← België

Arrest 252800 - Uitleveringen - 26/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.800 Rolnummer: A. 234303/VII-41581 Zaak: Arrest 252800 - Uitleveringen - 26/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-15 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-06-19 01:48 Fiche Arrest nr 252.800 van 26 januari 2022 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.800 van 26 januari 2022 in de zaak A. 234.303/XIV-38.792 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Marchand kantoor houdend te 1060 Sint-Gillis Henri Jasparlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 12 augustus 2021, strekt tot de schorsing van de beslissing van de minister van Justitie van 12 juni 2021 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van Marokko wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. XIV-38.792-1/24 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 december 2021, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Marchand, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Sarah Elslander, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Met een verzoek van 19 juli 2017, meegedeeld met een diplomatieke nota van 10 augustus 2017, vraagt de regering van Marokko de uitlevering van verzoeker, van Marokkaanse nationaliteit, op grond van een bevel tot aanhouding van 4 mei 2017, gegeven door het parket te Nador in Marokko. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout verklaart het voornoemde aanhoudingsbevel uitvoerbaar met een beschikking van 22 september 2017. Na hoger beroep door verzoeker bevestigt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen deze beschikking met een arrest van 6 november 2017. Verzoekers cassatieberoep tegen dit laatste arrest wordt verworpen met een arrest van het Hof van Cassatie 5 december 2017. XIV-38.792-2/24 Verder brengt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Antwerpen op 31 mei 2018 een gunstig advies uit over het verzoek tot uitlevering van verzoeker. Op 12 juni 2021 staat de minister van Justitie de uitlevering toe van verzoeker aan de regering van Marokko wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering is gevraagd. Er wordt vermeld dat het specialiteitsbeginsel van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoeker werpt in een eerste middel de schending op van de artikelen 5.4 en 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 juni 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) en van artikel 3 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 (hierna: de Uitleveringswet). In een eerste middelonderdeel “gebrek aan effectieve gerechtelijke controle en zodoende de rechten van verdediging” voert verzoeker XIV-38.792-3/24 aan dat er, in strijd met de rechten die artikel 5.4 van het EVRM hem toekent, sedert 2017 nooit een effectieve controle werd uitgevoerd op zijn vrijheidsberoving in het kader van de uitleveringsprocedure. Volgens verzoeker voldoet de exequaturprocedure voor de raadkamer in dat opzicht niet vermits zij niet tegensprekelijk is en de beroepsmogelijkheid bij de kamer van inbeschuldigingstelling (hierna: de K.I.) louter theoretisch is. Hij acht de Uitleveringswet volledig gedateerd. In de exequaturprocedure moet eveneens worden nagegaan of de betrokken persoon zou worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering, foltering, onmenselijke of vernederende behandeling, hetgeen volgens verzoeker tot op heden niet is gebeurd in het kader van de uitleveringsprocedure. In een tweede middelonderdeel “gebrek aan de mogelijkheid tot hoger beroep en zodoende de rechten van verdediging” voert verzoeker aan dat, niettegenstaande zijn advocaat zijn tussenkomst reeds had gemeld van bij het begin van de procedure, hij niet op de hoogte werd gesteld van verzoekers aanhouding noch van de beslissing van de raadkamer waarbij het buitenlands bevel tot aanhouding uitvoerbaar werd verklaard. Daardoor verstreek de uiterst korte beroepstermijn tegen de beslissing van de raadkamer van 22 september 2017 en werd verzoekers recht van verdediging, zoals ook vervat in artikel 6 van het EVRM, geschonden. Verzoeker werd immers aangehouden en er werd over zijn uitlevering beslist zonder dat hij zich hiertegen heeft kunnen verdedigen. In een derde middelonderdeel “schending van het hoorrecht en zodoende de rechten van verdediging” voert verzoeker aan dat het advies van de K.I. over zijn uitlevering is opgesteld op grond van een onvolledig dossier, nu verzoekers raadslieden met meerdere brieven op zeer uitgebreide wijze bijkomende elementen hebben aangebracht die het advies van de K.I. en het uiteindelijke uitleveringsbesluit hadden kunnen beïnvloeden. Wanneer nieuwe elementen worden opgeworpen, is de verwerende partij volgens verzoeker nochtans verplicht hem hierover opnieuw te laten horen binnen het gerechtelijk debat. De verschillende brieven hebben volgens verzoeker evenwel nooit XIV-38.792-4/24 aanleiding gegeven tot een tegensprekelijk debat. Verzoeker meent dan ook dat er essentiële informatie ontbrak bij het uitbrengen van het advies door de K.I. en dat de verwerende partij het schrijven van verzoeker ten onrechte naast zich neer heeft gelegd. 6. Ter terechtzitting licht verzoeker nog toe dat het gerechtelijk onderzoek in Mechelen wel degelijk betrekking heeft op de feiten van onder meer invoer en uitvoer van verdovende middelen en dat de saisine van de onderzoeksrechter zich uitstrekt tot de feiten waarop het uitleveringsonderzoek steunt. Hij verwijst daartoe naar een e-mail van 17 september 2019 van zijn raadsman aan de procureur des Konings van Mechelen. Beoordeling 7. Verzoekers kritiek in het eerste middelonderdeel dat “nooit een effectieve controle werd uitgevoerd op zijn vrijheidsberoving in het kader van de uitleveringsprocedure” en tegen de gevolgde exequaturprocedure heeft op het eerste gezicht geen betrekking op de bestreden beslissing maar op de (titel voor

  1. de)vrijheidsberoving die is voorafgegaan aan de bestreden beslissing. Hierbij moet worden opgemerkt dat tegen de exequaturbeslissing van de raadkamer hoger beroep openstaat bij de K.I. Verzoeker heeft dit beroep ingesteld doch het werd door de K.I. als laattijdig verworpen. Verder heeft het Hof van Cassatie het door verzoeker tegen het voornoemde arrest van de K.I. ingestelde cassatieberoep verworpen. Het gaat om jurisdictionele beslissingen over de wettigheid waarvan de Raad van State zich niet heeft uit te spreken. Verzoekers algemene kritiek dat de Uitleveringswet op dit vlak “onvolledig en gedateerd” is, is op het eerste gezicht kritiek op de wet, hetgeen niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort. Het eerste onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. XIV-38.792-5/24 8. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op de beroepsmogelijkheid tegen de exequaturbeslissing van de Raadkamer. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt reeds dat dit op het eerste gezicht niet de bestreden beslissing betreft doch de (titel voor
  2. de)vrijheidsberoving die is voorafgegaan aan de bestreden beslissing. Zoals reeds aangehaald, heeft het Hof van Cassatie verzoekers cassatieberoep tegen het arrest van de K.I. verworpen. Verzoeker toont overigens niet aan dat hij eventuele kritiek wat de (toepassing van
  3. de)beroepstermijn betreft niet heeft kunnen opwerpen voor de K.I. of het Hof van Cassatie. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. 9. Het derde middelonderdeel heeft betrekking op het advies van de K.I. over verzoekers uitlevering. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker in een 63 bladzijden tellende conclusie voor de K.I. op omstandige wijze zijn standpunt omtrent het uitleveringsverzoek en zijn aanhouding heeft kunnen uiteenzetten. Uit de lezing van de voornoemde conclusie blijkt dat verzoeker daarin reeds de voorgehouden schending van de artikelen 3, 5 en 6 van het EVRM heeft aangevoerd evenals de feitelijke elementen die hij thans in zijn verzoekschrift aanhaalt. Zoals verzoeker zelf aangeeft in het middel, betreffen de aanvullende elementen in de door hem bedoelde briefwisseling van 28 augustus 2018, 8 augustus 2019 en 16 september 2019 het bestaan van samenhang tussen de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd en de feiten die het voorwerp uitmaken van een lopend onderzoek in België, de vrees voor schending van de artikelen 3 en 6 van het EVRM in geval van zijn uitlevering aan Marokko, zijn voorbeeldig gedrag tijdens de strafuitvoering in België, en tot slot zijn persoonlijke XIV-38.792-6/24 belangen in België, namelijk zijn alhier geworteld privé- en familieleven. Zoals bij de bespreking van de overige middelen infra wordt vastgesteld, blijkt op het eerste gezicht uit de motivering van de bestreden beslissing dat de verwerende partij hier uitvoerig is op ingegaan. Verzoeker betwist niet dat de briefwisseling van zijn advocaten dateert van na het advies van de K.I. van 31 mei 2018 en hij verduidelijkt niet hoe deze briefwisseling het advies nog zou hebben kunnen beïnvloeden. Nog daargelaten de vaststelling dat verzoeker niet aantoont dat hij deze elementen niet reeds eerder voor de K.I. had kunnen inroepen noch in welke zin deze elementen “nieuw” zouden zijn, duidt hij geen enkele rechtsregel aan die de verwerende partij ertoe zou verplichten een nieuw advies aan de K.I. te vragen. Bovendien blijkt uit de lezing van het advies van de K.I. dat daarin wordt geoordeeld dat geen samenhang is bewezen en verzoekers uitlevering geen schending inhoudt van de artikelen 3, 6 en 8 van het EVRM, zodat de K.I. aldus zijn argumenten in aanmerking lijkt te hebben genomen. Verzoeker verduidelijkt niet welke “nieuwe” elementen hij na dit advies heeft aangebracht die van dergelijke determinerende aard waren dat zij tot een ander advies hadden kunnen leiden, aangezien deze op het eerste gezicht voorheen reeds gekend waren en door de K.I. in aanmerking werden genomen. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat met de aanvullende argumenten en stukken die vanaf 31 mei 2018 door verzoeker werden aangebracht rekening is gehouden. Zo blijkt dat op verzoekers brief van 31 mei 2018 een overleg met de FOD Justitie is gevolgd op 5 juli 2018 en dat de FOD Justitie na dit overleg op 31 juli 2018 een brief met nadere preciseringen heeft overgemaakt aan verzoeker. Daarop heeft verzoeker aanvullende argumenten en stukken meegedeeld bij brieven van 8 augustus 2018, 28 augustus 2018 en 17 september 2019. Verzoekers “nieuwe” documenten betreffen een verklaring van zijn broer en een beschikking van 12 september 2019 van de onderzoeksrechter te Mechelen. Omtrent deze “aanvullende informatie” wordt in de bestreden beslissing geoordeeld dat deze niets wezenlijks toevoegt, meer bepaald omdat, wat de XIV-38.792-7/24 verklaring van verzoekers oudste broer betreft, een enkele getuigenis van een broer van de opgeëiste persoon geen objectieve of voldoende overtuigende bron van informatie over gevangenisomstandigheden kan zijn, en de bijgebrachte stukken voorts het duidelijke onderscheid bevestigen tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Marokko en deze die door het afdelingsparket Mechelen worden vervolgd. Voorts stelt de verwerende partij in de bestreden beslissing vast dat uit geen van de beschikbare stukken enige intentie vanwege Marokko dan wel vanwege het afdelingsparket Mechelen blijkt om de vervolging(
  4. en)op de ene of de andere plaats te concentreren. In deze stand van het geding blijkt derhalve niet – en verzoeker toont evenmin in concreto aan – welke elementen niet in aanmerking zouden zijn genomen, noch over welke elementen hij zijn standpunt niet zou hebben kunnen uiteenzetten. Verzoeker toont met de verwijzing naar zijn onder meer in de aangehaalde briefwisseling uiteengezet standpunt op het eerste gezicht ook niet aan dat hij in Mechelen wordt vervolgd voor dezelfde feiten als deze waarop het verzoek tot uitlevering betrekking heeft. Het derde onderdeel van het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. Verzoeker werpt in een tweede middel de schending op van de artikelen 5 en 6 van de overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering van 7 juli 1997 (hierna: de uitleveringsovereenkomst), van het beginsel “ne bis in idem” “zoals onder meer omschreven in artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM”, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van de motiveringsplicht. XIV-38.792-8/24 Verzoeker voert aan dat de verwerende partij een manifeste beoordelingsfout heeft begaan en haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft geschonden door een uitleveringsbesluit te nemen dat in strijd is met een fundamenteel recht, het beginsel ne bis in idem. Hij laat gelden dat de feiten waarvoor Marokko om zijn uitlevering verzoekt (export van drugs), betrekking hebben op de twee landen (uitvoer vanuit België en invoer in Marokko). Die feiten werden deels gepleegd en ontegensprekelijk aangevat op Belgisch grondgebied, vermits verzoekers aandeel erin reeds een aanvang nam in België. Daarom moet het misdrijf volgens verzoeker op Belgisch grondgebied worden gelokaliseerd en kan de weigeringsgrond van artikel 5 van de uitleveringsovereenkomst worden toegepast. Vervolgens stelt verzoeker dat er wel degelijk sprake is van dezelfde feiten zodat de weigeringsgrond van artikel 6 van de uitleveringsovereenkomst kan toegepast worden. De uitlevering aan Marokko zou volgens hem aldus het beginsel ne bis in idem schenden. Verzoeker meent dat uit de door hem aangehaalde elementen duidelijk blijkt dat de misdrijfperiode niet nader werd bepaald en dat de feiten van het onderzoek werden uitgebreid naar invoer, uitvoer, handel en bezit en dat in de door hem geciteerde processen-verbaal duidelijk wordt verwezen naar onderhavig dossier. Door desondanks te oordelen dat het niet gaat om dezelfde maar om gelijkaardige feiten, begaat de verwerende partij volgens verzoeker een manifeste appreciatiefout, geeft zij geen afdoende motivering omtrent de redenen waarom de weigeringsgrond niet wordt toegepast en schendt zij haar discretionaire bevoegdheid, temeer daar in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de loutere eventuele samenhang niet kan leiden tot de toepassing van de facultatieve weigeringsgrond en niet wordt verduidelijkt welk “duidelijk onderscheid” er zou zijn tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Marokko en de vervolging door het parket van Mechelen. Tot slot benadrukt verzoeker dat het respecteren van het beginsel ne bis in idem geen garantie inhoudt dat Marokko nooit een inbreuk op dit principe zou maken. Beoordeling XIV-38.792-9/24 11. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De door verzoeker voorgehouden “manifeste beoordelingsfout” houdt verband met de materiëlemotiveringsplicht. Deze houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Artikel 5.1 van de uitleveringsovereenkomst bepaalt dat “de aangezochte partij kan weigeren de gevraagde persoon uit te leveren wegens een misdrijf dat, volgens haar wetgeving, geheel of ten dele werd gepleegd op haar grondgebied of op een plaats die als haar grondgebied wordt beschouwd”. Naar luid van artikel 5.2 van die overeenkomst kan, “wanneer het misdrijf, waarop het XIV-38.792-10/24 verzoek tot uitlevering steunt, buiten het grondgebied van de verzoekende Partij werd gepleegd, […] de uitlevering enkel geweigerd worden indien de wetgeving van de aangezochte partij de vervolging van gelijkaardige, buiten haar grondgebied gepleegde misdrijven, niet toestaat”. In artikel 6 van de voornoemde overeenkomst is onder het kopje “aan de gang zijnde vervolgingen voor dezelfde feiten” bepaald dat “de aangezochte partij kan weigeren een opgeëiste persoon uit te leveren, indien deze door haar vervolgd wordt wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd”. 12. De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd wat de facultatieve weigeringsgronden betreft: “[…] Omtrent art. 5 uitleveringsovereenkomst valt vast te stellen dat de feiten die door de Marokkaanse gerechtelijke instanties worden vervolgd de invoer van verdovende middelen, uitgevoerd vanuit België betreffen. Internationale drugstrafiek speelt zich logischerwijze altijd in (ten minste) twee landen af. Uit deze feitelijke vaststelling kan echter niet worden afgeleid dat de aangezochte staat (België) de uitlevering moet weigeren; […] Omtrent art. 6 Uitleveringsovereenkomst stelt de verdediging dat de opgeëiste persoon in Mechelen wordt vervolgd wegens ‘gelijkaardige feiten’ (concl., p. 52). De feiten die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek in Mechelen – zie dossier Not. […] – zouden daarenboven ‘(…) de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd’ zijn. De opgeëiste persoon zou dus in Mechelen wegens dezelfde feiten worden vervolgd als de feiten die aan de grondslag liggen van het Marokkaanse uitleveringsverzoek. De navolgende brieven en stukken die op 08.08.2018, 28.08.2018 en op 17.09.2019 werden meegedeeld, herhalen dit argument en voegen stukken die na latere inzage van het strafdossier; […] Overwegende dat ‘gelijkaardige’ feiten niet ‘dezelfde’ feiten zijn. Uit de mededeling van het parket Mechelen dd. 02.08.2018 blijkt onmiskenbaar dat de opgeëiste persoon niet wegens ‘dezelfde’ maar wegens gelijkaardige feiten wordt vervolgd, nl. de uitvoer van andere (hoeveelheden) verdovende middelen (van dezelfde soort) op andere tijdstippen dan deze aangegeven in het Marokkaanse uitleveringsverzoek; […] Overwegende dat art. 6 van de uitleveringsovereenkomst eveneens een facultatieve en geen verplichte weigeringsgrond bevat. In dit verband rest en rijst enkel de vraag naar de opportuniteit van de voeging van beide dossiers in Marokko dan wel in Mechelen. De loutere eventuele samenhang tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Marokko en de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Mechelen is niet bij machte om de facultatieve weigeringsgrond te doen toepassen ; […] Overwegende dat het advies van de K.I. in punt 3.6 het argument heeft verworpen. De na 31.08.2021 toegevoegde nieuwe elementen zijn niet van die aard om het standpunt van het advies te wijzigen. De in augustus 2018 en september 2019 bijgebrachte stukken bevestigen het duidelijke onderscheid tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Marokko en deze die door het XIV-38.792-11/24 afdelingsparket Mechelen worden vervolgd. Uit geen van de beschikbare stukken blijkt bovendien enige intentie, noch vanwege Marokko, noch vanwege het afdelingsparket Mechelen om de vervolging(
  5. en)op de ene of de andere plaats te concentreren, m.a.w. op een andere wijze te handelen die zou kunnen leiden tot een verantwoorde toepassing van de facultatieve weigeringsgronden van art. 5 of art. 6 van het uitleveringsverdrag. Het bestaan van het uitleveringsverzoek bevestigt overigens de evidente intentie van de Marokkaanse overheid om de opgeëiste persoon te vervolgen. Overigens dreigt de uitlevering geen schending van het beginsel ne bis in idem teweeg te brengen. Enkel de verzoekende staat oefent zijn rechtsmacht over de in het uitleveringsverzoek vervatte feiten uit. Bovendien is vastgesteld dat Marokko het beginsel ne bis in idem in de praktijk adequaat respecteert – zie EHRM, X t. Nederland, nr. 14319/17, 10.07.2018, §§80-81 en het in §53 aangehaalde rapport van de Deense Immigratiedienst, 21.03.2017: ‘all sources confirmed that Morocco respects the principe of ne bis in idem.’;” Uit deze motivering blijkt op het eerste gezicht om welke redenen de weigeringsgronden te dezen niet worden toegepast. Verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de formelemotiveringsplicht. 13. Verder blijkt uit de uiteenzetting van het middel dat verzoeker de voornoemde redenen kent, maar het er niet mee eens is. Verzoeker laat eerst gelden dat de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, zich op Belgisch grondgebied hebben voorgedaan zodat de weigeringsgrond uit artikel 5.1 van de uitleveringsovereenkomst had moeten worden toegepast. Verzoeker gaat daarbij voorbij aan de vaststellingen in de bestreden beslissing dat de feiten waarvoor de Marokkaanse autoriteiten zijn uitlevering vragen de invoer van verdovende middelen in Marokko (weliswaar vanuit België) betreffen en dat internationale drugstrafiek zich, zoals de bestreden beslissing terecht opmerkt, logischerwijze altijd in (ten minste) twee landen afspeelt. Hij ontkracht niet dat uit deze feitelijke vaststelling niet kan worden afgeleid dat de aangezochte staat (België) de uitlevering moet weigeren. Verzoeker herhaalt weliswaar zijn standpunt omtrent het aanvangen van de feiten in België, maar weerlegt daarmee op het eerste gezicht niet de vaststellingen in de bestreden beslissing, en toont daarmee evenmin aan dat artikel 5.1 van de uitleveringsovereenkomst zou zijn geschonden. XIV-38.792-12/24 Verzoeker meent vervolgens dat er wel degelijk sprake is van “dezelfde feiten” zodat de weigeringsgrond van artikel 6 van de uitleveringsovereenkomst kan worden toegepast en dat het principe ne bis in idem wordt geschonden door zijn uitlevering aan Marokko toe te staan. Dienaangaande lijkt verzoeker eraan voorbij te gaan dat voormeld artikel 6 bepaalt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon kan worden geweigerd “indien deze door haar vervolgd wordt wegens het feit of de feiten op grond waarvan uitlevering wordt gevraagd”. Op grond van voormeld artikel dient het derhalve om dezelfde feiten te gaan. De bestreden beslissing stelt dan ook terecht dat “gelijkaardige feiten” niet “dezelfde feiten” zijn. Verzoeker betwist overigens niet de vaststelling in de bestreden beslissing dat uit de mededeling van het parket van Mechelen van 2 augustus 2018 onmiskenbaar blijkt dat hij niet wegens dezelfde maar wegens gelijkaardige feiten wordt vervolgd, meer bepaald de uitvoer van andere (hoeveelheden) verdovende middelen (van dezelfde soort) op andere tijdstippen dan deze aangegeven in het Marokkaanse uitleveringsverzoek. Verzoeker komt niet verder dan het citeren uit oudere stukken van het dossier, zonder daarbij evenwel in concreto de vaststellingen in de mededeling van het parket van Mechelen van 2 augustus 2018, waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, te weerleggen. Verzoeker gaat ook voorbij aan het advies van de K.I., waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen en waarin verzoekers argument wordt verworpen omdat “niet (wordt) aangetoond dat de betrokkene door de Belgische staat wordt vervolgd wegens het feit of de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd. Het loutere feit dat de betrokkene in Mechelen het voorwerp uitmaakt van een vervolging wegens gelijkaardige, doch niet dezelfde feiten, volstaat hiertoe geenszins.” Daarenboven wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk aangegeven dat “de in augustus 2018 en september 2019 bijgebrachte stukken […] het duidelijke onderscheid [bevestigen] tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Marokko en deze die door het afdelingsparket Mechelen worden vervolgd”. Dat het niet om dezelfde feiten gaat, blijkt ook uit het antwoord van 2 augustus 2018 van de procureur des Konings aan de verwerende partij omtrent de XIV-38.792-13/24 samenhang tussen de feiten. Zo stelt de procureur in zijn antwoord dat het geenszins om de feiten van 27 april 2017 (waarvoor de uitlevering wordt verzocht) gaat, maar dat de feiten in het dossier waarvan verzoeker meent dat het dezelfde zijn, zich situeren in de periode van 30 december 2012 tot 4 september 2016. De omstandigheid dat feiten van latere datum worden vermeld in het dossier en/of aan bod komen in een verhoor doet hier volgens de procureur geen afbreuk aan. Hij verduidelijkt nog dat het steeds de bedoeling is geweest om de feiten van de periode van 30 december 2012 tot 4 september 2016 gescheiden te houden van de feiten gepleegd na die periode. Verzoeker brengt op het eerste gezicht geen enkel element aan dat het tegendeel zou kunnen aantonen. Uit de brief van 29 juli 2019 van de verwerende partij aan verzoekers raadslieden blijkt eveneens dat uitvoerig wordt ingegaan op verzoekers argumenten omtrent de samenhang van de feiten. In beide stukken, die aan zijn raadslieden waren gericht en waarvan verzoeker niet beweert dat hij er geen kennis zou van hebben, wordt het in de bestreden beslissing vermelde “duidelijke onderscheid tussen de feiten die het voorwerp uitmaken van vervolging in Marokko en deze die door het afdelingsparket Mechelen worden vervolgd” uitvoerig uiteengezet. Verzoeker laat na het tegendeel aan te tonen. De verwerende partij vervolgt in de bestreden beslissing dat “uit geen van de beschikbare stukken blijkt bovendien enige intentie, noch vanwege Marokko, noch vanwege het afdelingsparket Mechelen om de vervolging(
  6. en)op de ene of de andere plaats te concentreren, m.a.w. op een andere wijze te handelen die zou kunnen leiden tot een verantwoorde toepassing van de facultatieve weigeringsgronden van art. 5 of art. 6 van het uitleveringsverdrag. Het bestaan van het uitleveringsverzoek bevestigt overigens de evidente intentie van de Marokkaanse overheid om de opgeëiste persoon te vervolgen”. Uit de hoger gedane vaststellingen blijkt dat de verwerende partij wel degelijk motiveert omtrent de redenen waarom zij de weigeringsgronden niet toepast. Met de loutere herhaling van de argumenten die hij reeds ontwikkelde voor de verwerende partij, toont verzoeker in de huidige stand van het geding geen “manifeste beoordelingsfout” aan. XIV-38.792-14/24 14. De toepassing van het beginsel ne bis in idem, dat onder meer is opgenomen in artikel 4, eerste lid, van het ten opzichte van België op 1 juli 2012 in werking getreden Protocol nr. 7 bij het EVRM, vereist dat de aan de betrokkene ten laste gelegde feiten identiek zijn. Zoals blijkt uit wat voorafgaat, toont verzoeker op het eerste gezicht niet aan dat hij omwille van dezelfde feiten wordt vervolgd in België en in Marokko. In de mate dat verzoeker benadrukt dat het respecteren van het beginsel ne bis in idem geen garantie inhoudt dat Marokko nooit een inbreuk op dit principe zou maken, betreft het op het eerste gezicht een vage stelling zonder elementen die de juistheid ervan kunnen staven. 15. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 16. Verzoeker werpt in een derde middel de schending op van de artikelen 3 en 6 van het EVRM en van “de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”. Verzoeker voert in een eerste middelonderdeel eerst aan dat de kans op foltering in Marokko nog steeds aanwezig blijft en dat dit, in tegenstelling tot hetgeen de verwerende partij lijkt te denken, niet beperkt is tot verdachten van terrorisme of politieke activisten. Wat de kans op onmenselijke of vernederende behandeling in het kader van de detentieomstandigheden betreft, verwijst verzoeker vervolgens naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) met een aantal criteria om die omstandigheden te onderzoeken en een drempel te bepalen vanaf dewelke deze in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM. Hij verwijst tevens naar een observatienota van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties en van het Observatoire Marocain XIV-38.792-15/24 des Prisons en naar een arrest van het EHRM omtrent de alarmerende detentievoorwaarden in Marokko en besluit dat deze informatie, hoewel algemeen, een objectieve vaststelling vormt dat de overbevolking van de Marokkaanse gevangenissen ernstig is en dat deze detentiecondities niet verenigbaar zijn met de eerbiediging van de menselijke waardigheid. Daarom acht verzoeker een uitlevering naar Marokko te dezen in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker verwijst nog naar de verklaring van zijn broer omtrent de detentie-omstandigheden in Marokko. Hij vindt het opmerkelijk dat de bestreden beslissing zwijgt over de deze omstandigheden en hij beschouwt ze daarom als onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast meent verzoeker dat de verwerende partij onterecht focust op het misdrijf van terrorisme, terwijl dit niet aan de orde is in zijn zaak. In een tweede middelonderdeel betoogt verzoeker onder verwijzing naar het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België dat de uitwijzende staat een grondig onderzoek dient te doen naar de vrees van de betrokkene en het door hem opgeworpen risico op onmenselijke behandeling. Zoals hij reeds heeft uiteengezet, is verzoeker ervan overtuigd dat hij in geval van uitlevering aan Marokko zal worden onderworpen aan foltering, onmenselijke of onterende behandeling en bijgevolg aan flagrante rechtsweigering. Foltering is in het kader van het vooronderzoek in Marokko tot op heden nog steeds een toegestane onderzoeksmethode. Hoewel deze praktijk al jaren onder vuur ligt, is er weinig verbetering merkbaar, hetgeen verzoeker ook afleidt uit verschillende internationale rapporten. In de fase ten gronde blijkt het garanderen van een eerlijk proces in Marokko zeer moeilijk, waarbij verzoeker opnieuw verwijst naar verschillende rapporten waarin grote zorgen worden geuit over het reële risico voor een schending van het recht op een eerlijk proces door de justitiële instellingen van Marokko. Verzoeker verwijst naar het arrest van het EHRM van 17 januari 2012 in de zaak Othman tegen het Verenigd Koninkrijk en naar een rapport van het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties waaruit blijkt dat foltering een regelmatige praktijk blijft in Marokko om bewijzen te bekomen. Verzoeker besluit dat ontegensprekelijk vaststaat dat Marokko stelselmatig artikel 3 van het EVRM schendt door bekentenissen te verkrijgen door XIV-38.792-16/24 foltering, geen toegang te verlenen tot een advocaat, en het toelaten van onmenselijke en onterende detentieomstandigheden. Beoordeling 17. Artikel 3 van het EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Het EHRM heeft herhaaldelijk bevestigd dat de uitlevering naar een daartoe verzoekende staat een probleem ten aanzien van artikel 3 van het EVRM kan opleveren, en dus de uitleverende staat verantwoordelijk kan stellen, wanneer er ernstige en bewezen motieven bestaan om aan te nemen dat de betrokkene in de verzoekende staat een reëel gevaar loopt om te worden onderworpen aan behandelingen die in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM (zie onder meer EHRM 7 juli 1989, Soering/Verenigd Koninkrijk, punten 88 en 91; EHRM [G.K.] 15 november 1996, Chahal/Verenigd Koninkrijk, punt 74; EHRM 4 februari 2005, Mamatkulov en Askolov/Turkije, punt 74 en EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 87). Om het bestaan van dergelijk gevaar voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te onderzoeken, moet volgens het EHRM rekening worden gehouden met de algemene situatie in het land van bestemming en met de omstandigheden eigen aan het geval van de betrokkene (zie onder meer EHRM 27 februari 2014, Zarmayev/België, punt 89 en EHRM 28 februari 2008, Saadi/Italië, punt 130). Het EHRM hecht wat het onderzoek van de algemene situatie in een land betreft, vaak belang aan informatie vervat in recente verslagen, afkomstig van onafhankelijke internationale organisaties voor de verdediging van de rechten van de mens zoals Amnesty International en regeringsbronnen. Het valt in principe de betrokkene toe om de nodige elementen bij te brengen ter staving van het voorgehouden werkelijk risico op een gevaar voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. XIV-38.792-17/24 18. Ter staving van de voorgehouden schending van artikel 3 van het EVRM verwijst verzoeker naar een rapport van Amnesty International van 2015. Verzoeker heeft dit verslag, dat inmiddels zes jaar oud is, reeds aangehaald in zijn conclusie voor het hof van beroep te Antwerpen. Het gaat om dezelfde argumenten die hij heeft aangevoerd tijdens de administratieve procedure die tot de bestreden beslissing heeft geleid. Verzoeker gaat bovendien voorbij aan de volgende motivering in de bestreden beslissing: “[…] Daarenboven geven alle aangehaalde en toegevoegde rapporten steeds een duidelijke en graduele verbetering weer van de mensenrechtensituatie in Marokko. Marokko heeft de voorbije jaren wetgeving aangenomen – inclusief een nieuwe Grondwet – en institutionele hervormingen doorgevoerd die het onderzoek en de vervolging van foltering en onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen effectiever maakt. Ook werden zowel wetgevende en institutionele hervormingen doorgevoerd die dergelijke praktijken en misbruiken moeten voorkomen. In dat verband mag zeker niet worden voorbijgegaan aan de creatie van de onafhankelijke Conseil national des droits de l’homme. Deze instelling voert onderzoek naar individuele klachten – zie stuk 3 en stuk 7 bij de adviesconclusie. De opmerkelijke verbeteringen van de mensenrechten-situatie van verdachten, beklaagden en veroordeelden wordt aangehaald in EHRM, Mansour Said Abdul Salam Mubarak t. Denemarken, nr. 74411/16, 22.01.2019 (beslissing), §§50-51, verwijzend naar de arresten X t. Zweden, nr. 36417/16, 09.01.2018 en X t. Nederland, nr. 14319/17, 10 juli 2018. Deze zaken betroffen overigens de expulsie van terrorismeverdachten; […] Een (enige) verwijzing naar de uitlevering van een verdachte van drugshandel is het op p. 45 en voetnoot 59 aangehaalde vonnis van de rechtbank Zeeland – West-Brabant van 22.02.2018. In deze zaak bevond de arrondissementsrechtbank de uitlevering van een van deelneming aan cannabishandel verdachte persoon aan Marokko ontoelaatbaar. Deze in Nederland gevoerde uitleveringsprocedure betreft een opgeëiste persoon met een aantoonbaar verleden (en heden) in de Marokkaanse politiek, meer in het bijzonder in de Rifijnse afscheidingsbeweging. Dit maakt deze zaak apert politiek gevoelig waardoor, op zijn beurt een zaak zoals deze rechtstreeks verband houdt met zaken waarbij de Marokkaanse veiligheid van de staat betrokken is. Net in dit soort van zaken wijzen opeenvolgende rapporten aan dat het risico op schendingen van art. 3 (en 6) EVRM nog steeds voorhanden kunnen zijn. Bovendien zijn in deze zaken twee medeverdachten betrokken die hebben gerapporteerd dat zij aan foltering of onmenselijke behandelingen werden onderworpen, m.n. om belastende verklaringen tegen de opgeëiste persoon af te leggen. Deze omstandigheden komen in het geheel niet voor in de onderhavige uitleveringszaak. De opgeëiste persoon heeft nergens aangegeven in het verleden of het heden op enigerlei wijze betrokken te zijn bij een politieke partij of beweging of een vereniging die thans in Marokko wordt gekwalificeerd als ‘staatsgevaarlijk’ of anderszins onder de aandacht van de politie- en / inlichtingendiensten omwille van XIV-38.792-18/24 dissidente of terroristische (of aldus gepercipieerde) activiteiten. Evenmin blijkt uit de conclusie en de (later) aangebrachte stukken, dat de vervolging van de opgeëiste persoon (mee) zou berusten op d.m.v. dwang verkregen bekentenissen van derden;” Uit de voormelde overwegingen van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij de door verzoeker in de loop van de procedure neergelegde stukken heeft onderzocht en dat zij op gemotiveerde wijze wijst op de algehele duidelijke en graduele verbetering van de mensenrechtensituatie in Marokko, zelfs in het geval van terrorismeverdachten. Anders dan verzoeker voorhoudt, is de motivering dus niet beperkt tot zaken betreffende terrorisme, maar betreft ze de algemene, verbeterde toestand in Marokko, zelfs voor terrorismeverdachten. Verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij uit de voorgelegde documentatie ten onrechte afleidt dat de toestand thans van dien aard is om te besluiten tot een ernstig gevaar op foltering. Gelet op de te dezen geldende bewijslast in hoofde van verzoeker, volstaat een enkele verwijzing naar de algemene situatie in de verzoekende staat of het opwerpen van een loutere mogelijkheid van een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM niet om een schending van die bepaling als zodanig vast te stellen. De betrokkene dient ook de omstandigheden eigen aan zijn geval aan te tonen die zouden kunnen wijzen op een behandeling in strijd met voormeld artikel. 19. Verder verwijst verzoeker met betrekking tot het risico op onmenselijke of vernederende behandeling naar de rechtspraak van het EHRM en een verslag van 2011 van het Comité tegen foltering van de UNO, alsook naar het probleem van de overbevolking van de gevangenissen in Marokko zoals blijkt uit een rapport van juli 2020 van het Observatoire Maroccain des Prisons. Hij verwijst tevens naar een verklaring van zijn broer A.S., die opgesloten is in een Marokkaanse gevangenis. Ook hier kan worden gewezen op de hoger vermelde motivering omtrent de algehele, duidelijke en graduele verbetering van de XIV-38.792-19/24 mensenrechtensituatie in Marokko, waarbij de verwerende partij verwijst naar recente rapporten over de mensrechtensituatie in Marokko die duidelijk aangeven dat Marokko de voorbije jaren wetgeving heeft aangenomen en institutionele hervormingen heeft doorgevoerd die het onderzoek en de vervolging van foltering en onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen mogelijk en effectiever maken, en naar zowel wetgevende en institutionele doorgevoerde hervormingen die dergelijke praktijken en misbruiken moeten voorkomen. Verzoeker spreekt deze motieven niet tegen, maar wijst slechts op een algemene toestand zonder concrete en actuele gegevens aan te brengen waaruit zou blijken dat hij persoonlijk in Marokko een ernstig risico zou lopen op een schending van artikel 3 van het EVRM. Terecht wijst de verwerende partij in haar nota met opmerkingen ook op het advies van de K.I. waarin het volgende wordt gesteld: “De door de betrokkene aangehaalde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft steeds betrekking op andere concrete gevallen, voornamelijk in verband met verdachten of veroordeelden inzake terroristische misdrijven of een verdachte die lid was van het Marokkaanse parlement. Deze specifieke omstandigheden zijn niet aan de orde in het dossier van de betrokkene, zodat de door betrokkene aangehaalde rechtspraak van het EHRM niet relevant is. Evenmin wordt door de betrokkene aangevoerd dat het onderzoek lastens hem en de daaruit voortvloeiende vervolging (mede) zou berusten op door middel van dwang verkregen bekentenissen van derden.” Ook in het onderhavig verzoekschrift voert verzoeker geen elementen aan die wijzen op een concreet en ernstig risico op mensenrechtenschendingen in zijnen hoofde. Omtrent de verklaring van verzoekers broer merkt de bestreden beslissing, daarbij verwijzend naar een arrest van het EHRM van 19 april 2018, op dat deze niet als een objectieve of voldoende overtuigende bron van informatie over de gevangenisomstandigheden kan gelden. Verzoeker beperkt zich in zijn kritiek ter zake opnieuw tot enkele algemeenheden en tot zijn persoonlijke stelling dat niet bewezen is “dat de detentieomstandigheden (…) de facto en op heden volledig zonder gevaar zijn”, zonder dat evenwel uit de door hem aangebrachte elementen een concreet en ernstig risico op mensenrechtenschendingen in zijnen hoofde zou blijken. De door hem aangereikte argumenten en documenten zijn, XIV-38.792-20/24 zoals in de bestreden beslissing reeds wordt opgemerkt, van algemene aard, betreffen algemene overwegingen die geen verband houden met de opgeëiste persoon en zijn minder recent dan de door de verwerende partij geciteerde bronnen. In het licht van de voorgaande vaststellingen inzake de algemene actuele situatie in Marokko – die op het eerste gezicht blijkt uit de elementen die de verwerende partij in het kader van haar onderzoeksplicht heeft betrokken – en die verzoeker in de huidige stand van het geding niet met concrete en precieze elementen in het verzoekschrift betwist, lijkt de verwerende partij haar appreciatiebevoegdheid niet te buiten te zijn gegaan door op grond van haar onderzoek van de actuele situatie inzake de mensenrechtensituatie in Marokko, aan te nemen dat het te verwachten gevolg van verzoekers uitlevering niet zal inhouden dat er voor hem een werkelijk risico is op een gevaar voor behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. 20. Het eerste onderdeel van het derde middel is niet ernstig. 21. Met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde flagrante rechtsweigering merkt de bestreden beslissing terecht op: “[…] Overwegende dat onder flagrante rechtsweigering wordt begrepen dat het strafproces manifest in strijd is of kan zijn met art. 6 EVRM of met de daarin vervatte principes: Sejdovic t. Italië, nr. 56581/00, [GK], arrest 01.03.2006, §84. In uitleveringszaken vond het EHRM tot dusver nooit het bestaan van een dergelijk risico: zie EHRM Al-Moayad t. Duitsland, nr. 36865/03, beslissing 20.02.2007, §93; Ahorugeze t. Zweden, nr. 37075/09, arrest 27.10.2011, §§113-116: in de 22 jaar sinds het arrest Soering

(1989)stelde het EHRM in uitleverings- of expulsiezaken geen schending van artikel 6 EVRM vast (ibid., §115). Vgl. Othman v. UK, nr. 8139/09, arrest 17.01.2012, §§258-261 en Trabelsi t. België, 140/10, arrest 04.09.2014, §160 en o.a. Cass. 31.12.2013, P.13.1988.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131231.1, www.cass.be;” Verzoeker beperkt zich thans tot een herhaling van de argumenten die hij reeds in het kader van de adviesprocedure voorlegde zonder in concreto aan te tonen dat er in zijn geval een risico zou bestaan op flagrante rechtsweigering. Deze argumenten en de aangehaalde bronnen blijven beperkt tot XIV-38.792-21/24 een theoretische, algemene analyse van de mensenrechtensituatie in Marokko, zonder concreet aan te geven hoe en in welke mate ze op verzoeker van toepassing zou zijn. Zoals supra reeds aangehaald, wordt in de bestreden beslissing verwezen naar het gunstig advies van de K.I. en de verwerping van verzoekers beroep en cassatieberoep tegen de exequaturbeschikking. Er wordt ook uitdrukkelijk en omstandig ingegaan op de door verzoeker in algemene zin geuite mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM of het bestaan van een ernstig of reëel risico op flagrante rechtsweigering. Verzoeker haalt op het eerste gezicht dan ook enkel gegevens aan van algemene strekking die niet aantonen dat er in zijn concreet geval een risico zou zijn op een schending van de door hem ingeroepen rechten. Los van de vaststelling dat het arrest van het EHRM van 17 januari 2012 in de zaak Othman tegen het Verenigd Koninkrijk op het eerste gezicht betrekking heeft op de uitlevering van de van terrorisme verdachte betrokkene aan Jordanië, volstaat de enkele verwijzing naar dit arrest, zonder aannemelijk te maken dat hij in geval van uitlevering in dezelfde of gelijkaardige concrete omstandigheden zal belanden, daartoe niet. Verzoeker toont ook thans niet aan dat hij na zijn uitlevering niet over adequate mogelijkheden zou beschikken om voor de bevoegde Marokkaanse gerechtelijke instanties zijn verdediging ten aanzien van de concrete aanklacht te voeren of dat hij op onwettige wijze en langer dan nodig door de Marokkaanse autoriteiten zal worden vastgehouden. In antwoord op verzoekers enige concrete argument met betrekking tot zijn geval, meer bepaald dat het vermoeden van onschuld niet in acht wordt genomen omdat geen gebruik wordt gemaakt van de voorwaardelijke wijze, kon de verwerende partij zonder haar appreciatiebevoegdheid te overschrijden vaststellen: “[…] Overwegende dat in deze zaak is deze hoge drempel niet overschreden. Uit het uitleveringsverzoek noch de stukken tot staving, valt af te leiden dat het door de Marokkaanse gerechtelijke en politiële diensten gevoerde onderzoek en vervolging, noch de te verwachten verdere vervolging en het proces aldaar niet aan de principes van art. 6 EVRM voldeden of zouden voldoen. XIV-38.792-22/24 Overwegende dat uit het ontbreken of het niet aanwenden van de voorwaardelijke wijs in het stadium van het (gerechtelijk) onderzoek of de vervolging op zich geen schending van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid. Art. 6.2 EVRM verbiedt het openbaar ministerie, een partij in het strafproces, niet om in een akte van rechtspleging te stellen dat de vervolgde persoon het misdrijf heeft gepleegd. Deze bewoordingen berusten op het bestaan van ernstige aanwijzingen c.q. bewijsmiddelen ten laste van de vervolgde persoon. Het loutere gegeven dat de verdachte vervolgd wordt, vestigt een in een later stadium voor de verdediging weerlegbaar vermoeden van het bestaan van dergelijke bewijsmiddelen. Hiermee is nog niet vooropgesteld dat de vervolgde persoon – nu al – schuldig zou zijn, laat staan schuldig is. Het vermoeden van onschuld heeft betrekking op de houding van de (bodem)rechter die de gegrondheid van de aanklacht zal moeten beoordelen. De beoordeling van een door de verdediging op te werpen schending van het vermoeden van onschuld is m.a.w. een toekomstige beoordeling – cf. EHRM, Daktaras v. Lithuania, 42095/98, arrest 10.10.2000, §44-45; K.I. Brussel 03.02.2011 en vgl. in de context van het Europees aanhoudingsbevel : o.a. Cass., 18.04.2012, P.12.0646.F en Cass., 30.07.2013, P.13.1311.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130730.2.” Ook wat dit argument betreft, beperkt verzoeker zich aldus tot algemene kritiek over Marokko zonder concrete en individuele elementen omtrent zijn eigen uitlevering aan te brengen die erop zouden kunnen wijzen dat in zijn geval een reëel risico bestaat op een schending van de door hem aangevoerde bepalingen. Wat het onderzoek van de omstandigheden eigen aan verzoekers geval betreft, maakt verzoeker dan ook evenmin aannemelijk dat het door hem ingeroepen risico voldoende concreet en aantoonbaar is derwijze dat het een individueel karakter heeft. Uit wat voorafgaat blijkt dat in de bestreden beslissing aldus wordt overwogen dat er geen aanwijzing is van het bestaan van een ernstig risico dat verzoeker na uitlevering zou worden onderworpen aan flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke of onterende behandeling. Verzoeker maakt prima facie niet aannemelijk dat hij door zijn uitlevering naar Marokko een ernstig en reëel gevaar loopt te worden blootgesteld aan een behandeling die strijdt met de artikelen 3 en 6 van het EVRM. 22. Het tweede onderdeel van het derde middel is niet ernstig. VI. Conclusie XIV-38.792-23/24 23. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.792-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.800 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.367 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130730.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131231.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.