, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 ‘houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage’ (hierna: project-mer-besluit), en artikel 37, § 2, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC- decreet). De deputatie betoogt: “Het enig middel van verzoekster ten aanzien van het bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft vooreerst betrekking op het onwettig motief in het bestreden arrest dat stelt dat een aan de aanvraag toe te voegen project-m.e.r.-screeningsnota bij aanvang aan de aanvraag moet worden toegevoegd en niet in graad van administratief beroep kan worden toegevoegd. Hier oordeelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen impliciet dat er door middel van een wijzigingsverzoek na het toepassen van de administratieve lus conform art. 13 OVD de omgevingsvergunningsaanvraag niet zou kunnen worden hersteld in graad van beroep. Daarnaast heeft het enig middel van verzoekster ten aanzien van het bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen betrekking op het onwettig motief in de bestreden beslissing dat de bevoegde overheid uitsluitend uitspraak kan doen over de project-m.e.r.-screeningsnota op het ogenblik van en als onderdeel van de beslissing over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag. Hierbij gaat de Raad er verkeerdelijk vanuit dat een project-m.e.r.-screeningsnota uitsluitend zou kunnen worden toegevoegd op het ogenblik van en als onderdeel van het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag en niet zou kunnen worden toegevoegd tijdens de fase ten gronde. Ten slotte heeft het enig middel van verzoekster ten aanzien van het bestreden arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen eveneens betrekking op het onwettig motief in de bestreden beslissing dat ervan uitgaat dat het ontbreken van een project-m.e.r.-screeningsnota tot gevolg heeft dat er in hoofde van de vergunningverlenende overheid een uitsluitend gebonden bevoegdheid bestaat om de vergunning te weigeren, zodat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich op basis van artikel 37, §2 DBRC-decreet in de plaats kan stellen”. VII-41.175-4/12 Zij licht toe dat het eerste middelonderdeel betrekking heeft op het oordeel in het bestreden arrest dat de bevoegdheid om te oordelen over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag en de beslissing of er een milieueffectenrapport moet worden opgesteld, uitdrukkelijk wordt toegewezen aan de bevoegde overheid in eerste administratieve aanleg. De deputatie leidt uit die beoordeling af dat de RvVb van oordeel is dat de vergunningsaanvraag niet in graad van administratief beroep kan worden hersteld, en dat in graad van administratief beroep de administratieve lus niet kan worden toegepast opdat de aanvraag vervolledigd kan worden. Dat oordeel is onwettig omdat uit de artikelen 19, 38 en 57 OVD volgt dat het onderzoek inzake de ontvankelijkheid en de volledigheid van de vergunningsaanvraag niet alleen toekomt aan de vergunningverlenende overheid in eerste administratieve aanleg, maar eveneens aan de vergunningverlenende overheid in graad van administratief beroep. De RvVb oordeelt bijgevolg ten onrechte dat de bevoegdheid om te oordelen over de ontvankelijkheid en de volledigheid van de aanvraag en de beslissing of er een milieueffectenrapport moet worden opgesteld, uitdrukkelijk wordt toegewezen aan de vergunningverlenende overheid in eerste administratieve aanleg. De verwijzing naar artikel 39 OVD is niet dienend voor het oordeel van de RvVb omdat artikel 39 OVD slechts van toepassing is voor zover er daadwerkelijk een project-mer- screeningsnota is gevoegd bij de aanvraag. Dat is te dezen evenwel niet het geval aangezien er bij de aanvraag geen project-m.e.r.-screeningsnota was gevoegd. Hetzelfde geldt voor zover de RvVb verwijst naar artikel 4.3.3, § 2, DABM en naar artikel 2, §
Deze bepalingen verwijzen in het algemeen naar de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag, maar niet naar de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg. De RvVb geeft dan ook een foutieve en te enge lezing aan deze bepalingen van het DABM en van het project-mer-besluit. Uit artikel 13 OVD blijkt duidelijk dat zowel de bevoegde overheid in eerste aanleg als in graad van administratief beroep een vastgestelde onregelmatigheid kan herstellen die kan leiden tot een vernietiging van de beslissing. De parlementaire voorbereiding bij het OVD geeft dit uitdrukkelijk aan voor het geval er geen project-m.e.r.-screeningsnota bij de vergunningsaanvraag werd gevoegd. Ook miskent het bestreden arrest het VII-41.175-5/12 devolutief karakter van het administratief beroep, zoals dat vervat zit in artikel 63 OVD. Dat artikel stelt uitdrukkelijk dat de in administratief beroep bevoegde overheid de vergunningsaanvraag in haar totaliteit onderzoekt, en dus ook de volledigheid en de ontvankelijkheid. De RvVb houdt op geen enkele wijze rekening met artikel 13 OVD en dus de mogelijkheid waarover de deputatie beschikt om in het kader van de devolutieve werking van het administratief beroep de administratieve lus toe te passen. De deputatie besluit dat de RvVb met zijn oordeel de artikelen 13, 38, 39, 57, 58 en 63 OVD, alsook artikel 4.3.3, § 2, DABM en artikel 2, §
De deputatie licht toe dat het tweede middelonderdeel betrekking heeft op het oordeel in het bestreden arrest dat de project-mer-screeningsnota reeds bij de indiening deel moet uitmaken van de aanvraag. Uit dat oordeel volgt dat indien de aanvraag niet voldoet aan de reglementaire vereisten, de aanvraag onvolledig en onontvankelijk moet worden verklaard en de screeningsnota niet meer kan worden bijgevoegd in de procedure ten gronde. De RvVb leidt het een en ander af uit de artikelen 15, § 1, OVB en artikel 39 OVD. Dat oordeel van de RvVb is onwettig omdat noch uit artikel 15, § 1, OVB noch uit artikel 39 OVD volgt dat een project-mer-screeningsnota een wettelijk verplicht onderdeel van het aanvraagdossier betreft in die zin dat het ontbreken daarvan onoverkomelijk zou leiden tot de onontvankelijkheid of de weigering van de aanvraag. Het niet bijbrengen van bepaalde stukken wordt niet op straffe van onontvankelijkheid gesanctioneerd. Artikel 4.3.3, § 2, DABM heeft enkel betrekking op de situatie waarbij een project-mer-screeningsnota bij de aanvraag werd gevoegd. In het geval er geen project-mer-screeningsnota is bijgevoegd, geldt artikel 13 OVD. Die bepaling voorziet in de mogelijkheid om ook in de fase ten gronde een vastgestelde onregelmatigheid te herstellen. De deputatie besluit dat het motief van het bestreden arrest dat stelt dat de bevoegde overheid uitsluitend uitspraak kan doen over de project-mer-screeningsnota op het ogenblik van en als onderdeel van de beslissing over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag, manifest onwettig is en de artikelen 13, 38, 39, 57 en 63 OVD, artikel 4.3.3, § 2, DABM, artikel 2, § 6, project-mer-besluit en artikel 15, § 1, OVB, schendt. VII-41.175-6/12 Tot slot licht zij toe dat het derde middelonderdeel gericht is tegen het motief van het bestreden arrest dat ervan uitgaat dat het ontbreken van een project-m.e.r.-screeningsnota tot gevolg heeft dat er in hoofde van de vergunningverlenende overheid een uitsluitend gebonden bevoegdheid bestaat om de vergunning te weigeren, zodat de RvVb kan overgaan tot indeplaatsstelling op basis van artikel 37, § 2, DBRC-decreet. Dit oordeel is onwettig omdat het ontbreken van een project-m.e.r.-screeningsnota niet tot een gebonden bevoegdheid leidt in hoofde van het vergunningverlenend bestuursorgaan om de aanvraag te weigeren. Zowel in de fase van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en volledigheid als in de fase ten gronde beschikt de vergunningverlenende overheid immers nog steeds over een beoordelingsmarge en over de mogelijkheid om in voorkomend geval te remediëren aan bepaalde onwettigheden teneinde een vernietiging te voorkomen. Conform de artikelen 19, 37 en 38 OVD kan de vergunningverlenende overheid zowel in eerste aanleg als in graad van administratief beroep, in geval van de onvolledigheid van de aanvraag, de vergunningsaanvrager per beveiligde zending vragen om de ontbrekende gegevens of documenten aan de aanvraag toe te voegen. In voorkomend geval kan toepassing worden gemaakt van de administratieve lus zoals voorzien in artikel 13 OVD. De deputatie besluit dat de RvVb zijn substitutiebevoegdheid ten onrechte heeft toegepast, waardoor artikel 37, § 2, DBRC-decreet geschonden is. Beoordeling
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.