← België

Arrest 252734 - Tucht (openbaar ambt) - 21/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.734 Rolnummer: A. 234721/XIV-38826 Zaak: Arrest 252734 - Tucht (openbaar ambt) - 21/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-02 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 06:04 Fiche Arrest nr 252.734 van 21 januari 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.734 van 21 januari 2002 in de zaak A. 234.721 /XIV-38.826 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5441 ERPE-MERE/LEDE, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 30 september 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het politiecollege van de politiezone van Erpe-Mere/Lede d.d. 22 september 2021, ter kennis gebracht aan verzoeker bij aangetekend schrijven ontvangen op 23 september 2021”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-38.826-1/20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 januari 2022 om 13.30 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Walter Van Steenbrugge, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Angélique Van De Meirssche, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is sinds december 2013 korpschef van de lokale politiezone Erpe-Mere/Lede. 3.2. In september 2020 wordt het nieuw politiehuis van de politiezone in gebruik genomen. Bij een controle door het Controleorgaan op de politionele informatie op 11 februari 2021, ingevolge een klacht naar aanleiding van mogelijke onregelmatigheden bij het opnemen van beelden en geluiden tijdens een vertrouwelijk overleg met een advocaat, wordt, blijkens het door het controleorgaan opgestelde toezichtrapport, vastgesteld dat niet adequaat gebruik wordt gemaakt van het systeem, hetgeen “eerder [lijkt] voort te vloeien uit onwetendheid dan wel een doelbewuste politiek”. 3.3. Op 17 mei 2021 ontvangt de voorzitter van het politiecollege van de betrokken politiezone drie verschillende dringende brieven van de procureur XIV-38.826-2/20 des Konings waarin gewag wordt gemaakt van opsporingsonderzoeken ten laste van verzoeker. Het betrokken onderzoek is telkenmale toevertrouwd aan de dienst enquêtes van het Comité P. Er kan nog geen inzage/afschrift van het dossier worden verleend. De procureur des Konings deelt in deze onderscheiden brieven mee dat het vertrouwen van zijn ambt in verzoeker ernstig, respectievelijk zeer ernstig, respectievelijk uitermate is geschonden. Hij deelt in elk van deze brieven mee de politiezone op de hoogte te zullen houden omtrent het verder verloop van de zaak. Tot slot vraagt de procureur des Konings zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. 3.4. Op 19 mei 2021 wordt verzoeker opgeroepen om te worden gehoord in het kader van een voorlopige schorsing. De hoorzitting heeft op 25 mei 2021 plaats gevonden. Hiervan is een verslag opgemaakt. Dezelfde dag heeft het politiecollege beslist om verzoeker voorlopig te schorsen zonder inhouding van wedde van 26 mei 2021 tot en met 25 september 2021. Deze beslissing is niet in rechte betwist. 3.5. Op 27 mei 2021 is de procureur des Konings aangeschreven naar aanleiding van persartikels met het verzoek van de verwerende partij om bijkomende informatie te krijgen. 3.6. Op 9 september 2021 is verzoeker opgeroepen om te worden gehoord in het kader van de verlenging van de voorlopige schorsing. Op het ogenblik van de oproeping is nog geen schriftelijk antwoord gekomen op de in punt 3.5 vermelde brief van 27 mei 2021. In mondelinge contacten is daarop - ondanks de mededeling door de procureur des Konings dat deze de politiezone op de hoogte zal houden - aangedrongen, maar is telkens aangegeven dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en geen inzage noch afschrift kan worden verleend. XIV-38.826-3/20 Uit brieven van verzoekers raadsman van 18 en 19 augustus 2019 blijkt dat verzoeker, net als het politiecollege, nog geen aanvullende informatie heeft gekregen over de lopende opsporingsonderzoeken, dat verzoeker een klacht met burgerlijke partijstelling heeft ingediend op 4 juni 2021 en, tot slot, dat verzoeker ook een dagvaarding in kort geding blijkt te hebben uitgebracht tegen de Belgische Staat. 3.7. Verzoeker wordt op 15 september 2021 gehoord. Hiervan wordt verslag opgemaakt. 3.8. Op 16 september 2021 heeft de voorzitter van het politiecollege de volgende brieven in ontvangst genomen in gesloten omslag hem overhandigd door de waarnemend korpschef: - brief van de procureur des Konings met referte DE.25.99.[XXX]/21/TU 04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021; - brief van de procureur des Konings met referte DE.52.58. [XX]/21/TU04-21TU.[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021; - brief van de procureur des Konings met referte DE.34.98. [XX]/21/TU04-21TU.[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021. De procureur des Konings bevestigt daarin dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en op heden nog geen inzage of afschrift van het dossier kan worden verleend. Nogmaals wordt aangegeven dat de Politiezone Erpe-Mere/Lede op de hoogte zal worden gehouden van het verder verloop van de zaak. Een kopie van deze briefwisseling is meegedeeld aan de raadslieden van verzoeker. 3.9. Op 22 september 2021 beslist het politiecollege de voorlopige schorsing bij ordemaatregel te verlengen voor een termijn van vier maanden (van XIV-38.826-4/20 26 september 2021 tot en met 25 januari 2022), zonder inhouding van wedde op grond van de volgende overwegingen: “[…] 2.2 Uiteenzetting van de gevolgen Artikel 44, Wet 07 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (hierna WGP) omschrijft de taak van een korpschef als volgt: ‘… Elk lokaal politiekorps staat onder de leiding van een korpschef. Hij is verantwoordelijk voor de uitvoering van het lokaal politiebeleid, en meer bepaald, voor de uitvoering van het zonaal veiligheidsplan. Hij staat in voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps. Hiertoe kan de burgemeester of het politiecollege hem sommige van zijn bevoegdheden delegeren. In de uitoefening van deze functie is hij verantwoordelijk voor de uitvoering door het politiekorps van de lokale opdrachten, van de richtlijnen met betrekking tot de opdrachten met een federaal karakter en van de opvorderingen evenals van de toepassing van de normen bedoeld in de artikelen 141 en 142. Voor de uitoefening van zijn functie, kan de korpschef de in artikel 104, 1°, bedoelde hulp inroepen. …’ De korpschef is het aanspreekpunt namens de PZ Erpe-Mere/Lede voor de bestuurlijke en gerechtelijke overheden. De ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van korpschef [verzoeker] creëren een voorlopige vertrouwensbreuk waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht. Het moreel gezag als korpschef wordt door de opsporingsonderzoeken ernstig aangetast zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen korpschef [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig om leiding te geven en samen te werken. (…) 5. Motivering van het voornemen tot voorlopige schorsing Aard van een voorlopige schorsing Een voorlopige schorsing is uitsluitend gericht op de goede werking van de dienst en is slechts een tijdelijke, bewarende en niet-tuchtrechtelijke maatregel. Een dergelijke ordemaatregel houdt geen oordeel in over de schuld van het personeelslid, maar beoogt enkel de goede werking van de dienst veilig te stellen in afwachting van de bevindingen van een tucht- of strafrechtelijk onderzoek. Voorwaarden voor het opleggen van een voorlopige schorsing Op grond van artikel 59, eerste lid, Tuchtwet is het politiecollege de bevoegde overheid om aan een personeelslid van de lokale politie, zo ook de korpschef, een voorlopige schorsing op te leggen mits is voldaan aan een dubbele voorwaarde: XIV-38.826-5/20 − ten aanzien van het betrokken personeelslid loopt een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek of is een strafvervolging ingesteld en; − de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar is met het belang van de dienst. Het politiecollege oefent hierbij een discretionaire beoordelingsbevoegdheid uit. Opsporingsonderzoek Er kan geen betwisting bestaan over het bestaan van een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker]. Het politiecollege kan daarbij verwijzen naar de drie kennisgevingen vanwege de procureur des Konings: − Brief van de procureur des Konings met betrekking tot een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] inzake valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te Lede van 17 mei 2021; − Brief van de procureur des Konings met betrekking tot een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] inzake schending van het beroepsgeheim te Lede op 27 april 2021 van 17 mei 2021; − Brief van de procureur des Konings met betrekking tot een opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] inzake daden van willekeur, kennisnemen van niet voor publiek toegankelijke communicatie en inbreuk op de wet op de Gegevens Bescherming te Lede van 17 mei 2021. Deze onderzoeken zijn niet afgerond en nog lopende. De eerste voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, lijkt voldaan. Onverenigbaarheid van de aanwezigheid met het belang van de dienst De ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van [verzoeker] creëren een voorlopige vertrouwensbreuk waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht. Het moreel gezag als korpschef wordt door de opsporingsonderzoeken ernstig aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Het belang van de dienst maakt dat de aanwezigheid van [verzoeker] op de dienst ermee onverenigbaar is. De tweede voorwaarde om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, lijkt voldaan. De cumulatieve voorwaarden om een voorlopige schorsing te kunnen opleggen, zijn voldaan. Duur van een voorlopige schorsing Artikel 61, eerste lid, Tuchtwet bepaalt dat (de verlenging van) een voorlopige schorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste vier maanden. XIV-38.826-6/20 Deze maximale termijn lijkt wenselijk in het kader van de termijn noodzakelijk om de opsporingsonderzoeken sereen te laten verlopen en de resultaten ervan af te wachten. Inhouding van wedde Artikel 64, Tuchtwet staat toe dat de overheid die de voorlopige schorsing uitspreekt, kan beslissen dat die schorsing een inhouding van wedde omvat. De inhouding van wedde mag ten hoogste vijfentwintig procent van de brutowedde bedragen. De overheid waarborgt aan de betrokkene een nettowedde gelijk aan het bedrag van het bestaansminimum zoals dat wordt vastgesteld krachtens de wet van 7 augustus 1974 tot instelling van het recht op een bestaansminimum. In geval van deeltijdse prestaties wordt dat bedrag evenredig met de omvang van de prestaties beperkt. Het politiecollege overweegt in de huidige stand van zaken evenwel niet om een voorlopige schorsing te koppelen aan een inhouding van wedde. Het personeelslid ontleent aan dit voorlopig standpunt geen rechten. Het politiecollege zal haar standpunt desgevallend actualiseren mocht een verlenging van de voorlopige schorsing noodzakelijk zijn. Bij gebrek aan nieuwe informatie blijft het politiecollege voorlopig in elk geval bij het voornemen om geen inhouding van wedde te koppelen aan de verlenging van een voorlopige schorsing. 6. Hoorrecht

  1. a)Artikel 62, Tuchtwet verleent aan het personeelslid waarvan de voorlopige schorsing wordt overwogen een hoorrecht na daartoe te zijn opgeroepen door een kennisgeving tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekend schrijven.
  2. b)[Verzoeker] is opgeroepen om te worden gehoord per brief van 09 september 2021.
  3. c)[Verzoeker] is gehoord door het politiecollege op 15 september 2021 om 10u00. [Verzoeker] is bijgestaan door Mr. W. V. S. Van Steenbrugge en Mr. Esther Theyskens en heeft een schriftelijk verweer ingediend vergezeld van 18 geïnventariseerde stukken. Er is een verslag opgemaakt en ondertekend van de hoorzitting. Het pleidooi van de raadsman betreft de toelichting van het schriftelijk verweer. 7. Weerlegging van het gevoerde verweer Het politiecollege heeft kennis genomen van het schriftelijk en mondeling verweer en wenst dit als volgt te weerleggen. 1. Geen beroep tegen de beslissing van 25 mei 2021 tot voorlopige schorsing Het politiecollege stelt vooreerst vast dat er geen beroep is ingesteld geworden tegen de oorspronkelijke beslissing van 25 mei 2021 tot het opleggen van een voorlopige schorsing. Voor zover als nodig kan worden verwezen naar deze beslissing voor wat betreft de aldaar weerlegde bezwaren welke thans niet zijn hernomen. 2. Ruchtbaarheid in de media De ruchtbaarheid die in de media op basis van (anonieme) lekken / verklaringen wordt gegeven op basis van al dan niet correcte informatie inzake de diverse lopende opsporingsonderzoeken omtrent [verzoeker] betreurt het politiecollege ten zeerste. Deze ruchtbaarheid is evenwel noch de aanleiding noch het gevolg van enige beslissing van het politiecollege. Het politiecollege valt voor wat betreft deze ruchtbaarheid niets te verwijten. Wel integendeel, reeds uit de door de verdediging neergelegde persartikels blijkt uitdrukkelijk dat het politiecollege haar discretieplicht maximaal wenst na te leven. Bovendien is even uitdrukkelijk meegedeeld dat de voorlopige schorsing – zonder inhouding van wedde – enkel is ingegeven om de sereniteit van het onderzoek en de XIV-38.826-7/20 werking van de PZ Erpe-Mere – Lede te vrijwaren én ten aanzien van [verzoeker] het vermoeden van onschuld geldt. Het is aldus onjuist dat het politiecollege binnen haar mogelijkheden de reputatie van [verzoeker] niet zou hebben proberen beschermen. 3. Bestaan van diverse (nog lopende) opsporingsonderzoeken Het voldaan zijn aan de eerste voorwaarde om over te gaan tot het opleggen van een voorlopige schorsing kan niet worden betwist en is (voor zover als nodig) nogmaals bevestigd door de procureur des Konings: − Brief van de procureur des Konings met referte DE.25.99.[XXX]/21/TU04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021; − Brief van de procureur des Konings met referte DE.52.58.[XX]/21/TU04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021; − Brief van de procureur des Konings met referte DE.34.98.[XX]/21/TU04-21TU[XXX] van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021. De procureur des Konings bevestigt daarin dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en op heden nog geen inzage/afschrift van het dossier kan worden verleend. Nogmaals wordt aangegeven dat de PZ Erpe-Mere – Lede op de hoogte zal worden gehouden van het verder verloop van de zaak. 4. Actualiseren van de feitelijke en juridische gegevens Het politiecollege betwist op geen enkele wijze dat op haar de verplichting rust om de feitelijke en juridische gegevens in het kader van een verlenging van de voorlopige schorsing te actualiseren. Zij betwist evenwel ten zeerste dat zij niet het nodige zou hebben gedaan. Op 17 mei 2021 heeft de procureur des Konings meegedeeld dat er diverse opsporingsonderzoeken lopen ten aanzien van korpschef [verzoeker]en dat de PZ Erpe-Mere – Lede op de hoogte zou worden gehouden van het verder verloop ervan. Ondanks de mededeling van de procureur des Konings dat de PZ Erpe-Mere – Lede ambtshalve op de hoogte zou worden gehouden, is de procureur des Konings reeds op 27 mei 2021 opnieuw aangeschreven om meer inzicht in de diverse opsporingsonderzoeken te willen verschaffen. In mondelinge contacten is daarop – ondanks de mededeling door de procureur des Konings dat de PZ Erpe-Mere – Lede op de hoogte zou worden gehouden – aangedrongen, maar is telkens aangeven dat de opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en geen inzage/kopiename kan worden verleend. De PZ Erpe-Mere – Lede betreurt samen met de verdediging dat er niet sneller schriftelijke antwoorden worden verstrekt. Niettemin is zulks uiteindelijk na een laatste aandringen gebeurd middels de brieven van 14 september 2021, ontvangen op 15 september 2021 en waarvan is kennis genomen op 16 september 2021. Bovendien heeft het politiecollege de feitelijke en juridische gegevens ook geactualiseerd op basis van de initiatieven genomen door de verdediging waarvan zij op de hoogte is gehouden. De veelheid aan briefwisseling en andere initiatieven namens de verdediging hebben tot geen ander resultaat geleid dan de verzoeken namens het politiecollege. Geen van deze initiatieven hebben echter geleid tot bijkomende informatie en/of inzage/kopiename van het gerechtelijk dossier. In elk geval is er mee rekening gehouden en zijn ze betrokken bij het actualiseren van de feitelijke en juridische gegevens. XIV-38.826-8/20 Het gegeven dat na een actualisatie van de feitelijke en juridische gegevens de conclusie luidt dat ‘(i)n elk geval blijkt dat de diverse opsporingsonderzoeken nog lopende zijn en de situatie op heden niet anders is dan deze ten tijde van de beslissing over de oorspronkelijke voorlopige schorsing’, kan bezwaarlijk aan het politiecollege worden verweten, maar vormt slechts de enige mogelijke en terechte feitelijke en juridische vaststelling. Het politiecollege wenst samen met de verdediging dat er zo snel mogelijkheid (meer) duidelijkheid komt, maar zulks is op heden helaas nog niet het geval. 5. Onverenigbaarheid van de aanwezigheid van [verzoeker] met het belang van de dienst De verdediging meent dat er geen toereikende motieven worden aangereikt waarom de aanwezigheid van [verzoeker] onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst. De oproeping vermeldt dienaangaande (nochtans) het volgende: ‘… De ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van [verzoeker] creëren een voorlopige vertrouwensbreuk waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht. Het moreel gezag als korpschef wordt door de opsporingsonderzoeken ernstig aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen die het politiecollege overweegt. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Het belang van de dienst maakt dat de aanwezigheid van [verzoeker] op de dienst ermee onverenigbaar is. …’ Het politiecollege stelt vast dat er geen betwisting wordt gevoerd, minstens kan worden gevoerd over: − het gegeven van de ernst van de kwalificatie van de feiten die het voorwerp uitmaken van de aangehaalde opsporingsonderzoeken ten laste van [verzoeker]; − de korpschef is het aanspreekpunt namens de PZ Erpe-Mere/Lede voor de bestuurlijke en gerechtelijke overheden; − een voorlopige vertrouwensbreuk bestaat ten aanzien de gerechtelijke overheid waardoor de goede werking van de lokale politiedienst van de PZ Erpe-Mere/Lede in het gedrang wordt gebracht; − de noodzaak om de sereniteit van het onderzoek te bewaren; − het moreel gezag door de opsporingsonderzoeken ernstig wordt aangetast, zowel ten aanzien van de gerechtelijke overheid, de bestuurlijke overheid als de leden van het korps. Het politiecollege zelf wordt niet enkel geconfronteerd met een opsporingsonderzoek naar aanleiding van de resultaten van het rapport van het XIV-38.826-9/20 Controleorgaan op de politionele informatie van 26 maart 2021, maar met twee bijkomende opsporingsonderzoeken. Het mag dan goed zijn dat het politiecollege op heden geen kennis heeft van bezwarende elementen in hoofde van [verzoeker] waarbij zijn individuele verantwoordelijkheid in het gedrang wordt gebracht, maar zulks maakt net het voorwerp uit van het lopende opsporingsonderzoek waarbij de procureur des Konings aangeeft dat het vertrouwen (ernstig) is geschonden. Het standpunt dat de verdediging reeds met succes elke schuld aan enig misdrijf heeft weerlegd, is thans voorbarig. Een beoordeling ten gronde van de feiten maakt op zich niet het voorwerp uit van een beslissing tot voorlopige schorsing. Een eerste opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] heeft betrekking op valsheid in geschriften als openbaar ambtenaar en gebruik ervan te Lede. Noch het politiecollege, noch de verdediging beschikt over aanvullende informatie. Een tweede opsporingsonderzoek ten laste van [verzoeker] heeft betrekking op de schending van het beroepsgeheim te Lede op 27 april 2021. Daarbij wordt gewag gemaakt van het volgende: ‘… Hierbij is gebleken dat de korpschef derden in kennis stelt van door politie vastgestelde strafrechtelijke inbreuken en daaruit voortvloeiende gerechtelijke onderzoeken. (…) Mijn Ambt zag zich zelfs genoodzaakt om in het belang van de zaak het verder onderzoek in deze zaak weg te trekken vanuit de PZ Erpe-Mere/Lede. …’ De verdediging brengt een verklaring bij van [verzoeker] in het kader van het opsporingsonderzoek waarin hij de feiten kadert en betwist. Niettemin blijft zulks een enkel stuk uit het gerechtelijk dossier zonder dat kennis is kunnen worden genomen van de overige stukken. In het geval uit de resultaten van het onderzoek zou blijken dat er sprake zou zijn van onterechte beschuldigingen en revanche, zal het politiecollege de gepaste maatregelen nemen. Het politiecollege beoordeelt het bestaan van de diverse opsporingsonderzoeken bijgevolg wel degelijk concreet en naar de feiten en hun kwalificatie. De door de verdediging aangehaalde rechtspraak gaat in de voorliggende casus niet op. Er kan niet omheen de vaststelling worden gegaan dat niet een inspecteur van politie het voorwerp uitmaakt van de diverse opsporingsonderzoeken, maar wel de korpschef. De persaandacht is noch de aanleiding, noch het gevolg van een beslissing over de (verlenging van
  4. de)voorlopige schorsing. Het gaat evenmin over feiten die slechts na vier jaar ter kennis worden gebracht van de tuchtoverheid en waarna deze nogmaals twee jaar wacht om over te gaan tot voorlopige schorsing omwille van een doorverwijzing naar de correctionele rechtbank voor vermeende feiten inzake het niet verlenen van hulp. De procureur des Konings heeft uitdrukkelijk te kennen gegeven dat het vertrouwen in [verzoeker] (zeer / uitermate) ernstig is geschonden en vraagt zijn ambt in kennis te stellen van de eventuele ordemaatregelen. Een korpschef is het aanspreekpunt voor de procureur des Konings. De verdediging kan bijgevolg niet voorhouden dat [verzoeker] zou worden afgerekend op de initiatieven van zijn raadsman ten aanzien van de procureur des Konings / procureur-generaal. Het is ten volste het recht van [verzoeker] om deze initiatieven te nemen in het kader van zijn recht van verdediging. Niettemin is het geen ‘cirkelredenering’ van het politiecollege op grond daarvan de feitelijke vaststelling te maken dat deze initiatieven er lijken op te wijzen dat er des te meer noodzaak bestaat om de sereniteit binnen het korps te bewaren tijdens de diverse opsporingsonderzoeken en de klachten dan wel bezwaren die daaromtrent worden geformuleerd. Het politiecollege en [verzoeker] kunnen enkel samen de resultaten van de opsporingsonderzoeken afwachten. Het XIV-38.826-10/20 afwachten van de betwistingen voor de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg Brussel is weinig zinvol gezien de pleidooien zijn vastgesteld op 22 december 2022. In dergelijke omstandigheden kan niet sereen worden samengewerkt en kunnen de opsporingsonderzoeken niet sereen worden uitgevoerd. De goede werking en het belang van de dienst kan enkel worden gevrijwaard als het vereiste vertrouwen aanwezig is om leiding te geven aan de leden van het korps en samen te werken met zowel de gerechtelijke overheid als de bestuurlijke overheid. Het belang van de dienst maakt dat de aanwezigheid van [verzoeker] op de dienst ermee tijdelijk onverenigbaar is. In deze omstandigheden kan het politiecollege niet worden verweten een tijdelijke en bewarende ordemaatregel te nemen in afwachting van de resultaten van een opsporingsonderzoek dat in alle sereniteit kan verlopen. Impliciet moet de verdediging zulks ook erkennen gezien tijdens de hoorzitting is aangegeven dat hoe de daadwerkelijke re-integratie zou moeten verlopen een ander paar mouwen is en nog zou moeten worden bekeken. Tot slot nog het volgende. Het politiecollege blijft alle begrip opbrengen over het gegeven dat deze beslissing voor [verzoeker] moeilijk valt. Begrijpelijkerwijs wordt emotioneel gereageerd op het bestaan van meerdere opsporingsonderzoeken waarvan hij het concrete voorwerp niet (b)lijkt te kennen. Zulks is evenwel des te meer van aard om de sereniteit van het onderzoek te bewaren en de situatie ten gepaste tijde opnieuw te evalueren.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting in het verzoekschrift 5. In zijn inleidend verzoekschrift zet verzoeker onder het kopje “voorwaarde van de spoedeisendheid” te dezen uiteen dat de bestreden beslissing “onherroepelijke gevolgen op persoonlijk en professioneel vlak met zich XIV-38.826-11/20 mee[brengt] voor verzoeker. Hij stelt vooreerst dat door de verlenging van zijn voorlopige schorsing met opnieuw de maximale termijn van vier maanden “de indruk [wordt] gewekt bij zijn omgeving en zijn collega’s dat intussen uit het onderzoek is gebleken dat verzoeker zware (strafbare) fouten begaan heeft (quod certe non)”. Deze indruk wordt volgens verzoeker nog versterkt door de - (via gerichte perslekken) kwalijke, grotendeels incorrecte en zelfs lasterlijke - berichtgeving omtrent deze zaak in de pers. Die foutieve indruk “die door de bestreden beslissing (niet door het loutere bestaan van de opsporingsonderzoeken) zal gaan leven binnen het korps, zal het morele gezag van verzoeker als korpschef op termijn uithollen, waardoor het uiteindelijk de facto onmogelijk zal zijn voor [verzoeker] om terug te keren naar zijn functie, zelfs na een sepot of de vrijspraak”. Volgens verzoeker valt het bovendien te verwachten dat, indien de bestreden beslissing niet wordt geschorst en later vernietigd, het politiecollege ervoor zal opteren om de voorlopige schorsing te verlengen zolang de opsporingsonderzoeken lopen, ondanks het gebrek aan kennis van ook maar enig belastend element in hoofde van verzoeker. Dit kan nog jaren duren “zeker gelet op de dubieuze houding die de procureur des Konings in deze zaak aanneemt”. Dat zou het einde van de carrière van verzoeker betekenen en hem op sociaal vlak volledig isoleren. Verzoeker dreigt aldus een onherroepelijk nadeel te lijden zodat aan het vereiste van de spoedeisendheid is voldaan. Beoordeling 6. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december 1991. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een - voortdurende - tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. XIV-38.826-12/20 Voorts kan luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, een vordering tot schorsing worden gevorderd “op elk moment” en dus niet meer, zoals in de voorheen bestaande regelgeving, noodzakelijk in een enig verzoekschrift samen met de vernietiging. Met deze regeling heeft de wetgever precies de situaties te willen verlaten waarbij “geen enkele bijzondere gebeurtenis vereist dat de Raad van State zich bij spoedeisendheid over de zaak die haar wordt voorgelegd uitspreekt” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 4). De spoedeisendheid “zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 13). Bovendien mag een nieuwe vordering worden ingediend, indien die steunt op nieuwe elementen die de spoedeisendheid van deze vordering rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, gecoördineerde wetten op de Raad van State). Uit wat voorafgaat, volgt dat niet zal volstaan te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. 7. Het komt er voor een verzoeker, die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die hij in zijn vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan verzoeker toevalt om aan zijn zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door verzoeker worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de XIV-38.826-13/20 bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd. 8. Te dezen verantwoordt verzoeker de spoedeisendheid in essentie op grond van reputatieschade door de foutieve indruk die is gewekt dat uit het onderzoek zou zijn gebleken dat hij zware strafbare feiten heeft gepleegd en de negatieve gevolgen voor zijn carrière ingevolge de aantasting van zijn moreel gezag die hij ingevolge de bestreden beslissing lijdt. Die indruk wordt versterkt omwille van de maximumduur van de bestreden maatregel en de mogelijke verlening(
  5. en)ervan zolang de opsporingsonderzoeken lopen, ondanks het gebrek aan kennis van ook maar enig belastend element in hoofde van verzoeker. De thans bestreden beslissing betreft een verlenging van een preventieve (voorlopige) schorsing of een schorsing in het belang van de dienst met een duur van vier maanden zonder inhouding van wedde. Ze is, na de beslissing van 25 mei 2021, de tweede op zichzelf staande beslissing waarbij de aanvankelijk met een beslissing van 25 mei 2021 opgelegde voorlopige schorsing voor een duur van vier maanden zonder inhouding van wedde wordt verlengd voor eenzelfde duur. De bestreden beslissing betreft aldus een (eerste) verlenging van een preventieve schorsing bij ordemaatregel waarbij - uit zijn aard - een dergelijke beslissing de schuld van verzoeker buiten beschouwing laat. De eigen beoordeling van de draagwijdte van de bestreden beslissing, noch de enkele, in algemene termen gestelde verwijzing naar de perceptie door derden van de betekenis en de draagwijdte van de bestreden verlenging en de vermeende weerslag hiervan op de reputatie van verzoeker, toont op zich aan dat verzoeker het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten. Dat een ordemaatregel opgelegd aan de betrokkene reputatieschade berokkent, geldt voor alle personeelsleden die tegen hun wil door XIV-38.826-14/20 een dergelijke maatregel worden getroffen en ze in afwachting van een uitspraak ten gronde moeten ondergaan. Een schorsingsprocedure strekt er evenwel niet toe om élk moreel nadeel dat met een bestreden beslissing zoals een ordemaatregel gepaard gaat, versneld te kunnen ondervangen. De eventueel uit te spreken nietigverklaring verwijdert de ordemaatregel immers met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer en zal het vereiste rechtsherstel moeten volgen. De genoegdoening van een annulatiearrest wordt in beginsel ook geacht het moreel nadeel te herstellen, behoudens wanneer er bijzondere omstandigheden worden aangetoond die ervan kunnen overtuigen dat de aangevoerde morele schade van die aard is dat een later tussen te komen vernietigingsarrest niet voldoende genoegdoening zal kunnen verschaffen zodat het resultaat ten gronde niet kan worden afgewacht. 9. Verzoeker poogt de Raad ervan te overtuigen dat te dezen de hem opgelegde maatregel bijzonder grievend en kwetsend is waarbij verzoeker als bijzondere omstandigheid vooreerst verwijst naar de maximumduur van vier maanden waarmee de (aanvankelijk) voorlopige schorsing van vier maanden werd verlengd waardoor de indruk zou zijn ontstaan dat verzoeker zware strafbare feiten heeft gepleegd. Het loutere feit dat de verwerende partij ervoor opteert de voorlopige schorsing te verlengen met de door artikel 61 van de tuchtwet toegelaten maximumduur van vier maanden toont op zich niet aan dat zij van oordeel is dat verzoeker zich aan zware strafbare feiten schuldig heeft gemaakt. De verwerende partij benadrukt daarentegen in de sub 3.9 aangehaalde bestreden beslissing dat de verlenging van de voorlopige schorsing enkel is ingegeven om de sereniteit van het onderzoek en de werking van de politiezone te vrijwaren én dat, al geeft de procureur des Koning te kennen dat zijn vertrouwen in verzoeker (ernstig/uitermate) is geschonden, ten aanzien van verzoeker het vermoeden van onschuld geldt, wat zij meermaals benadrukt. Dat de voorlopige schorsing met de maximumduur van vier maanden wordt verlengd bij derden de indruk zou wekken dat verzoeker schuldig is, is een verkeerde perceptie of indruk die geen steun vindt XIV-38.826-15/20 in de bestreden beslissing, noch in de communicatie van het politiecollege naar de buitenwereld. Aannemen dat een overheid omwille van een mogelijke ongefundeerde verkeerde perceptie of indruk een bepaalde maatregel niet mag nemen, mag er niet toe leiden dat een overheid de bevoegdheden waarover zij beschikt, te dezen ter vrijwaring van de goede en serene werking van de politiedienst, zou kunnen aanwenden. Overigens kan het politiecollege de verlenging van de voorlopige schorsing voortijdig beëindigen wanneer het vóór het verstrijken van de duur ervan, inzage zou krijgen van het strafdossier en op basis daarvan tot de conclusie komt dat de verwijdering van verzoeker uit de dienst niet langer noodzakelijk is. 10. In de mate verzoeker vervolgens verwijst naar de grotendeels incorrecte en zelfs lasterlijke berichtgeving over de zaak als bijzondere omstandigheid die de onherstelbare schade aantoont indien de bestreden beslissing niet geschorst wordt, kan hij niet worden bijgevallen. Het valt niet in te zien hoe een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een einde zou kunnen stellen aan deze berichtgeving of haar ongedaan zou kunnen maken zolang het strafonderzoek zijn beslag niet heeft gekregen. Zoals verzoeker overigens zelf aangeeft, start de “kwalijke” en “verkeerde” berichtgeving op 14 mei 2021. Deze berichtgeving in de media gaat aldus aan de bestreden beslissing vooraf, evenals aan de aanvankelijk opgelegde voorlopige schorsing die dateert van 25 mei 2021. De belastende berichtgeving in de pers lijkt overigens haar oorsprong te vinden in (gelekte) informatie uit het strafdossier, waarin het politiecollege nog geen inzage heeft gehad. In zoverre deze verkeerde berichtgeving onherroepelijke schade (heeft) veroorzaakt, kan een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing deze schade niet ongedaan maken. Het politiecollege lijkt te dezen bovendien geen enkele verantwoordelijkheid te dragen voor deze verkeerde berichtgeving nu het politiecollege, blijkens de in het dossier neergelegde persberichten, steeds benadrukt heeft dat ten aanzien van verzoeker het vermoeden van onschuld geldt en dat de ordemaatregel enkel genomen wordt in het belang van de sereniteit van het onderzoek en de werking van het korps. Integendeel is deze XIV-38.826-16/20 steeds volgehouden houding van de verwerende partij er precies op gericht om de aandacht aan het gebeurde gegeven, niet nog te versterken. 11. In zoverre verzoeker in zijn verzoekschrift, wat het moreel nadeel betreft, tot slot nog wijst als bijzondere omstandigheid op de feitelijke onmogelijkheid om nog terug te keren in zijn functie door de uitholling van zijn moreel gezag als korpschef, zelfs na een sepot of vrijspraak, kan hij evenmin worden bijgevallen. Daargelaten nog de vraag of het zonder schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor verzoeker “feitelijk” onmogelijk zal zijn om terug te keren in zijn functie van korpschef, moet worden vastgesteld dat het niet de bestreden ordemaatregel is die het moreel gezag van de korpschef in het gedrang brengt nu deze zoals sub 8 is uiteengezet, geen uitspraak doet over de schuld van verzoeker voor de feiten waarover de opsporingsonderzoeken worden gevoerd. Het politiecollege geeft in de bestreden beslissing (en in zijn communicatie naar de buitenwereld) uitdrukkelijk aan dat ten aanzien van verzoeker het vermoeden van onschuld geldt. Als het moreel gezag als korpschef - functie die, zoals verzoeker aangeeft, ongeschonden vertrouwen vereist - al is aangetast, vloeit dat voort uit de opsporingsonderzoeken en de gelekte informatie daarover die heeft geleid tot de media-aandacht doch niet uit de bestreden beslissing. Hetzelfde geldt voor het heropnemen in de toekomst van verzoekers functie: zo deze al feitelijk onmogelijk zou zijn, is dat een gevolg van de opsporingsonderzoeken, een gebeurlijke negatieve uitkomst ervan - wat louter hypothetisch is - en van de media-aandacht die het heeft gehad. Een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing kan deze (onherroepelijke) schade niet ongedaan maken. 12. In de mate verzoeker voor de vereiste spoedeisendheid nog steun zoekt in de veronderstelling dat - indien de bestreden beslissing niet in haar tenuitvoerlegging wordt geschorst -, het politiecollege ervoor zal opteren de voorlopige schorsing te verlengen zolang de opsporingsonderzoeken lopen “wat het einde van de carrière van verzoeker zou betekenen en hem sociaal zou isoleren”, is de (onherstelbare) schade die verzoeker aldus inroept hypothetisch en XIV-38.826-17/20 dus onzeker. Verzoeker gaat er daarbij ook aan voorbij dat een gebeurlijk te nemen derde ordemaatregel, net zoals de bestreden beslissing alsook de eerste ordemaatregel van 25 mei 2021, op zichzelf staat. Verzoeker kan bij een nieuwe verlenging van de voorlopige schorsing, hetgeen een nieuwe beoordeling en beslissing van het politiecollege veronderstelt, een nieuw beroep tot nietigverklaring en/of verzoek tot schorsing indienen. Voorts, sedert de wijziging in 2014 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag een vordering tot schorsing “op elk ogenblik” van de procedure worden ingeleid. Bovendien, ook na een eventuele verlenging is er geen enkele concrete aanwijzing dat het voor verzoeker onmogelijk zal zijn om nadien in zijn functie terug te keren. Het valt niet meteen in te zien waarom dit zo zou zijn indien na inzage van het strafdossier zou blijken dat verzoeker weinig of niets strafrechtelijk ten laste (kan) worden gelegd. In zoverre verzoeker bij dit argument nog “de dubieuze houding van de procureur en het lang aanslepen van de opsporingsonderzoeken”, betrekt, dient nogmaals vastgesteld dat dit nadelen zijn die niet voortvloeien uit de bestreden beslissing zodat een schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing deze nadelen ook niet ongedaan kan maken. 13. Op de terechtzitting refereert verzoeker nog naar rechtspraak waaruit moet blijken dat bij een verlenging van de preventieve schorsing het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” een “striktere beoordeling” vergt omdat het blijvend verwijderd houden uit de dienst bij buitenstaanders de indruk zal doen ontstaan dat de betrokkene toch een ernstige misstap heeft begaan en dat betrokkene daar weinig of geen verweer tegen heeft zodat het in dat geval redelijk is het ernstig karakter van het middel te betrekken. Te dezen verwijt verzoeker, wat dat laatste betreft, dat de bestreden maatregel is opgelegd zonder dat de verwerende partij enig initiatief heeft genomen om op haar niveau klaarheid te brengen in de feiten. Daargelaten nog dat verzoeker hiermee in wezen een nieuwe argumentatie ontwikkelt omtrent wat, althans naar zijn begrip, “spoedeisendheid” inhoudt en waarvan niet blijkt dat hij dit niet in zijn verzoekschrift kon verwerken XIV-38.826-18/20 en daargelaten bovendien dat uit de uiteenzetting van de feiten is gebleken dat de verwerende partij meermaals initiatief heeft genomen, zowel mondeling als schriftelijk, om inzage in het strafdossier te krijgen, dient vastgesteld dat de rechtspraak die verzoeker aanhaalt zich situeert in de beoordeling van het vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel hoewel deze schorsingsvoorwaarde verlaten is sinds de hervorming van de procedure bij wet van 20 januari 2014 die in werking is getreden op 1 maart 2014. Thans staat ter beoordeling van de Raad van State een volkomen andere wettelijke voorwaarde - de spoedeisendheid - waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” noch noodzakelijkerwijze “minder streng” zou (moeten) zijn dan de voorheen geldende vereiste van “moeilijk te herstellen ernstig nadeel”. Tot slot kan een aangevoerde onwettigheid of beweerde onzorgvuldigheid op zich niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter is immers een op zich staande voorwaarde die moet worden onderzocht, los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Conclusie 14. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Kosten 15. Wat de vraag van verzoeker tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. XIV-38.826-19/20 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, waarnemend voorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-38.826-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.734 Gerelateerde publicatie(
  6. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.200 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.258.240 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.