van verzoeker voor bewezen zijn gehouden en dat deze feiten de verbreking van de dienstneming in feite en in rechte kunnen verantwoorden. Dat dit mogelijk een streng oordeel is, maakt de opgelegde tuchtstraf nog niet onredelijk in die zin dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot dezelfde besluitvorming zou komen. Dat verzoeker zonder concrete toelichting als een mantra ook het “recht van verdediging” geschonden noemt, doet niet anders besluiten. IX-9682-31/34 53. De grief, voor zover ontvankelijk, is niet gegrond. j. besluit 54. Bij gebrek aan enige gegronde grief moet het tweede middel worden verworpen. V. Onderzoek van het beroep in zoverre het gericht is tegen de tweede bestreden beslissing 55. Nu is vastgesteld dat het tweede middel ongegrond is en dat het beroep gericht tegen de eerste bestreden beslissing dus moet worden verworpen, is de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf definitief geworden en komt daarmee ook de morele afkeuring die de tuchtstraf inhoudt definitief vast te staan. In dat geval kan de vernietiging van alleen de preventieve verwijdering verzoeker geen voordeel bieden, zoals is toegelicht in het tussenarrest. 56. Verzoeker heeft geen belang bij het beroep gericht tegen de tweede bestreden beslissing. De in het eerste middel tegen die beslissing aangevoerde grieven behoeven dan ook geen onderzoek. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9682-32/34 IX-9682-33/34 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9682-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.661 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div