← België

Arrest 252818 - Tucht (openbaar ambt) - 27/01/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 januari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.818 Rolnummer: A. 230075/IX-9678 Zaak: Arrest 252818 - Tucht (openbaar ambt) - 27/01/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-10 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 06:08 Fiche Arrest nr 252.818 van 27 januari 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 252.818 van 27 januari 2022 in de zaak A. 230.075/IX-9678 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mario Van Essche kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan van Rijswijcklaan 33-35 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de UNIVERSITEIT HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Geelen kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 25 januari 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie van de Universiteit Hasselt van 22 november 2019 waarbij het beroep van XXXX gericht tegen de hem opgelegde tuchtmaatregel ‘ontslag’ wordt verworpen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 248.188 van 28 augustus 2020 is het debat heropend om het onderzoek van de zaak volgens de gewone procedure voort te zetten. IX-9678-1/34 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wendy Depester heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 december
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mario Van Essche, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Wouter Moonen, die loco advocaat Koen Geelen verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wendy Depester heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 28 maart 2019 geeft de rector van de verwerende partij verzoeker, die hoogleraar is aan de Universiteit Hasselt, ervan kennis “dat er zich een aantal feiten hebben voorgedaan, die ik als voldoende ernstig beschouw om een tuchtonderzoek op te starten en de Tuchtcommissie van onze universiteit te IX-9678-2/34 gelasten”. De feiten hebben betrekking op

(1)“[z]eer frequente ongepaste communicatie met een directe of impliciet seksuele inhoud met studenten of doctorandi”,
(2)“[g]rensoverschrijdend gedrag en ongepaste persoonlijke afspraken met studenten en doctorandi”,
(3)“[o]ngewenst lichamelijk gedrag en contact met een seksuele connotatie dat als gevolg heeft dat een vernederende of kwetsende omgeving werd gecreëerd” en
(4)“[o]ngepaste communicatie met een seksuele connotatie t.a.v. externen”. Op 17 juni 2019 formuleert de tuchtcommissie, verzoeker gehoord, een tuchtvoorstel aan de raad van bestuur. De tuchtcommissie adviseert het ontslag als tuchtmaatregel. Op 5 september 2019 beslist de raad van bestuur, met twaalf stemmen voor en vier stemmen tegen, om verzoeker de tuchtstraf van het ontslag op te leggen voor de hem ten laste gelegde en bewezen tuchtfeiten. In de beslissing van de raad van bestuur is onder meer het volgende te lezen: “Tijdens de Raad van Bestuur lezen de afgevaardigden van de Studentenraad een statement voor waarin zij menen dat [verzoeker] dient te worden vrijgesproken aangezien hij geen strafbare feiten zou hebben begaan. De overige leden van de Raad van Bestuur nemen kennis van dit standpunt maar delen het niet.” Op 26 september 2019 tekent verzoeker beroep aan tegen de beslissing van de raad van bestuur. Op 22 oktober 2019 wordt verzoeker gehoord door de beroepscommissie. Op 22 november 2019 beslist de beroepscommissie unaniem, na geheime stemming, om het beroep van verzoeker te verwerpen. IX-9678-3/34 IV. Onderzoek van de middelen A. Vooraf
  1. Artikel 196, vierde en vijfde lid, van het toepasselijke statuut voor het Zelfstandig Academisch Personeel (ZAP-statuut) bepaalt het volgende: “De Beroepscommissie motiveert haar beslissing. Zij kan beslissen om het beroep af te wijzen, dan wel of de Tuchtcommissie opnieuw wordt samengeroepen teneinde de gemotiveerde overwegingen van de Beroepscommissie te beantwoorden. Bij terugzending naar de Tuchtcommissie volgt een volledig nieuw tuchtonderzoek zoals voorzien in dit hoofdstuk. In haar nieuw advies aan het BC/de RvB geeft de Tuchtcommissie gemotiveerd antwoord op de overwegingen van de Beroepscommissie. Tegen de nieuwe beslissing van het BC/de RvB na beroep is geen tweede beroep meer mogelijk.” Het beroep bij de beroepscommissie heeft met andere woorden een zogenaamde devolutieve werking: door het instellen van het beroep wordt de beslissingsbevoegdheid overgedragen aan de beroepscommissie. De beroepscommissie neemt, eventueel na een bijkomend “volledig nieuw” tuchtonderzoek en aanvullend advies van de tuchtcommissie, een definitieve beslissing. Die beslissing komt dan in de plaats van de beroepen beslissing van de raad van bestuur. De beslissing van de raad van bestuur verdwijnt uit het rechtsverkeer. Eén van de doelstellingen én gevolgen van dergelijk hoger beroep, is de mogelijkheid voor de beroepscommissie om in eerste aanleg begane onregelmatigheden in de procedure recht te zetten. Omdat de beslissing die in eerste aanleg werd genomen geen rechtsgevolgen meer met zich meebrengt, dient ook geen acht meer te worden geslagen op mogelijke onregelmatigheden waarmee de procedure in eerste aanleg zou zijn behept. De eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg worden immers in principe hersteld door het in acht nemen van de wettigheid door de tuchtoverheid in graad van beroep – behalve wat in graad van beroep onherstelbaar blijft, zoals de IX-9678-4/34 miskenning van de regels met betrekking tot de verjaring van de tuchtfeiten of de voorschriften die op straffe van onontvankelijkheid of van nietigheid zijn opgelegd. B. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  2. Het eerste middel is geput uit de schending van het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, het ZAP- statuut en “Rechten van Verdediging – EVRM”. In een eerste middelonderdeel ‘de raadsman is rechter en partij’, kaart verzoeker aan dat de raadsman van de raad van bestuur dezelfde raadsman is als de raadsman van de beroepscommissie, dat deze raadsman aanwezig was bij alle beraadslagingen in het kader van de gevoerde tuchtprocedure en dat niet valt uit te sluiten dat deze raadsman de pen heeft gevoerd van én de beslissing van de raad van bestuur én de bestreden beslissing. Aldus trad deze raadsman op als rechter en partij in dezelfde zaak. Daar waar de raadsman van de raad van bestuur aanwezig mocht zijn bij de beraadslaging van de beroepscommissie, kon de raadsman van verzoeker dit niet, waardoor de rechten van verdediging van verzoeker dan ook geschonden zijn. Verzoeker besluit dat de beroepscommissie zich als partij heeft gedragen en niet als een onpartijdige tuchtoverheid, zoals nochtans door artikel 196 van het ZAP-statuut wordt voorgeschreven. In een tweede middelonderdeel ‘de rector heeft zich niet onpartijdig gedragen’ stelt verzoeker dat de rector meermaals heeft laten blijken dat hij niet onpartijdig is opgetreden, namelijk door met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten een strafklacht in te dienen, door publieke verklaringen over het tuchtdossier af te leggen in de media en door “het niet noodzakelijk te vinden IX-9678-5/34 om het ZAP-statuut toe te passen en zich te beperken tot schriftelijke verklaringen”. Daarnaast heeft ook de decaan zich niet onpartijdig gedragen, door tweemaal een betrokkene te vragen een klacht in te dienen tegen verzoeker, met de bedoeling om “een fout in hoofde van [verzoeker] te doen ontstaan en een sanctie te kunnen opleggen”.
  3. In de memorie van wederantwoord preciseert verzoeker er geen enkel probleem mee te hebben dat ook het tuchtorgaan bijstand van een raadsman heeft. Zijn kritiek is dat de tuchtcommissie en de raad van bestuur zich hebben laten bijstaan door dezelfde raadsman als de beroepscommissie, die over de beslissing van de raad van bestuur moest oordelen. Een raadsman heeft geen belang erbij om de zaak in deze of gene richting te sturen, maar het is onmogelijk dat een raadsman van de beroepscommissie met een open geest en vrijelijk kan oordelen over de beslissing van de raad van bestuur, indien hij deze in één bepaalde richting heeft geadviseerd. Het verslag van de beroepscommissie van 22 november 2019 stipuleert expliciet dat Mr. K. Geelen aanwezig was als een der raadslieden en Mr. K. Geelen woonde voordien het verhoor van de tuchtcommissie, alsook de beraadslaging in de raad van bestuur bij in afwezigheid van verzoeker en hij adviseerde de beroepscommissie. Voorts herhaalt verzoeker dat de rector voorafgaand onderzoek heeft gevoerd, bij het parket een klacht heeft neergelegd en in een tv-interview te kennen heeft gegeven zich reeds een oordeel gevormd te hebben over verzoekers schuld nog vóór elk verhoor. De rector had zich daarom moeten terugtrekken uit de raad van bestuur, zowel bij de beraadslaging als bij de stemming. Beoordeling a. vooraf IX-9678-6/34
  4. De verwerende partij werpt een exceptio obscuri libelli op: “De verzoekende partij maakt in de concrete toelichting van het middel niet duidelijk op welke manier het ZAP-statuut geschonden is. Onder randnummer 30 van het verzoekschrift wordt melding gemaakt van artikel 196 ZAP-statuut doch de verzoekende partij slaagt er niet in om deze vermeende schending in een volzin te omschrijven of om deze schending te concretiseren.” De Raad van State valt de aangehaalde vaststelling bij. Het middel is niet ontvankelijk voor zover het de schending van het ZAP-statuut aanvoert.
  5. Het tot de huidige zaak leidende tuchtgeschil valt onder het toepassingsgebied van artikel 6, lid 1, EVRM. De door artikel 6, lid 1, EVRM geboden waarborgen inzake een eerlijk proces door een onafhankelijke en onpartijdige “rechterlijke instantie” kunnen evenwel niet worden betrokken op de procedure voor een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur. Voor zover het middel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. b. eerste middelonderdeel
  6. Verzoeker betwist terecht niet dat ook een tuchtoverheid juridisch advies mag inwinnen en zich in de loop van de tuchtprocedure mag laten bijstaan door een raadsman. Dat die raadsman aanwezig is bij de beraadslaging en de raadsman van verzoeker niet, schendt dan ook niet de rechten van verdediging. De rechten van verdediging als algemeen beginsel in tuchtzaken gaan niet zover om te eisen dat deze bijstand aan het wederwoord van het personeelslid te onderwerpen is. Voor zover het middelonderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht. IX-9678-7/34
  7. Het onpartijdigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in tuchtzaken ziet op de leden van het tuchtorgaan die aan het besluitvormingsproces deelnemen. De beroepscommissie is samengesteld uit een voorzitter en vijf leden. De bestreden beslissing is genomen door deze zes leden. De raadslieden van de beroepscommissie zijn geen lid van de beslissende overheid, zij “oordelen” niet en zij hebben niet deelgenomen aan de stemming. Zij zijn rechter nóch partij. Ook in die mate faalt het middelonderdeel.
  8. Verzoeker argumenteert evenwel dat de onpartijdigheid van de beroepscommissie in het gedrang komt door het verloop van de procedure, in casu omdat haar juridisch adviseur ook de juridisch adviseur is geweest van de raad van bestuur, terwijl de opdracht van de beroepscommissie precies is om de beslissing van de raad van bestuur in volle onafhankelijkheid te beoordelen. Anders dan verzoeker stelt, was Mr. K. Geelen niet aanwezig op de vergadering van de raad van bestuur, zodat zijn persoonlijke engagement hoe dan ook niet in het geding kan zijn. De juridisch raadsman van de raad van bestuur was een andere advocaat, die weliswaar lid is van hetzelfde advocatenkantoor. De notulen van de vergadering van de raad van bestuur van 5 september 2019 geven de interventie van deze raadsman weer. Daaruit blijkt dat hij de raad van bestuur voorlicht over de draagwijdte van diens bevoegdheid in verhouding tot de bevoegdheid van de tuchtcommissie en over de toepassing van het tuchtreglement. Er blijkt niet dat deze raadsman een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen over de tuchtzaak, laat staan een bepaalde richting heeft verdedigd over de te nemen beslissing. IX-9678-8/34 De bewering dat de aanwezigheid van Mr. K. Geelen bij de beraadslaging van de beroepscommissie op een of andere wijze ontoelaatbare druk zou hebben gezet op de commissie om haar beslissing in een bepaalde richting te leiden, blijkt bijgevolg niet uit de stukken van het administratief dossier en kan verzoeker op geen enkele wijze hardmaken.
  9. Voor zover verzoekers verwijt dat de raadsman mogelijk de pen gevoerd heeft letterlijk is te nemen – begrepen in figuurlijke zin is het verwijt immers hiervóór al weerlegd – moet worden opgemerkt dat zowel de raad van bestuur als de beroepscommissie een eigen secretaris hebben. Het is bovendien niet omdat iemand het verloop van een vergadering van een collegiaal orgaan notuleert en, vervolgens, eventueel ook de door dat collegiaal orgaan genomen beslissing op schrift stelt, dat deze persoon ook actief deelgenomen heeft aan de beraadslagingen van dit orgaan en op die manier zijn stempel heeft gedrukt op de inhoud van de door dat collegiaal orgaan genomen beslissing. Verzoeker maakt het tegendeel niet aannemelijk.
  10. Het eerste middelonderdeel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. c. tweede middelonderdeel
  11. Daargelaten of verzoekers grieven inzake de vooringenomenheid van de rector of de decaan gegrond zijn, moet worden vastgesteld dat noch de rector, noch de decaan lid is van de beroepscommissie en dat een eventueel gebrek aan onpartijdigheid in hoofde van (een lid van) de oorspronkelijke tuchtorganen in beginsel niet afstraalt op de beslissing in graad van administratief beroep. Overigens heeft de rector niet deelgenomen aan de beraadslaging en de stemming van de raad van bestuur op 5 september 2019: hij “licht […] toe wat de redenen waren voor de opstart van een tuchtdossier en de IX-9678-9/34 overhandiging ervan aan de Tuchtcommissie. Nadat er geen vragen zijn voor de rector verlaat de rector de Raad van Bestuur”, zo is te lezen vooraan in het verslag van de vergadering.
  12. Hieruit volgt dat verzoeker geen belang heeft bij het middelonderdeel, waarin hij enkel vermeende gebreken aanvoert tegen de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing waarvan niet wordt aangetoond dat ze niet kunnen worden hersteld – en niet zijn hersteld – in graad van administratief beroep. Het tweede middelonderdeel is niet ontvankelijk. d. besluit
  13. Het middel wordt verworpen. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een tweede middel voert verzoeker de verjaring van de feiten aan. Artikel 167, tweede lid, van het ZAP-statuut is geschonden. De bestreden beslissing steunt op feiten die dateren vóór 28 maart 2018, dat is “meer dan één jaar voorafgaand aan de verzending van de kennisgeving bedoeld in artikel 173 van [het ZAP-]statuut”. Die kennisgeving – dat is: het bericht dat de rector zendt aan het betrokken personeelslid dat hij beslist heeft tot het opstarten van een tuchtprocedure en dat de betrokkene informeert over de handelingen waarvoor de procedure wordt gestart – werd immers verzonden op 28 maart
  15. In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat het ZAP-statuut niet in de mogelijkheid voorziet om met vroegere feiten rekening te houden om “een voortdurend laakbare gedraging hard te maken” en de IX-9678-10/34 tuchtmaatregel ‘ontslag’ op te leggen. Uit artikel 161, tweede lid, van het ZAP- statuut leidt verzoeker af dat enkel een “lagere sanctie” toegelaten is als de tuchtoverheid “mede op feiten buiten de voor verjaring nuttige periode” steunt. Hij wijst erop dat hij afwezig was wegens ziekte vanaf 1 maart 2018, daar waar de nuttige termijn voor de verjaring een aanvang nam op 28 maart
  16. Er kunnen dus geen laakbare praktijken hebben plaatsgevonden, aangezien hij geen contact meer had met studenten – laat staan dat deze “voortdurend” zouden zijn. Beoordeling
  17. Verzoeker is gestraft voor “handelingen gesteld na 28 maart 2018”. Die handelingen zijn opgesomd in punt 7.2.1 van het tuchtvoorstel van de tuchtcommissie, zoals overgenomen en bijgevallen door de beroepscommissie in de bestreden beslissing. Het zijn volgens de tuchtcommissie, daarin bijgevallen door de beroepscommissie, op zich “gedragingen die laakbaar zijn als in strijd met de waardigheid van het ambt”. Verzoeker beweert alvast niet dat die handelingen verjaard zijn. In zoverre faalt het middel.
  18. Verzoeker betoogt slechts voor het eerst in de memorie van wederantwoord dat de bedoelde feiten niet laakbaar zijn omdat hij afwezig was wegens ziekte. Dit argument is laattijdig – overigens ook vreemd aan de in het middel aangevoerde verjaring – en dus onontvankelijk. Verzoeker laat ook niet begrijpen waarom hij niet aan de plichtenleer onderworpen is tijdens een periode van ziekte. Zijn afwezigheid heeft hem alleszins niet belet om de in voormeld punt 7.2.1 opgesomde handelingen te stellen.
  19. Verzoeker wordt niet gestraft voor tuchtfeiten die aan de datum van 28 maart 2018 voorafgaan. De feiten van oudere datum die in het IX-9678-11/34 tuchtdossier aan bod komen, zijn voor de beroepscommissie enkel “illustratief” voor verzoekers systematische, voortdurende, laakbaar gedrag. Volgens de beroepscommissie “heeft de Tuchtcommissie terecht gesteld dat de feiten waarover zij oordeelde niet verjaard waren maar dat de feiten die zijn vastgesteld na 28 maart 2018 en geplaatst in de context zoals ze die heeft geschetst en die teruggaat tot voor 28 maart 2018 deel uitmaken van één globaal gedrag dat beschouwd moet worden als een voortdurend laakbaar gedrag”.
  20. Een tuchtbeslissing mag rekening houden met de wijze waarop de betrokken ambtenaar zich in het algemeen gedraagt, van welk gedrag de concrete feiten die hem in de tuchtbeslissing worden aangewreven de illustratie zijn. Zoals de Raad van State reeds overwoog in zijn arrest nr. 81.765 van 13 juli 1999, herhaalt hij daarenboven ook voor deze zaak “dat er vrede mee kan worden genomen dat de aan de betrokkene verweten houding genoegzaam blijkt uit feiten die nog niet verjaard zijn, waarbij het bestuur dan ook acht kan slaan op feiten die op zich al wel verjaard zijn, maar die illustreren dat de verweten houding zich al vroeger heeft gemanifesteerd, een omstandigheid die het bestuur in aanmerking kan nemen”. Bijgevolg mag de beroepscommissie, om van de niet-verjaarde feiten het voortdurend karakter aan te tonen, ook rekening houden met de vroegere feiten. In dat verband mag nog erop worden gewezen dat het bij de “handelingen gesteld na 28 maart 2018” bij verre na niet gaat om een eenmalig, verwaarloosbaar gedrag, waarvoor dan de voorgaanden noodzakelijk zijn om het laakbaar karakter ervan te kunnen aantonen en het als een tuchtvergrijp te kunnen aannemen. Het betreft, onder meer, “Messenger verkeer” en “een hele reeks sms berichten”, “persoonlijk van aard” aan Y en “zeer frequente uitgewisselde berichten” met “seksuele connotatie” aan Z waarvan in het administratief dossier 1266 berichten zijn opgenomen – alle daterend na 28 maart 2018, namelijk tussen 1 oktober 2018 en 11 december
  21. Daarnaast betreft het onder meer een aantal na 28 maart 2018 in tijd en ruimte gesitueerde persoonlijke contacten met X, Y en Z waarbij hij onder andere X “de toegang tot haar woning versperde” of een IX-9678-12/34 andere keer “een bos bloemen bij haar wagen achterliet” of contact zocht door “afgifte van een ruiker bloemen” en ten slotte het bezoek aan Z “op haar kot […] met de bedoeling om seks te hebben”.
  22. Kortom, de handelingen na 28 maart 2018 zijn op zich door de verwerende partij aangezien als tuchtvergrijpen. De vroegere feiten die in het tuchtdossier ter sprake komen, dienen enkel om de context te schetsen en de aard en ernst van de wel in aanmerking genomen feiten te kwalificeren, omdat ze in een patroon passen dat al van vroeger dateert.
  23. Dat verzoeker gestraft is voor “tekortkomingen die hebben plaatsgevonden meer dan één jaar voorafgaand aan de verzending van de kennisgeving” mist, als gezien, feitelijke grondslag, zodat niet onderzocht moet worden of verzoeker de schending van artikel 161 van het ZAP-statuut nog wel ontvankelijk voor het eerst mag aanvoeren in de memorie van wederantwoord en daargelaten of zijn lezing van dat artikel correct is.
  24. Het middel is ongegrond. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  25. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 172 van het ZAP-statuut omdat de tuchtmaatregel mede steunt op verklaringen van X en Y die niet eerst schriftelijk aan de rector werden meegedeeld en waaromtrent X en Y nooit een klacht hebben ingediend. De tuchtoverheid heeft geen bevoegdheid indien de rector hiervan geen schriftelijke, met bewijzen omschreven melding heeft ontvangen. Beoordeling IX-9678-13/34
  26. Artikel 172 van het ZAP-statuut luidt: “Feiten die aanleiding kunnen geven tot een tuchtmaatregel worden door elke belanghebbende van de universitaire gemeenschap schriftelijk aan de rector meegedeeld, vergezeld van de bewijsstukken.”
  27. Deze bepaling sluit niet uit dat tuchtfeiten ook onder de aandacht van de tuchtoverheid komen op een andere wijze, dan op aangifte van een belanghebbende. Het middel, dat van een ander uitgangspunt vertrekt, faalt naar recht.
  28. In de memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat de bedoelde verklaringen van X en Y niet toelaatbaar zijn, omdat het om “nieuwe feiten” gaat die in strijd met artikel 180 van het ZAP-statuut niet aan een tegensprekelijk getuigenverhoor zijn onderworpen. Die grief is vreemd aan het initieel in het middel aangevoerde artikel 172 van het ZAP-statuut. Deze nieuwe grondslag van het middel – zo al niet: een nieuw middel – is laattijdig en niet ontvankelijk. E. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  29. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en “Rechten van verdediging – EVRM”. In het kader van dit middel stelt verzoeker dat de beroepscommissie in de bestreden beslissing verwijst naar het tuchtvoorstel van IX-9678-14/34 de tuchtcommissie, maar dat dit voorstel niet als bijlage bij de bestreden beslissing is gevoegd, zodat hij niet kan achterhalen welke feiten wel in aanmerking werden genomen voor het opleggen van de tuchtsanctie en welke feiten niet. Het is niet louter het probleem dat niet geantwoord is op alle argumenten, aldus verzoeker. De motieven die aan de basis liggen van de bestreden beslissing worden volgens verzoeker niet meegedeeld. De beroepscommissie geeft niet aan op welke rechtspraak van de Raad van State zij steunt met betrekking tot de verjaring. De raad van bestuur geeft niet aan over welke “voortdurende gedraging” het gaat. De raad van bestuur vermeldt gebrek aan respect ten opzichte van collega’s terwijl de tuchtcommissie geen feiten met betrekking tot collega’s vermeldt. De raad van bestuur motiveert niet op welke feiten hij steunt. Ook het statement dat de studentenvertegenwoordigers in de raad van bestuur namens de studenten voorlazen wordt niet als bijlage bij de bestreden beslissing gevoegd. De bestreden beslissing geeft bovendien niet aan waarom dit statement niet kan worden bijgevallen. Nochtans was dit statement in het voordeel van verzoeker. Dit schendt bovendien de rechten van verdediging.
  30. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker dat “het achterhouden” van de verklaring van de studenten een gebrek aan motivering aantoont en ook een inbreuk op de rechten van verdediging. Hij “had de gelegenheid moeten krijgen kennis te nemen van de stukken die aan de basis lagen van de beslissing”.
  31. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat het “statement” van de studentenvertegenwoordigers relevant is, “omdat het aantoont dat er volgens de studenten, toch de meest direct betrokken partij, geen onherstelbare breuk met de studenten is ontstaan, dat de enige bron van de Beroepscommissie niet geloofwaardig is en dat de tuchtsanctie door het optreden van het rectoraat disproportioneel is”. IX-9678-15/34 Beoordeling
  32. Het middel is onontvankelijk voor zover het de schending aanvoert van het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en “Rechten van verdediging – EVRM”, aangezien verzoeker niet nader toelicht op welke wijze de bestreden beslissing deze beginselen schendt. 34.
  33. Het voorstel van de tuchtcommissie is aan verzoeker met een aangetekende brief van 27 juni 2019 ter kennis gebracht. Voor zover de beroepscommissie naar dat voorstel verwijst, is het doel van de formelemotiveringsplicht bereikt en heeft verzoeker geen belang bij het middel. Ook in zoverre is het middel onontvankelijk. Bovendien citeert de beroepscommissie in haar beslissing uitvoerig het tuchtvoorstel en in het bijzonder punt 7.2.1 van het voorstel van de tuchtcommissie, wat de door de commissie in aanmerking genomen tuchtfeiten zijn, zodat het middel in die mate zelfs feitelijke grondslag mist. 34.
  34. Voor zover verzoeker in de toelichting van het middel schrijft “dat niet geantwoord is op alle argumenten”, verzuimt hij aan te geven welk argument in de bestreden beslissing zonder antwoord zou zijn gebleven. In die mate is het middel eveneens onontvankelijk. 34.
  35. Hiervóór is de zienswijze van verzoeker over de verjaring van de tuchtfeiten verworpen. Dat betekent dat hij geen belang heeft bij zijn grief over een gebrek in de formele motivering over dit punt. Bovendien gaat de formelemotiveringsplicht niet zover dat de tuchtoverheid met een rechtsgeleerde studie de rechtspraak van de Raad van State moet expliciteren om te antwoorden op een beroepsargument. 34.
  36. Geen belang ten slotte heeft verzoeker bij zijn kritiek op de beslissing van de raad van bestuur, om de reden uiteengezet sub
  37. IX-9678-16/34 34.
  38. Het middel, voor zover geput uit de formelemotiveringsplicht, is onontvankelijk.
  39. Niet in het middel, maar in de toelichting ervan, voert verzoeker ook de schending van de rechten van verdediging aan, omdat het “statement” van de studentenvertegenwoordigers hem niet is meegedeeld. De beroepscommissie overweegt over dit verwijt het volgende: “- Omtrent het door de studentenvertegenwoordiger voorgelezen statement geeft de beslissing [van de raad van bestuur] weer dat het statement is voorgelezen, maar dat de andere leden van de Raad van Bestuur het standpunt niet delen. De redenen van het niet delen van dit standpunt blijkt voldoende uit de andere motieven waarin is aangegeven dat de meerderheid van de leden van de Raad van Bestuur van oordeel is dat de [in aanmerking genomen] feiten wel degelijk tuchtrechtelijk strafbaar zijn. Ten onrechte meent de verdediging dat niet duidelijk zou zijn waarom het statement van de studentenvertegenwoordiger niet [in aanmerking genomen zou] zijn.” Wat de studentenvertegenwoordigers tijdens de bespreking van het tuchtdossier op de raad van bestuur hebben verklaard, is een standpunt dat zij hebben uitgesproken als lid van de raad van bestuur. Hun verklaring behoort tot het collegiale beraad van de raad van bestuur als tuchtorgaan. Deze beraadslaging van de leden van de raad van bestuur in aanloop naar de tuchtbeslissing is geen element van het tuchtdossier zelf en wat tijdens die beraadslaging wordt bediscussieerd moet dus niet aan dat dossier worden toegevoegd. Voorts blijkt het standpunt van de studentenvertegenwoordigers slechts het inzicht van een minderheid te zijn en kan het dus geen dragend en daarom te expliciteren motief zijn van de bestreden beslissing. Uit oogpunt van de rechten van verdediging volstaat het dat verzoeker in de procedure voor de beroepscommissie kon beschikken over de gemotiveerde beslissing van de raad van bestuur zelf en zich daartegen heeft kunnen verweren. Overigens kon verzoeker in die beslissing de draagwijdte van het “statement” lezen: hij “dient te worden vrijgesproken aangezien hij geen strafbare feiten zou hebben begaan.” IX-9678-17/34 In die mate faalt het middel naar recht. Louter ten overvloede mag nog worden vastgesteld dat verzoeker het zogenaamde “statement” van de studentenvertegenwoordigers als stuk 10 van zijn stukkenbundel neerlegt, zodat hij niet kan blijven volhouden de inhoud ervan niet te kennen. Voor zover verzoeker aan dat “statement” in de procedure voor de Raad van State een inhoudelijk argument wou ontlenen, lag het op zijn weg dat in het inleidend verzoekschrift te doen, niet in zijn laatste memorie. Daarom andermaal ten overvloede, moet worden vastgesteld dat het verwijt dat de beroepscommissie aan het “statement” voorbijgaat, feitelijke grond mist. In tegenstelling immers tot wat verzoeker beweert, hééft de beroepscommissie rekening gehouden met dit “statement” en wel zelfs in de zin die verzoeker voorstaat – namelijk dat de vertrouwensbreuk met de studenten niet zeker is en geen motief kan zijn voor de tuchtmaatregel. In de bestreden beslissing is daaromtrent het volgende te lezen: “De Beroepscommissie heeft er akte van genomen dat de vertegenwoordiger van de studenten tijdens de Raad van Bestuur een verklaring heeft gelezen waarin de vrijspraak van [verzoeker] bepleit wordt. De Beroepscommissie kan niet nagaan wat de draagwijdte is van deze verklaring. Juridisch moet de vertegenwoordiger van de studenten beschouwd worden als degene die het standpunt van de studenten uitdrukt. Daartegenover staat dat de vertegenwoordiger van de studenten het dossier vertrouwelijk moest houden zodat men de inhoud ervan niet kon delen met andere studenten om het standpunt af te toetsen. Het is dus niet zeker welk draagvlak het standpunt heeft bij de andere studenten, al moet gezegd worden dat de vertegenwoordiger van de studenten lid is van de faculteit [van verzoeker] en dus wellicht toch voeling heeft bij wat er leeft onder de studenten […] die het meest betrokken lijken. Gelet op deze onzekerheden neemt de Beroepscommissie aan dat de vertrouwensbreuk ten aanzien van de studenten niet zeker is en niet kon worden gebruikt als motivering voor de beslissing. De verdere vraag is dan te weten wat daarvan de impact is op de beslissing. De Tuchtcommissie heeft immers een viervoudige IX-9678-18/34 vertrouwensbreuk vastgesteld en is daarin gevolgd door de Raad van Bestuur: - Met de personeelsleden van de onderzoekgroep waarvan [verzoeker] deel uitmaakt en bij uitbreiding naar de andere personeelsleden van de faculteit […]. - Een vertrouwensbreuk tussen de studenten en [verzoeker]. - Met het algemene publiek en in het bijzonder de toekomstige studenten […]. - Met de universitaire instelling als geheel en de leidinggevenden van deze instelling. Het standpunt van de studenten in de Raad van Bestuur raakt enkel aan de tweede vertrouwensbreuk. De andere vertrouwensbreuken worden er niet door beïnvloed.”
  40. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. F. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  41. Het vijfde middel is geput uit de schending van artikel 184, eerste lid, 1°, van het ZAP-statuut, omdat de daarin voorgeschreven proceduretermijn niet is gevolgd. Immers, de kennisgeving als bedoeld in artikel 173 van het ZAP-statuut werd op 28 maart 2019 verstuurd en het tuchtvoorstel van de tuchtcommissie werd pas op 28 juni 2019 aan verzoeker verzonden, dat is meer dan negentig kalenderdagen te rekenen vanaf 28 maart
  42. Bovendien zou dit voorstel geantidateerd zijn op 26 juni 2019, dat is de negentigste kalenderdag.
  43. In de memorie van wederantwoord argumenteert verzoeker: “Verzenden buiten termijn van een beslissing die eerder (binnen termijn) zou (er ligt geen bewijs voor) genomen zijn, belet niet dat de termijn vervallen is. […] De bewering dat de beslissing reeds genomen was op 17 juni 2019 is niet bewezen en irrelevant.”
  44. In zijn laatste memorie volhardt verzoeker in zijn argumentatie omtrent de verzending van het tuchtvoorstel: IX-9678-19/34 “Bovendien legt het ZAP-statuut een termijn op ter bescherming van de rechten van een rechtsonderhorige (aan het ZAP-statuut). Indien dit zonder meer kan omzeild worden door een verzending buiten termijn, tast dit de rechtszekerheid aan. De latere verzending, nl. op 28 juni 2019, van de beslissing (vermeend) genomen op 17 juni 2019 is dan ook laattijdig.” Beoordeling
  45. Uit artikel 184, eerste lid, 1°, van het ZAP-statuut volgt dat geen “tuchtsanctie of bevinding dat er daartoe gronden zijn” kan worden genomen – versta in casu: dat de tuchtcommissie geen tuchtvoorstel mag formuleren – “meer dan negentig kalenderdagen na de verzending van de kennisgeving bedoeld in artikel 173 van dit reglement”. Voor de startdatum van de termijn geldt met andere woorden een “verzending”, voor de einddatum evenwel niet de verzending maar de dag waarop de bevinding is “genomen” – het betreft met andere woorden een beslissingstermijn, zoals de beroepscommissie al terecht opmerkte in de bestreden beslissing. De argumentatie van verzoeker met betrekking tot de verzending van het tuchtvoorstel is niet dienstig om de naleving van artikel 184, eerste lid, 1°, van het ZAP-statuut te beoordelen.
  46. De “kennisgeving bedoeld in artikel 173 van dit reglement” is de kennisgeving van de mogelijke tuchtfeiten bij de hiervóór sub 3 vermelde brief van de rector van 28 maart
  47. Daarover bestaat tussen partijen geen betwisting.
  48. Te rekenen vanaf de “verzending” van die brief – 28 maart 2019 volgens verzoeker; 29 maart 2019 volgens de verwerende partij maar een bewijs van aangetekende zending ontbreekt – valt de negentigste dag op 26 of 27 juni
  49. IX-9678-20/34 De tuchtcommissie heeft luidens de bestreden beslissing haar tuchtvoorstel “genomen” op 17 juni 2019, dus hoe dan ook binnen de voorgeschreven termijn.
  50. Verzoeker trekt pas in zijn memorie van wederantwoord voor het eerst in twijfel wanneer de tuchtcommissie haar beslissing over het tuchtvoorstel heeft genomen. Dit is laattijdig en dus onontvankelijk. Daarenboven blijkt niet dat verzoeker het stuk bij de bevoegde rechter van valsheid heeft beticht.
  51. Het middel mist feitelijke grondslag. IX-9678-21/34 G. Zesde middel Uiteenzetting van het middel
  52. Het zesde middel is genomen uit de schending van “Rechtsplicht als ambtenaar of de verplichting zich te gedragen als normaal en voorzichtig ambtenaar”, het zorgvuldigheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en “[het] Statuut voor het Zelfstandig Academische Personeel”. Volgens verzoeker kunnen hem geen tuchtfeiten ten laste gelegd worden. Hij meent dat hem geen schuldig gedrag kan worden verweten en dat de feiten die hem ten laste worden gelegd verjaard zijn. De universiteit, de (vorige) rector en de tuchtoverheid hadden reeds jaren kennis van de manier waarop hij met studenten communiceerde en zich met hen gedroeg. Hij noemt het “bijzonder relevant dat de strafrechter de feiten heeft geseponeerd en er geen strafrechtelijk feit is komen vast te staan”. Volgens verzoeker is het significant dat er helemaal geen rekening wordt gehouden met de seponering van de strafklacht. Ook wijst hij erop dat geen van de studenten of personeelsleden het nodig vond om een klacht in te dienen met betrekking tot ongewenst seksueel gedrag op het werk, wat aantoont dat zij de contacten met verzoeker niet als problematisch hebben ervaren. Verzoeker merkt op dat er geen verbod op een relatie tussen personeelsleden van de universiteit bestaat en dat hij in zijn privérelatie met X geen enkele tuchtrechtelijke inbreuk heeft gepleegd zoals opgesomd onder artikel 161 van het ZAP-statuut. Hij wijst erop dat Y pas na de kennisname van het strafonderzoek in de media het initiatief genomen heeft om een verklaring af te leggen maar dat zij degene was die met verzoeker online contact heeft gezocht, vaak zelf het initiatief nam om verzoeker te contacteren, zijn berichten meestal beantwoordde en heel meegaand was in deze sms- contacten. Verzoeker merkt nog op dat de beschuldigingen aan zijn adres voornamelijk steunen op geruchten, dat zijn communicatie verband houdt met IX-9678-22/34 zijn open, direct en uitbundig karakter en met zijn ervaringen aan de universiteit van Maastricht, dat hij er nooit op werd gewezen dat zijn manier van communiceren of omgaan met studenten problematisch was. Hij ontkent dat hij geen enkel schuldbesef zou hebben betoond.
  53. In de memorie van wederantwoord blijft verzoeker erbij dat de beroepscommissie een ander beeld schetst van zijn gedrag dan wat te lezen is in de verklaringen van de betrokken studenten of assistenten. Volgens verzoeker gaat het om een afrekening. Beoordeling
  54. Het middel is onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van een zogenaamde “rechtsplicht als ambtenaar” en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Verzoeker laat immers na toe te lichten op welke wijze deze “rechtsplicht als ambtenaar” of de ingeroepen beginselen geschonden worden door de bestreden beslissing.
  55. Wat het vermeend verjaard zijn van de feiten betreft, mag worden verwezen naar de beoordeling van het tweede middel waarin die zienswijze is verworpen. Daargelaten, bovendien, of de vorige rector “op de hoogte was” van verzoekers manier van communiceren, heeft dit geen betrekking op de handelingen na 28 maart
  56. Dat die rector verzoeker nooit verwittigd zou hebben over zijn gedrag, vormt geen schulduitsluitingsgrond.
  57. Voor zover verzoeker refereert aan de beslissing van de raad van bestuur – bijvoorbeeld de verklaring van de studentenvertegenwoordigers – heeft hij geen belang bij die kritiek om de sub 4 aangegeven reden. IX-9678-23/34
  58. Artikel 161 van het ZAP-statuut luidt: “Aan leden van het ZAP kan een tuchtsanctie worden opgelegd indien zij hun ambtsplichten verzuimen, of afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt. Daartoe behoren onder meer, doch niet limitatief: a. een als misdrijf omschreven feit in de uitoefening van de opdracht; b. een opzettelijke of zware fout of ernstige tekortkomingen in de uitoefening van de opdracht die ernstige schade kan berokkenen aan de instelling of aan een lid van de universitaire gemeenschap; c. handelingen waarvoor betrokkene de goede naam en/of belangen van de universiteit en van zijn personeelsleden op een onrechtmatige wijze schaadt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen; d. het uitoefenen van activiteiten die de RvB/het BC onverenigbaar heeft verklaard met de academische opdracht; e. inbreuken op de wetenschappelijke integriteit, vastgesteld door de Commissie voor Wetenschappelijke Integriteit van de UHasselt; f. een strafrechtelijke of burgerrechtelijke veroordeling die het vertrouwen in of de goede naam van de instelling ernstig in opspraak kan brengen; g. geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag zoals bepaald in de Welzijnswet; h. inbreuken op het arbeidsreglement; i. het niet naleven van de voorschriften inzake veiligheid, gezondheid en milieu, waardoor ernstige schade kan berokkend worden aan de instelling of aan een lid van de universitaire gemeenschap.”
  59. Anders dan verzoeker het wil laten uitschijnen, is er in zijn zaak geen uitspraak van een strafrechter die met gezag van gewijsde is bekleed. Noch artikel 161 van het ZAP-statuut noch enige andere regel verbiedt een tuchtoverheid om een tuchtprocedure te voeren nadat een klacht over zelfs dezelfde feiten door het parket is geseponeerd. Zoals de beroepscommissie in de bestreden beslissing overweegt, “betekent [seponering] niet dat de feiten voor niet-bestaande moeten worden gehouden, geen tuchtfeiten zouden kunnen zijn of dat de beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid op het stuk van de strafmaat wordt beperkt”. Verzoeker weerlegt deze overweging, die de Raad van State bijvalt, niet.
  60. Evenmin vereist voormeld artikel 161 of enige andere regel dat derden een klacht hebben ingediend, indien de verweten handelingen wijzen op gedrag dat mogelijk ook onder de toepassing valt van de welzijnswet. IX-9678-24/34
  61. Feiten uit de privésfeer kunnen een negatieve weerslag hebben op de ambtsuitoefening en kunnen ook de waardigheid van het ambt aantasten. Voor zover verzoeker principieel aanvoert dat “enkel de professionele relatie” ter beoordeling mag voorliggen en niet wat zich heeft voorgedaan in de privésfeer, faalt het middel naar recht. Overigens weerlegt verzoeker niet de vaststellingen van de tuchtoverheid over de wijze waarop sommige van zijn beweerde handelingen “in de privésfeer” ook een weerslag hadden op de professionele situatie van verzoeker en de universitaire gemeenschap.
  62. De beroepscommissie heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de feitenvinding en de bewezenverklaring van de feiten, als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten, als op het vlak van de straftoemeting. Het valt de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om een onderzoek in te stellen betreffende het zich al dan niet hebben voorgedaan van gebeurtenissen en om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is geen hogere beroepsinstantie. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens – meer bepaald met inachtneming van de algemene beginselen van de bewijsvoering – of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Aan een overheidsonderzoek kleeft het vermoeden van wettigheid. Om de onwettigheid van de motieven van de beslissing van de tuchtoverheid aan te tonen, mag een verzoekende partij niet volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door de beroepscommissie berust of het stellen dat de beroepscommissie zaken “verzint”. Het is zaak van de verzoekende partij om IX-9678-25/34 aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn.
  63. In de bestreden beslissing motiveert de beroepscommissie onder ‘beoordeling van de feiten’ uitvoerig waarom zij de aan verzoeker ten laste gelegde handelingen beschouwt als tuchtvergrijpen. Zij houdt daarbij rekening met de verklaringen van de betrokkenen en met frequentie, tijdstip en inhoud van de communicatie van verzoeker. Zo overweegt de beroepscommissie dat uit de verklaringen van de betrokkenen zelf blijkt dat zij de contacten met verzoeker “als problematisch ervoeren” of zich “ongemakkelijk voelden”, dat de betrokkenen “bevreesd waren, welke vrees hen er mogelijkerwijze van weerhield om [een] klacht te doen”, dat “uit het feit dat er geen klacht is ingediend niet volgt dat er geen tuchtfeiten begaan zijn” en “dat studenten geen klacht kunnen indienen in het kader van de Welzijnswet”. Over de relatie met X bespreekt en weerlegt de beroepscommissie het verweer van verzoeker en zij concludeert “dat het gedrag van [verzoeker] ten aanzien van [X] niet strookt met de waardigheid van een hoogleraar ten aanzien van een doctoraal student”: “- Het is deontologisch niet correct dat een hoogleraar een liefdesrelatie heeft met zijn eigen praktijkassistent en doctoraal student, met de instemming van deze assistent/student. - Het is helemaal ongepast voor een hoogleraar om zijn gezagsrelatie te gebruiken om die relatie aan te houden wanneer deze assistent/student zich niet goed voelt in deze relatie en de relatie enkel continueert omdat ze volledig van hem afhankelijk is en onder zijn controle staat. - Het is voor een hoogleraar ongepast om in de universiteitsgebouwen seksuele handelingen te stellen. - Het is ongepast voor een hoogleraar om na het beëindigen van deze relatie toch nog druk uit te oefenen om de relatie nog te continueren, zodat de betrokkene geen andere uitweg ziet dan van de werkomgeving te vluchten. - Het is ongepast voor een hoogleraar om zelfs nadat de betrokkene de werkomgeving heeft verlaten, haar te contacteren in haar nieuwe werkomgeving en zelfs te overwegen zich naar deze werkomgeving te laten overplaatsen.” IX-9678-26/34 Over Y, een “persoon die in een kwetsbare situatie zit”, beschrijft de beroepscommissie een ganse reeks handelingen van verzoeker – vele boodschappen met “een suggestief seksuele inhoud”, aanrakingen waarbij “hij het fijn vond als ze weerspannig reageerde” en “een grote hoeveelheid contacten op alle tijdstippen van de dag, waarbij hij het deze persoon kwalijk neemt als ze niet worden beantwoord en waarbij hij zeer vaak seksuele suggesties uit”. De commissie motiveert concreet waarom de uitleg van verzoeker over de “context” niet strookt met de werkelijkheid en concludeert dat zelfs als Y ook soms zelf het initiatief tot contact nam, verzoekers gedrag ten aanzien van Y niet strookt “met het normale gedrag van een hoogleraar ten aanzien van een student”: “Een hoogleraar moet er zich bewust van zijn dat hij omwille van zijn positie door de studenten wordt beschouwd als superieur en handelen vanuit dit inzicht. Zelfs als hij ondersteunend wil zijn in een privésituatie dan moet een hoogleraar terughoudend handelen. Het gedrag van [verzoeker] strookt daar niet mee. De gedragingen van [verzoeker] geven aanleiding tot percepties waardoor [Y] en bij uitbreiding de studenten en assistenten in het algemeen, zich benadeeld, geïntimideerd of bedreigd kunnen voelen.”
  64. Verzoeker doet in de toelichting bij het middel in wezen niet méér dan zijn verdediging uit zijn beroepschrift voor de beroepscommissie opnieuw te herhalen. Met de concrete antwoorden die de beroepscommissie daarop in de bestreden beslissing heeft gegeven en de bijkomende overwegingen van de beroepscommissie is hij het niet eens, evenwel zonder dat hij ze kan ontkrachten of minstens aantonen dat ze de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan. Hij geeft enkel opnieuw zijn voorstelling van de feiten, die de beroepscommissie in de bestreden beslissing heeft weersproken. Zo doende nodigt verzoeker de Raad van State uit om de beoordeling van de feiten over te doen, wat niet de opdracht is van de Raad.
  65. Artikel 161, tweede lid, van het ZAP-statuut geeft “onder meer, doch niet limitatief” enkele voorbeelden van mogelijke tuchtfeiten. Deze opsomming is niet exhaustief. Het behoort tot de autonome en discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid – onder controle van de administratieve IX-9678-27/34 rechter – om te beoordelen welke handelingen strijdig zijn met de plichtenleer. Anders dan bij het strafrecht – nullum crimen sine lege, geen misdrijf zonder wet – is de omschrijving van tuchtfeiten in de plichtenleer niet gecodificeerd. Een gedraging kan bijgevolg deontologisch laakbaar zijn en een tuchtvergrijp vormen, zonder dat zulks specifiek in het ZAP-statuut moet zijn neergeschreven. De beroepscommissie heeft concreet uiteengezet waarom zij bepaalde feiten van ongepaste communicatie en van intimiderend en ongepast gedrag van verzoeker als tuchtfeiten bestempelt. Het is dan zonder belang of die feiten al dan niet ook onder één van de litterae van artikel 161, tweede lid, van het ZAP-statuut vallen. De Raad van State valt hierin bij wat de beroepscommissie schrijft: “Op grond van deze bepaling volstaat het dat de tuchtorganen tot de conclusie komen dat de handelingen strijden met de waardigheid van het ambt dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon beoefent.” Overigens is littera b (“[…] ernstige tekortkomingen in de uitoefening van de opdracht die ernstige schade kan berokkenen aan de instelling of aan een lid van de universitaire gemeenschap”) zo omvattend, dat het wellicht het gros van de tuchtfeiten die een personeelslid kan begaan, kan omvatten, met inbegrip van de handelingen die in een aantal andere litterae worden opgesomd.
  66. Verzoeker toont niet aan dat de beroepscommissie tot een onrechtmatige voorstelling van de feiten is gekomen. Hij toont evenmin aan dat de beroepscommissie een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door die feiten als tuchtfeiten aan te merken, namelijk als een afbreuk aan de waardigheid van het ambt. Een schending van artikel 161 van het ZAP-statuut is niet aangetoond.
  67. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. IX-9678-28/34 H. Zevende middel Uiteenzetting van het middel
  68. Het zevende middel luidt: “schending van het: - Statuut voor Zelfstandig Academisch Personeel - Beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel - EVRM.” Verzoeker betoogt: “
  69. De Beroepscommissie spreekt van een ‘voortdurend laakbaar gedrag’, maar de universiteit heeft dit nooit aangeklaagd, zelfs niet in een evaluatie- of functioneringsgesprek. [Verzoeker] heeft een ‘blanco’ tuchtregister en geen enkele negatieve opmerking gekregen, ondanks het feit dat de manier van omgaan met studenten al, minstens, sinds 1999 gekend was.
  70. De universiteit had aldus minstens een vertrouwen opgewekt dat er geen probleem was, voor zover ze het bij monde van rector [M] al niet expliciet meegedeeld had.
  71. Eerder dan een tuchtsanctie op te leggen, had de universiteit een evaluatie- of functioneringsgesprek moeten houden en dit minstens een meedelen. De houding van de universiteit is er een van complete willekeur en de Beroepscommissie dekt dit toe.
  72. Dat de strafgerechten geen probleem zien, is volledig buiten beschouwing gelaten. Dat de universiteit onduidelijk communiceert eveneens.
  73. De stelling dat een relatie met een assistente ongeschikt zou zijn, is zelfs een ongepaste inmenging in het privéleven. [Verzoeker] heeft hier nooit mee te koop gelopen of zijn discretieplicht geschonden. Integendeel, de enige die de discretieplicht hebben geschonden is de universiteit en [de] rector […] zelf.” Beoordeling
  74. Het middel is onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van het ZAP-statuut en “EVRM”. Verzoeker laat immers na toe te lichten op welke wijze dit statuut of dit verdrag geschonden wordt door de IX-9678-29/34 bestreden beslissing. Hij preciseert zelfs niet welke statuut- of verdragsbepaling hij geschonden acht.
  75. Wat de aangevoerde schending betreft van het evenredigheidsbeginsel, wordt in de eerste plaats verwezen naar de beoordeling van het achtste middel.
  76. Hiervóór is reeds opgemerkt dat het gegeven dat de vorige rector verzoeker nooit verwittigd zou hebben over zijn “manier van omgaan met studenten” geen schulduitsluitingsgrond vormt – zelfs indien verzoeker het bij het rechte eind heeft en de vorige rector ervan op de hoogte was dat verzoeker zelfs al vanaf 1999 het gedrag vertoonde dat in de bestreden tuchtbeslissing op de korrel wordt genomen. De betrokkene was rector tot 2004 en verzoeker kan bezwaarlijk beweren dat hij in 2018 erop mocht vertrouwen dat de universiteit zijn gedrag zou gedogen omdat er tussen 1999 en 2004 niet tegen is opgetreden – wat ook moeilijk kan met betrekking tot handelingen die na 28 maart 2018 gesitueerd zijn.
  77. Ook de vaststelling dat verzoeker voorheen geen tuchtstraf is opgelegd en dat “de strafgerechten” – versta: het parket – “geen probleem zien” vermag geen schending van het evenredigheidsbeginsel aan te tonen.
  78. Het middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. I. Achtste middel Uiteenzetting van het middel
  79. In het achtste middel voert verzoeker de schending aan van het evenredigheidsbeginsel, de discretieplicht, artikel 175 van het ZAP-statuut en artikel 548 van het Strafwetboek. IX-9678-30/34 Het ontslag als tuchtmaatregel staat volgens verzoeker niet in verhouding tot het (tucht)vergrijp. Deze strafmaat is disproportioneel “voor niet bewezen of verjaarde feiten”. Volgende argumenten worden hiervoor door verzoeker aangehaald: verzoeker heeft gedurende 25 jaar geen enkel negatief signaal ontvangen vanwege de rector, collega’s of studenten; hij heeft actief gezorgd voor de positieve uitstraling van de universiteit door het aantrekken van bekende gastsprekers; hij is nooit het voorwerp geweest van enige tuchtprocedure; de rector heeft de reputatie van verzoeker geschonden door openlijk verklaringen af te leggen in de media. Beoordeling
  80. Het middel is onontvankelijk in zoverre het de schending aanvoert van de discretieplicht, artikel 175 van het ZAP-statuut en artikel 548 van het Strafwetboek. Verzoeker laat immers na toe te lichten op welke wijze dit beginsel of deze bepalingen geschonden worden door de beroepscommissie in de bestreden beslissing.
  81. Als straf voor “niet bewezen” of “verjaarde” feiten zou het ontslag als tuchtmaatregel niet enkel disproportioneel zijn; élke tuchtmaatregel zou in dat geval onwettig zijn. Verzoeker heeft evenwel niet kunnen aantonen dat de maatregel is opgelegd voor niet bewezen of verjaarde feiten.
  82. De beroepscommissie beschikt bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid over een discretionaire beoordelingsvrijheid op het stuk van de op te leggen straf. Bij het beoordelen van de evenredigheid van een tuchtmaatregel mag de Raad van State zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid. Er kan slechts sprake zijn van de schending van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk IX-9678-31/34 dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen.
  83. De beroepscommissie motiveert in de bestreden beslissing de strafmaat op grond van de ernst van de feiten, “ondanks de leeftijd en carrière van [verzoeker]” die “mee in rekening genomen” werden. De mededelingen vanuit de universiteit over de zaak noemt de commissie “zeer zakelijk” en zonder “de intentie beschadigend te zijn”. Zij leidt uit verzoekers houding af dat “ook niet [kan] worden gehoopt op een remediëring van het gedrag”. Zij wijst erop, onder meer, “dat niet kan worden ingezien” hoe verzoeker “nog kan functioneren binnen de universitaire gemeenschap”, die “een kleine en open universitaire gemeenschap is waarbinnen er enkel samenwerking mogelijk is tussen leden die elkaar respecteren en waarbij de waarden & normen waarvoor de UHasselt staat, nageleefd worden”, “ook zonder vertrouwensbreuk van de studenten”, zodat “de sanctie van het ontslag de meest aangepaste sanctie [is] om de feiten te bestraffen”.
  84. Verzoeker ziet het anders, maar hij toont in het middel niet aan dat de beroepscommissie de grenzen van haar beoordelingsvrijheid te buiten is gegaan of een straf heeft opgelegd zonder een behoorlijke afweging van alle betrokken belangen en gegevens.
  85. De Raad van State ziet geen redenen om te stellen dat de opgelegde straf niet in verhouding is tot de feiten op een dergelijke wijze dat moet worden vastgesteld dat de tuchtoverheid bij het opleggen van de sanctie de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten is gegaan. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de tuchtoverheid geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid lag; het is echter nu eenmaal eigen aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan het redelijkheidsbeginsel doorstaan. IX-9678-32/34
  86. Het middel, voor zover ontvankelijk, is niet gegrond. IX-9678-33/34 BESLISSING
  87. De Raad van State verwerpt het beroep.
  88. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
  89. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zevenentwintig januari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9678-34/34 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.818 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.188 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.