id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.707 Rolnummer: A. 231576/VII-40902 Zaak: Arrest 252707 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 20/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-03 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 06:02 Fiche Arrest nr 252.707 van 20 januari 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 252.707 van 20 januari 2022 in de zaak A. 231.576/VII-40.902 In zake : de vennootschap naar Turks recht TURISTIK HAVA TASIMACILIK A.S. h.o.d.n. CORENDON AIRLINES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Malherbe kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 65 bus 11 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Benno Simon Friedberg kantoor houdend te 1075 EE Amsterdam Koninginneweg 160 tegen : het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Tulkens kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 20 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 13 juli 2020 houdende uitspraak over het beroep tegen de alternatieve administratieve geldboete, opgelegd door de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel voor inbreuken op het besluit van 27 mei 1999 betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door luchtverkeer, waarbij de administratieve geldboete wordt bevestigd met herleiding van het boetebedrag. VII-40.902-1/17 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 11 februari 2021 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Bij arrest nr. 251.130 van 29 juni 2021 heropent de Raad van State het debat en wordt de zaak voortgezet volgens de gewone rechtspleging. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niels Bakker, die loco advocaten Philippe Malherbe en Benno Simon Friedberg verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Laure Proost, die loco advocaat François Tulkens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. VII-40.902-2/17 III. Feiten 3. Op 28 juni 2018, 20 augustus 2018, 18 september 2018 en 4 oktober 2018 stellen ambtenaren van Leefmilieu Brussel proces-verbaal op ten laste van de verzoekende partij, wegens schending van artikel 20, 4°, van de ordonnantie van 17 juli 1997 ‘betreffende de strijd tegen geluidshinder in een stedelijke omgeving’ en niet-naleving van de grenswaarden voor het geluid van vliegtuigen, vastgelegd bij artikel 2 van het besluit van 27 mei 1999 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering ‘betreffende de bestrijding van geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer’ (hierna: besluit van 27 mei 1999). Er worden 31 inbreuken, respectievelijk op 3, 7, 8, 15, 17, 19, 20, 21, 23, 26, 29 mei, 4, 10, 12, 13, 23, 28, 30 juni, 11, 18, 25, 26 juli, 2 en 6 augustus 2018 vastgesteld op het besluit van 27 mei 1999. De inbreuken worden omstandig omschreven in de meetverslagen die deel uitmaken van de processen-verbaal waarin de gegevens over de meetstations (meetmethode, meetvoorwaarden, kenmerken van meetapparaten) omstandig worden toegelicht. 4. De processen-verbaal worden door Leefmilieu Brussel bezorgd aan de verzoekende partij en aan de Procureur des Konings met aan deze laatste het verzoek Leefmilieu Brussel te informeren over het gevolg dat aan het dossier zal worden gegeven. De Procureur des Konings beslist, respectievelijk op 27 juli 2018, 18 september 2018, 27 september 2018 en 31 oktober 2018, om de vastgestelde inbreuken niet strafrechtelijk te vervolgen en het dossier te bezorgen aan het bestuur dat bevoegd is voor het opleggen van een alternatieve administratieve geldboete. 5. Met een aangetekende brief van 1 juli 2019 informeert Leefmilieu Brussel de verzoekende partij over het feit dat de Procureur des Konings beslist heeft geen strafvervolging in te stellen en over haar voornemen om een alternatieve administratieve geldboete op te leggen en nodigt zij de verzoekende partij uit om haar verweer schriftelijk of mondeling voor te leggen. VII-40.902-3/17 De verzoekende partij deelt bij aangetekende brief van 12 september 2019 mee dat haar verweer zich richt op “een tweetal hoofdpunten”, meer bepaald dat de gebruikte geluidsmeetpunten “niet in overeenstemming [zijn] met de manier waarop geluid wordt gemeten” en dat zij “zich in alle gevallen gehouden” heeft aan de haar opgedragen vliegroute en alle haar opgedragen “(vlieg)instructies [heeft] opgevolgd en correct [heeft] uitgevoerd” zodat zij niet kan beboet worden “wegens vermeende overtreding van de geluidsnormen”. De verzoekende partij stelt nog dat in de beroepen beslissing van Leefmilieu Brussel “niet of nauwelijks overwegingen worden gewijd aan de vraag of en zo nee, waarom deze verdedigingsmiddelen niet opgaan”. Zij argumenteert nog aan de hand van een milieueffectenstudie van 2019 van studiebureau Envisa over de meetpunten en de locaties van de meetpunten. Zij stelt dat het huidige boetebeleid in strijd is met de Europese regelgeving, dat de boetes het gevolg zijn van het “ondoorzichtige, arbitraire, ongecoördineerde, versnipperde en partijdige karakter” van regelgeving die “niet de juridische basis [kan of mag] vormen” om boetes op te leggen. Zij vraagt nog “in de gelegenheid te worden gesteld om op de ingediende middelen waarvan beroep te worden gehoord”. De verzoekende partij wordt op 30 september 2019 gehoord door Leefmilieu Brussel. Een door de verzoekende partij mede-ondertekend proces-verbaal van verhoor wordt opgesteld. In haar schriftelijke “spreekaantekeningen” stelt de verzoekende partij het teleurstellend te vinden dat de beslissingen van Leefmilieu Brussel “standaardbeslissingen zijn waarin op geen enkele wijze wordt ingegaan door de door Corendon Airlines aangevoerde verweren en op geen enkele wijze wordt gemotiveerd waarom deze verweren niet opgaan”. Zij haalt een milieueffectenstudie van studiebureau Envisa aan waaruit blijkt “dat de plaatsing en het gebruik van de meetpunten arbitrair, veelal politiek gekleurd en zonder deugdelijke - internationaal gangbaar en geaccepteerde - basis” is en “geen juridisch houdbaar draagvlak kan vormen voor het opleggen van boetes”. Zij stelt dat het “gehele systeem” neerkomt “op een feitelijke lawaaigerelateerde operationele beperking” en in strijd is “met het huidige Europees Recht”. Zij besluit dat “het huidige stelsel omtrent de meetpunten van geluidsoverlast, het karakter van het boeteregime, de onmogelijkheid om binnen de geluidsnormen te blijven en de feitelijke operationele beperking die Corendon VII-40.902-4/17 ondervindt ten aanzien van de luchthaven Brussel ertoe leiden dat haar geen boetes kunnen c.q. behoren te worden opgelegd”. 6. Met een beslissing van 27 november 2019 legt de leidend ambtenaar van Leefmilieu Brussel een administratieve geldboete van 17.753 euro op aan de verzoekende partij met -samengevat- de overwegingen dat: - de meetmethode, de meetvoorwaarden en de kenmerken van meetapparaten conform zijn aan de geldende wetgeving; - de betrouwbaarheid van de meting op realistische wijze is gegarandeerd; - de studie van Envisa geen element aantoont “dat de wetgeving omtrent geluidshinder voortgebracht door het luchtverkeer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en haar toepassing, in casu, ongeldig zou maken”; - inbreuken op de geluidsnormen niet veroorzaakt worden door het naleven van de vliegroutes, procedures en instructies van de overheden maar door het gedrag van de piloten; - de inbreuken vaststaan, het bedrag van de alternatieve administratieve geldboete gerechtvaardigd en passend is. 7. Bij aangetekend schrijven van 16 januari 2020 stelt de verzoekende partij bij het Milieucollege administratief beroep in tegen deze beslissing. Zij stelt daarin dat haar verdediging zich richt op “een tweetal hoofdpunten”: - de gebruikte meetpunten zijn niet in overeenstemming met de manier waarop geluid wordt gemeten, - door zich te houden aan de opgedragen vliegroutes en (vlieg)instructies kan het niet zijn dat “aan haar een boete kan worden opgelegd wegens vermeende overtreding van de geluidsnormen”. De verzoekende partij stelt nog dat in de beroepen beslissing van Leefmilieu Brussel “niet of nauwelijks overwegingen worden gewijd aan de vraag of en zo nee, waarom deze verdedigingsmiddelen niet opgaan”. Zij argumenteert nog aan de hand van een milieueffectenstudie van 2019 van studiebureau Envisa over de meetpunten en de locaties van de VII-40.902-5/17 meetpunten. Zij stelt dat de meetpunten “geen deugdelijke juridische basis” kunnen vormen voor het opleggen van sancties als gevolg van het overtreden van de geluidsnormen, dat het huidige boetebeleid in strijd is met de Europese regelgeving en dat de opgelegde boetes het gevolg zijn van het “ondoorzichtige, arbitraire, ongecoördineerde, versnipperde en partijdige karakter van de regelgeving”. Zij besluit “dat de aan haar opgelegde boetes niet in stand kunnen blijven” en verzoekt haar geen boete op te leggen. Met een e-mail van 16 maart 2020 vraagt het Milieucollege bijkomende documenten aan Leefmilieu Brussel met betrekking tot de geluidsmetingen van bepaalde meetstations. Het college ontvangt de gevraagde informatie nog dezelfde dag. Tijdens de zitting van 29 juni 2020 maakt de verzoekende partij opnieuw “spreekaantekeningen” over. 8. Bij besluit van 13 juli 2020 bevestigt het Milieucollege de beslissing van Leefmilieu Brussel van 27 november 2019, maar herleidt het de alternatieve administratieve geldboete naar een bedrag van 15.955 euro. Dit is de bestreden beslissing waarin de grieven van de verzoekende partij gesteund op “wettig bevel en onoverwinnelijke dwaling” (2.1), “ENVISA studie met betrekking tot de meetpunten” (2.2) en “ENVISA studie met betrekking tot de wetgeving inzake geluidshinder” (2.3) met redenen worden afgewezen: “(2.1) […] Het besluit van 27 mei 1999 voert immissienormen in. Dit zijn normen waarbij de band tussen de oorzaak en het gevolg per definitie een marge aan moeilijk in te schatten factoren inhoudt. De verzoekster toont niet aan dat zij onmogelijk de gestelde normen kan naleven. Zoals ook het Hof van Beroep van Brussel in zijn arrest van 9 juni 2005 en de Raad van State nog recent in haar arrest nr. 241.598 van 24 mei 2018 opmerkten, stelt het Milieucollege vast dat andere vliegtuigen die de luchthaven van Brussel-Nationaal aandoen de gewestelijke geluidsnormen wel naleven. VII-40.902-6/17 De verzoekster voert in haar beroepsverzoekschrift voor het Milieucollege geen concrete argumenten aan die aanleiding zouden moeten geven tot rechtvaardiging. In dit geval bewijst zij niet dat de vliegroutes, -procedures en -instructies van de Belgische Staat, BAC en SKEYES de overschrijding door haar vliegtuigen begaan onafwendbaar maakte, noch dat zij als verzachtende omstandigheid zouden moeten worden aangenomen. Evenmin voert zij ten aanzien van de overtredingen concreet enige noodtoestand of wettig verzet aan. Het middel is derhalve ongegrond. (2.2) […] In eerste instantie past het er op te wijzen dat het eerste hoofdstuk van de studie door ENVISA waarnaar de verzoekster verwijst niet definitief werd opgeleverd, noch gevalideerd. Het meetnet van NMT’s in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft niet als doelstelling om metingen voor geluidscertificatie te verrichten, maar wel om de reële hinder van vliegtuiglawaai voor de bevolking voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te meten en desgevallend te sanctioneren. De locatie en de inplanting van NMT’s zijn conform het besluit van 21 november 2002. Het past ook erop te wijzen dat de stelling uit het ENVISA rapport dat de selectie van NMT’s ‘politiek’ zou zijn gebeurd (p. 43 van het rapport) betrekking heeft op de plaatsing van de NMT’s in de onmiddellijke omgeving van de luchthaven van Brussel-Nationaal in het kader van ‘geluidscontrole en trajectbehoud’ (NTK), en niet op het meetnet in het kader van de bescherming van de bevolking tegen geluidsoverlast veroorzaakt door vliegtuigen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het middel is derhalve ongegrond. (2.3) […] Het is correct dat de bevoegdheid inzake de bescherming van het leefmilieu in België door de grondwetgever en de bijzondere wetgever werd gedelegeerd aan de gewesten. Het is vanuit deze bevoegdheid dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest haar regelgeving inzake de bestrijding van de geluidshinder, voortgebracht door het luchtverkeer, heeft uitgevaardigd met als bedoeling de hinder voor de Brusselse bevolking te beperken. Deze normen werden gebaseerd op studiewerk en op de aanbevelingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) ter zake, aanbevelingen die recent nog door de WGO werden aangescherpt. Het komt het Milieucollege, in haar hoedanigheid van administratief rechtscollege, niet toe de institutionele indeling van het federale België en de bevoegdheidsverdelende regels, noch de wettelijke bepalingen te beoordelen waarvan het geacht wordt de uitvoering te doen naleven. De EU verordening waarnaar de verzoekster verwijst (Verordening (EU) Nr. 598/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014) heeft geen terugwerkende kracht en dus ook geen uitwerking op de Brusselse regelgeving waarvan sprake. Artikel 14 van dezelfde verordening stelt ten andere expliciet: ‘Geluidsgerelateerde exploitatiebeperkingen die werden ingevoerd vóór 13 juni 2016 blijven geldig totdat de bevoegde instanties besluiten deze te herzien overeenkomstig deze verordening.’ VII-40.902-7/17 In de mate dat de verzoekster de wettigheid van de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in voege zijnde regelgeving inzake geluidshinder veroorzaakt door vliegtuigen en de juridische basis die zij vormt om boetes op te leggen betwist, komt dit erop neer dat aan het Milieucollege wordt gevraagd toepassing te maken van artikel 159 van de Grondwet. Het Milieucollege is echter een administratief rechtscollege. Het komt het Milieucollege in deze hoedanigheid niet toe te oordelen over de wettigheid of toepasbaarheid van de regelgeving waarvan het wordt geacht de naleving te beoordelen. Wat betreft de impact van de weersomstandigheid is het gepast eraan te herinneren dat het besluit van 27 mei 1999 immissienormen invoert, een type norm waarbij de link tussen de bron en het effect per definitie een marge van moeilijk in te schatten factoren bevat (externe factoren die het emissieniveau marginaal kunnen beïnvloeden), zoals weersomstandigheden zoals wind en neerslag. Om te voldoen aan de geluidsnormen, moeten luchtvaartmaatschappijen zich bewust zijn van deze moeilijk in te schatten factoren en, rekening houdende met deze factoren, het gedrag van hun vliegtuigen aanpassen (RvSt, arresten nr. 217.243 van 16 januari 2012, 11e blad, nr. 240.019 van 28 november 2017, nr. 241.602 van 24 mei 2018). Artikel 2 van het besluit van 27 mei 1999 bepaalt overigens dat de geluidsnormen moeten worden gerespecteerd ‘ongeacht de weersomstandigheden’. Met andere woorden, luchtvaartmaatschappijen moeten een veiligheidsmarge ten opzichte van normen in hun gedrag opnemen, aangezien bepaalde externe factoren het immissieniveau marginaal kunnen beïnvloeden. Bovendien kan, voor zover nodig, worden opgemerkt dat de verzoekster in concreto zich niet beroept op uitzonderlijke weersomstandigheden die zich tijdens de betwiste vluchten zouden hebben voorgedaan en waarmee bij de beoordeling van het boetebedrag rekening zou moeten worden gehouden. Het middel is derhalve ongegrond”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen 9. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat “beide middelen onontvankelijk” zijn, wat ertoe leidt dat het beroep zelf onontvankelijk is. Zij zet uiteen dat het eerste middel waarin de “schending van rechten/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt” wordt aangevoerd, niet voldoet aan de vereiste van een voldoende VII-40.902-8/17 duidelijke omschrijving van de geschonden rechtsregel en bijgevolg onontvankelijk is. De “rechtspraak van [de Raad van State] verzet zich ertegen dat een verwerende partij -en vervolgens het Auditoraat en [de Raad van State]- de facto zelf zouden moeten nagaan welke concrete bepalingen de verzoekende partij inroept of geschonden acht. Het komt niet toe aan [de Raad van State] om een middel te construeren in de plaats van de verzoekende partij”. Zij werpt om dezelfde reden de onontvankelijkheid op van het tweede middel waarin de schending wordt aangevoerd “van recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich meebrengt” en van “de Europese Regelgeving”. Zij voegt toe dat in zoverre de verzoekende partij zou wensen te verwijzen naar richtlijn 2002/30/EG of naar verordening (EU) nr. 598/2014 “haar grief evenmin duidelijk [is], vermits de verzoekende partij in haar middel niet naar een specifieke bepaling ervan verwijst” en niet aangeeft “welke bepaling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.