← België

Arrest 252799 - Uitleveringen - 26/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.799 Rolnummer: A. 232903/XIV-38595 Zaak: Arrest 252799 - Uitleveringen - 26/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-09 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-17 14:34 Fiche Arrest nr 252.799 van 26 januari 2022 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.799 van 26 januari 2022 in de zaak A. 232.903/XIV-38.595 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rebecca Greenland kantoor houdend te 3600 Genk Europalaan 50 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Verzoeker dient met een enig verzoekschrift op 12 februari 2021 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in van de beslissing van de minister van Justitie van 20 januari 2021 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van de Russische Federatie wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 250.090 van 11 maart 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, ingesteld met een afzonderlijk verzoekschrift op 9 maart 2021, verworpen. XIV-38.595-1/12 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 december 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rebecca Greenland, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Sara Elslander, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven, behoudens wat de kosten betreft. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten
  4. De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 250.090 van 11 maart
  5. Er wordt naar verwezen. XIV-38.595-2/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  6. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Hij voert aan dat een schending van deze beginselen blijkt uit drie elementen. Een eerste element betreft het feit dat verzoekers raadsman een uitgebreid relaas heeft gegeven van feitelijke gegevens waaruit blijkt dat verzoeker onmogelijk in Syrië kon hebben verbleven tijdens de in het verzoek tot uitlevering vermelde incriminatieperiode. Verzoeker herneemt dit overzicht in de uiteenzetting van het middel. Een tweede element betreft het feit dat de Chambre de l’Instruction de la Cour d’Appel de Lyon op basis van hetzelfde uitleveringsverzoek voor exact dezelfde feiten een negatief advies heeft gegeven voor de uitlevering. De discrepantie tussen de Franse beslissing en de thans bestreden beslissing is zo groot dat verzoeker beide aangehaalde beginselen geschonden acht. Een derde element betreft het feit dat verzoekers raadsman uitgebreid heeft gemotiveerd waarom het Russische uitleveringsverzoek een onbetrouwbaar karakter heeft. De bestreden beslissing gaat hier volgens verzoeker niet op in en heeft bijgevolg pertinente elementen buiten beschouwing gelaten. Beoordeling
  7. Een schending van het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de overheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij de haar toegekende discretionaire beoordelings- of beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. XIV-38.595-3/12 Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de administratieve overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende administratieve overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling in de plaats te stellen van die door de bevoegde administratieve overheid. Hij is in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd om, desgevraagd, na te gaan of de administratieve overheid op grond van de juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot de bestreden beslissing is kunnen komen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
  8. Wat de chronologie van de feiten betreft waaruit zou blijken dat verzoeker tijdens de geïncrimineerde periode onmogelijk in Syrië kan zijn geweest, gaat verzoeker voorbij aan de concrete motivering dienaangaande in punt 22 van de bestreden beslissing. Die motivering luidt: “De door de Franse en Belgische verdediging aangebrachte gegevens die zouden moeten aantonen dat de opgeëiste persoon niet in Syrië kon zijn geweest in de periode tot / alleszins vóór februari 2015 zijn niet overtuigend. De opgeëiste persoon werd pas sinds maart 2015 door het DGSI opgevolgd, dat is dus na de terugkeer (uit Syrië), alleszins na het einde van de door Rusland geïncrimineerde periode. Zijn reis om ‘medische redenen’ naar Turkije in juni-juli 2014 wordt zelfs door de chambre d’instruction van Lyon ernstig in vraag gesteld. Het is meer aannemelijk dat hij, zoals zovele Syriëgangers, via Turkije naar Syrië is gereisd om vervolgens in februari 2015 terug te keren. Er is ook het gegeven dat zijn asielstatus is ingetrokken, dat was pas in september 2015, opnieuw nadat de door Rusland aangegeven geïncrimineerde periode al was afgelopen en hij verscheen in dat kader pas in april 2015 voor de asielinstantie, opnieuw na de door de Russen opgegeven eindperiode van de feiten. Ook de procedure voor de burgerlijke rechtbank in Saint-Etienne met het oog op het verkrijgen van hoede- en bezoekrecht dateert van maart 2015, opnieuw tijdens het tijdsbestek na de geïncrimineerde periode zoals die uit het uitleveringsverzoek blijkt.” XIV-38.595-4/12 Verzoeker, die niet ingaat op de voornoemde motieven en ze a fortiori niet ontkracht, toont in die mate geen schending aan van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
  9. Wat het negatieve advies van de Chambre de l’Instruction de la Cour d’Appel de Lyon betreft, gaat verzoeker voorbij aan de volgende vaststelling in de bestreden beslissing: “Voormeld negatief advies van de chambre d’instruction van Lyon is daarenboven niet langer relevant. Het Parket-Generaal van Lyon tekende cassatievoorziening aan. Op 19.12.2019 heeft het Franse Hof van Cassatie (arrest nr. 2525) het advies verbroken. Het Hof van Cassatie oordeelde dat de Chambre d’instruction de motiveringsplicht had geschonden door uit te beperkte elementen af te leiden dat [verzoeker en I.A.] tijdens de Russische geïncrimineerde periode niet in Syrië konden zijn. Het Hof overwoog : ‘Mais attendu qu’en se déterminant ainsi, sans rechercher si les périodes qu’elle a retenues, pendant lesquelles la présence de M. [A.] en France était attestée, correspondaient à l’entière période de prévention, telle qu’exposée dans la demande d’extradition, la chambre de l’instruction, qui disposait des facultés de demander à l’Etat requérant les information[s] complémentaires nécessaires, n’a pas justifié sa décision.’ De zaak werd opnieuw naar de (anders samengestelde) chambre d’instruction van Lyon verwezen. Op 24.09.2020 heeft de chambre d’instruction van Lyon beide zaken opnieuw gehoord. Deze procedure is voor zover bekend nog steeds hangend.” Verzoeker, die niet ingaat op de voornoemde motieven en ze a fortiori niet ontkracht, toont in die mate geen schending aan van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
  10. Wat het buiten beschouwing laten van de door hem aangevoerde “pertinente elementen” betreft waaruit de “onbetrouwbaarheid” van het uitleveringsverzoek zou blijken, geeft verzoeker niet concreet aan welke elementen hij bedoelt. Ook in die mate toont verzoeker geen schending aan van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel.
  11. Het eerste middel is ongegrond. XIV-38.595-5/12 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van artikel 12.2, b), van het Europees verdrag betreffende de uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957 (hierna: de Europese uitleveringsovereenkomst). Verzoeker voert met verwijzing naar een Russische beschikking van 27 september 2018, het bevel tot voorlopige aanhouding van onderzoeksrechter D.M., de vordering tot uitvoerbaarverklaring van de procureur des Konings van 21 februari 2019, de beschikking van de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van Turnhout en de daarop volgende procedurestukken aan dat de onderzoeksrechter, de raadkamer, de procureur des Konings en de procureur-generaal niet op dezelfde lijn zitten wat de tijdsaanduiding van de feiten betreft. Dit illustreert volgens verzoeker dat de situering in de tijd bijzonder onnauwkeurig is en daarom in strijd met artikel 12.2, b), van de Europese Uitleveringsovereenkomst. Beoordeling
  13. Wat betreft de omschrijving van de tijd waarop de feiten zouden zijn begaan, wordt in de bestreden beslissing het volgende vastgesteld: “Overwegende dat in het uitleveringsverzoek en de stukken tot staving slechts op twee plaatsen is aangegeven dat de opgeëiste persoon de hem ten laste gelegde feiten vanaf (februari) 2015 zou hebben gepleegd. Uit de context kan echter slechts worden afgeleid dat het om een materiële vergissing of een vertaalfout gaat. Op alle andere plaatsen in het verzoek en de stukken tot staving waarin de feiten worden beschreven wordt consequent ‘tot (februari) 2015’ vermeld.” Verzoeker, die niet ingaat op de voormelde vaststelling en ze a fortiori niet ontkracht, toont dan ook geen schending aan van artikel 12.2, b), van de Europese Uitleveringsovereenkomst. XIV-38.595-6/12
  14. Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  15. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van artikel 2bis van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 (hierna: de Uitleveringwet) en van artikel 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 juni 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM). Verzoeker voert aan dat de Russische autoriteiten in hun uitleveringsverzoek geen enkele garantie geven voor het niet uitvoeren van de doodstraf zoals nochtans vereist door de Belgische en Europese rechtscolleges, conform de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Dit Hof heeft gesteld dat artikel 2 van het EVRM de uitlevering verbiedt naar een staat wanneer er substantiële gronden bestaan die doen vermoeden dat de betrokkene aldaar zal worden onderworpen aan de doodstraf. Verzoeker merkt op dat de Russische Federatie het zesde protocol bij het EVRM wel heeft ondertekend maar nooit heeft geratificeerd. Tot slot verwijst hij naar twee rapporten waaruit moet blijken dat de doodstraf nog op grote schaal wordt uitgevoerd in Tsjetsjenië. Beoordeling
  16. Verzoeker gaat voorbij aan de overweging in de bestreden beslissing dat “het vermeende risico op de toepassing van de doodstraf […] zonder voorwerp [is] aangezien de feiten met maximum 20 jaar gevangenisstraf strafbaar zijn”. Hij betwist die vaststelling niet, laat staan dat hij er de onjuistheid van aantoont en enig risico op de toepassing van de doodstraf aannemelijk maakt wat hem betreft. XIV-38.595-7/12
  17. Het derde middel is ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  18. Verzoeker werpt in een vierde middel de schending op van artikel 2bis van de Uitleveringswet en van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker wijst eerst op het absolute karakter van artikel 3 van het EVRM. De Russische Federatie heeft er zich toe geëngageerd om verzoeker niet te onderwerpen aan folteringen of onmenselijke of mensonwaardige behandelingen en om bezoek toe te staan van vertegenwoordigers van de Belgische ambassade om vast te stellen dat de gegeven garanties worden nageleefd. Verzoeker laat echter gelden dat de Russische Federatie dergelijke engagementen al herhaaldelijk heeft geschonden naar andere lidstaten toe en dat de waardeloosheid van die engagementen ook blijkt uit een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 12 april 2005 betreffende een uitlevering door Georgië aan Rusland wegens vermeende deelname aan Tsjetsjeense rebellie. Verzoeker haalt nog een aantal andere concrete zaken en algemene rapporten aan waarbij hij wijst op de risico’s die Tsjetsjenen lopen bij een terugkeer naar Rusland. Ook verwijst hij naar rapporten waaruit moet blijken dat de veiligheidssituatie in Noord-Georgië sterk is achteruitgegaan. Beoordeling
  19. In de bestreden beslissing wordt als volgt geantwoord op verzoekers argumentatie betreffende een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM: “Vooropgesteld wordt dat wanneer zowel de verzoekende staat als de aangezochte Staat zijn toegetreden tot het EVRM, er in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de bepalingen van dit verdrag zal eerbiedigen. Dit vertrouwen brengt tevens met zich dat ervan moet worden uitgegaan dat de XIV-38.595-8/12 opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering, een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van de verzoekende Staat kan aanwenden. Voor wat art. 3 en in art. 6 EVRM betreft, betekent een en ander dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing en / of een reëel risico loopt op flagrante rechtsweigering (sinds) EHRM Soering v. verenigd Koninkrijk, nr.14038/88, arrest 07.07.
  20. Indien n.a.v. voldoende onderbouwde argumenten is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen rechtsmiddel in de zin van art. 13 EVRM ter beschikking staat, dan kan niet worden volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. De Russische Federatie is partij bij het EVRM en om die reden gehouden toe te zien op de naleving van de verdragsbepalingen. Bij de vraag of er een reëel risico is op schending van het EVRM, dienen de door de Minister verkregen waarborgen van de Russische Federatie, waarop voormeld vertrouwensbeginsel ook van toepassing is, in de beoordeling te worden betrokken. Het bestaan van een ernstig of reëel risico op schending van art. 3 of het bestaan van een ernstig of reëel risico op flagrante rechtsweigering vergt echter niet enkel aantoonbare algemene - en actuele - omstandigheden over de Mensenrechtensituatie in de verzoekende staat, doch ook specifieke en actuele gegevens over de opgeëiste persoon en zijn concrete situatie. Alle door de verdediging aangebrachte en toegevoegde elementen en stukken (zie stukken 12-22) zijn van (zeer) algemene strekking. De stukken 12-14 betreffen het misbruik van INTERP0L-signalementen door Rusland, m.n. de Resolutie 2161

(2017)van 26.04.2017 van de parlementaire assemblee van de Raad van Europa. Uit de resolutie en het voorafgaand rapport, kan echter niet afgeleid worden dat alle Russische INTERPOL-signalementen onterecht zijn. De opgeëiste persoon heeft blijkens de door zijn Franse advocate op 05.07.2019 meegedeelde aanvullende stukken trouwens gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij de Commission for the Control of Interpol Files (CCF) een klacht in te dienen tegen zijn signalement. De CCF heeft echter niet geadviseerd het signalement te schorsen of te annuleren. Stukken 15-22 zijn rapporten van NGO’s over de situatie in de Kaukasus. Een deel van deze rapporten dateren uit de jaren 2010, 2011 en 2013 (zie stukken 19-22) zodat hun actualiteit anno 2020 niet vaststaat. Zoals hoger aangegeven, wijst geen van de aangebrachte elementen op een concreet en ernstig risico op mensenrechtenschendingen in hoofde van de opgeëiste persoon. In het bijzonder m.b.t. de uitlevering naar Kaukasische republieken van de Russische Federatie heeft het consistent geoordeeld dat geen schending van art. 3 of art. 6 EVRM kon worden vastgesteld: zie o.a. EHRM, EHRM Zarmayev t. België, nr. 35/10, arrest 27.02.2014 en vgl. met Bajsultanov t. Oostenrijk, nr. 5411/10, arrest 12.06.2012.” Opnieuw gaat verzoeker voorbij aan de motivering van het bestreden arrest, zodat hij wat dat betreft geen schending aantoont van artikel 2bis van de Uitleveringswet of van artikel 3 van het EVRM. Evenmin maakt verzoeker enig verband aannemelijk tussen zijn eigen situatie (verdacht van deelname aan terroristische activiteiten in Syrië) en de aangehaalde gevallen van uitlevering van verdachten van deelname aan de Tsjetsjeense rebellie. XIV-38.595-9/12
  1. Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  2. Verzoeker werpt in een vijfde middel de schending op van artikel 2bis van de Uitleveringswet en van artikel 6 van het EVRM. Verzoeker stelt de summiere garanties inzake het recht van verdediging, zoals geboden door de Russische Federatie, in vraag. Naar luid van artikel 6.2 van het EVRM wordt eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In de beschikking van tenlastelegging van 27 september 2018, die bij het uitleveringsverzoek is gevoegd, staat echter dat verzoeker de functie van gewapende strijder vervult en zo actief deelneemt aan de criminele activiteiten van die organisatie en dat hij zich op die wijze schuldig heeft gemaakt aan de misdaad zoals voorzien in artikel 205.5, deel 2 van het Strafwetboek van de Russische Federatie, met name deelname aan de activiteiten van een terroristische organisatie. Die beschikking houdt dus reeds een beoordeling in van verzoekers schuld. Volgens verzoeker wordt het vermoeden van onschuld geschonden en blijkt eens te meer de vooringenomenheid van de Russische autoriteiten. Beoordeling
  3. De betrokkene dient substantiële redenen aan te tonen die erop wijzen dat hij in de verzoekende staat daadwerkelijk een risico loopt dat fundamenteel afbreuk wordt gedaan aan de waarborgen van artikel 6 van het EVRM. De beschikking van 27 september 2018 waarnaar verzoeker verwijst en waaruit hij afleidt dat het vermoeden van onschuld is geschonden, XIV-38.595-10/12 blijkt een “ordonnance d’inculpation” te zijn waarin enkel wordt beslist om verzoeker te beschuldigen (“inculper”) op grond van de daarin aangehaalde feiten. Uit niets blijkt dat verzoeker daarmee op voorhand schuldig wordt bevonden.
  4. Het vijfde middel is ongegrond. V. Bedrag van de kosten - rechtsplegingsvergoeding
  5. De verwerende partij vraagt de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding van in totaal 840 euro voor de procedure ten gronde en de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Met toepassing van artikel 30/1, § 2, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en artikel 67, § 2, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt dit bedrag herleid tot 168 euro. BESLISSING
  6. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 168 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-38.595-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.595-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.799 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.