← België

Arrest 252837 - Tucht (openbaar ambt) - 01/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.837 Rolnummer: A. 229768/X-17631 Zaak: Arrest 252837 - Tucht (openbaar ambt) - 01/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-11 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 06:09 Fiche Arrest nr 252.837 van 1 februari 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 252.837 van 1 februari 2022 in de zaak A. 229.768/X-17.631 In zake : Stephan DEBLAERE woonplaats kiezend te 8940 Wervik Kruisekestraat 69 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Vandenbussche kantoor houdend te 8530 Harelbeke Tuinstraat 37 tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering en door de beroepscommissie voor tuchtzaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de STAD WERVIK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Heuven kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 27 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de beroepscommissie voor tuchtzaken (hierna: de beroepscommissie) van 25 oktober 2019 om de beslissing van 5 mei 2015 waarbij de gemeenteraad van de stad Wervik aan Stephan Deblaere de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag oplegt, niet te vernietigen. X-17.631-1/23 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 247.405 van 15 april 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 september 2021. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Wim Vandenbussche, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Paul Hurlebusch, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Fien Duymelinck, die loco advocaat Dirk Van Heuven verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. X-17.631-2/23 III. Feiten 3.1 Bij besluit van 5 mei 2015 legt de gemeenteraad van de stad Wervik verzoeker, diensthoofd van de technische dienst, de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. De bewezen geachte tenlasteleggingen betreffen de aankoop van veiligheidsschoenen op kosten van de stad voor eigen gebruik. Het gaat, eensdeels, om een aankoop van 13 augustus 2014 van vier paar lage veiligheidsschoenen tegelijk en, anderdeels, om aankopen van 19 juli 2010 en 30 juli 2012 van respectievelijk vijf paar en vier paar veiligheidsschoenen tegelijk. Elke bestelling heet op zich reeds het ontslag van ambtswege te verantwoorden. Op beroep van verzoeker vernietigt de beroepscommissie op 5 november 2015 de gemeenteraadsbeslissing. Geoordeeld wordt dat het niet bewezen voorkomt dat de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden gekocht zijn. Bij arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 vernietigt de Raad van State op vraag van de stad Wervik de beslissing van de beroepscommissie. In het arrest wordt overwogen dat de motivering, in de beslissing van de beroepscommissie, van de onwettigheid van het oordeel van de gemeenteraad over het bewezen-zijn van de aankoop van de veiligheidsschoenen voor privédoeleinden “wezenlijk beperkt [is] tot een ontkenning van dat bewezen-zijn” en dat de beroepscommissie, die in haar beslissing geen enkele concrete aandacht besteedt aan de elementen die de gemeenteraad in zijn uitvoerige motivering deed gelden, er niet kan van overtuigen dat zij op een zorgvuldige en terechte wijze, en na een grondige studie van het dossier, tot haar zienswijze is gekomen. 3.2. Op 8 mei 2019 spreekt de beroepscommissie zich opnieuw uit over verzoekers beroep tegen het hem door de stad Wervik opgelegde ontslag van ambtswege. Dit keer beslist de beroepscommissie om de beslissing niet te vernietigen. Zij overweegt onder meer dat uit het vernietigingsarrest van de Raad van State geconcludeerd dient te worden “dat de door de stad Wervik opgelegde tuchtstraf geenszins als niet bewezen of als kennelijk onredelijk kan worden beschouwd door de beroepscommissie”. X-17.631-3/23 Op vordering van verzoeker wordt de beslissing door de Raad van State bij arrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 in haar tenuitvoerlegging geschorst omdat ze een foutieve invulling lijkt te geven aan het gezag van gewijsde van het arrest nr. 243.163 van 6 december 2018, en het administratief beroep van verzoeker op het eerste gezicht niet de zorgvuldige en deugdelijke beoordeling heeft gekregen die vereist is. 3.3. Op 25 oktober 2019 beslist de beroepscommissie haar – geschorste – beslissing van 8 mei 2019 in te trekken. Eens te meer oordelend over het administratief beroep dat verzoeker bij haar instelde, verklaart zij het ontvankelijk maar ongegrond, en bevestigt zij de beslissing van de gemeenteraad van 5 mei 2015 om verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege op te leggen. IV. Precisering van het voorwerp 4. Rekening houdend met het belang waarvoor verzoeker opkomt, en met (sommige van) zijn middelonderdelen, is er reden om, naast de beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019 om niet zijn ontslag van ambtswege te vernietigen, ook dat ontslag van ambtswege zelf tot het voorwerp van de vordering te rekenen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 5. In zijn verzoekschrift leidt verzoeker een enig middel af uit “Schending van het gezag van gewijsde van het arrest nr. 245.597 dd. 01.10.2019 van de Raad van State, schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen[, van het] materiëlemotiveringsbeginsel en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder schending van het X-17.631-4/23 zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het principe van het vermoeden van onschuld in tuchtzaken”. In zijn tussenarrest nr. 247.405 van 15 april 2020 over de vordering tot schorsing van de bestreden beslissingen, onderkende de Raad van State in het middel zes onderdelen. Ze werden als volgt samengevat: “In een eerste onderdeel verwijt verzoeker de beroepscommissie een motiveringsgebrek. Ingaand tegen het gezag van gewijsde van, en de ‘duidelijke boodschap’ in, het arrest van de Raad van State nr. 245.597 van 1 oktober 2019, laat de beroepscommissie na ‘om in haar beslissing ook maar enige concrete aandacht te geven aan de elementen die verzoeker in zijn uitvoerige motivering deed gelden, zodat […] gesteld dient te worden dat de Beroepscommissie ten onrechte zich heeft beperkt tot het bevestigen van het bewezen zijn van de aankoop voor privédoeleinden’. In een tweede onderdeel geeft verzoeker ‘een overzicht van de door de stad Wervik aangebrachte overeenstemmende vermoedens en de weerleggingen uit het dossier’. Hij betoogt dat zijn ‘weerleggingen’ ‘onomstotelijk aan[tonen] dat de tuchtoverheid op basis van geen enkele van de aangehaalde overeenstemmende vermoedens op een redelijke of anderszins wettelijke wijze kan oordelen dat het tuchtfeit, met name het privégebruik of het bestemd zijn voor privégebruik van veiligheidsschoenen, bewezen is’. In deze ‘weerleggingen’, die meer dan veertien bladzijden beslaan, doet hij, samengevat, gelden: - Niet drie, maar slechts twee bestellingen gebeurden tijdens de vakantie van personen met controlemogelijkheden, en dat is ‘puur toeval’ en ‘doet weinig ter zake’. - Voor het hoge aantal aangekochte veiligheidsschoenen en de bestelling van meerdere paren tegelijk bestaat een uitleg. Door verschillende modellen te kopen wordt het probleem omzeild dat het niet mogelijk is de schoenen te passen en dat sommige aangekochte modellen dus te groot of te klein kunnen zijn. Tevens ‘konden’ ‘anderen ook […] gebruik maken van de schoenen’. - Het is niet correct dat de levensduur van een veiligheidsschoen in het geval van verzoeker twee tot drie jaar of langer bedraagt. Dat houdt geen rekening met ‘het feit dat verzoeker de schoenen op het werk continu droeg’. - Het feit dat (een deel van) de schoenen het uitzicht van gewone schoenen benaderden, wordt hierdoor verantwoord dat verzoeker vrijwel alle dagen zowel op de werken op het terrein kwam als bureauwerk uitoefende. ‘[Om] niet steeds van schoenen te moeten wisselen verkoos verzoeker om veiligheidsschoenen te dragen die pasten om zowel op het bureau als op het terrein te dragen.’ - Het is ten onrechte dat alle verklaringen in het voordeel van verzoeker, door de tuchtoverheid ofwel genegeerd werden ofwel als ongeloofwaardig zijn bestempeld. X-17.631-5/23 In een derde onderdeel, met als opschrift ‘Onredelijkheid van de bestreden beslissing van de Beroepscommissie van 25 oktober 2019’, doet verzoeker in essentie gelden dat indien de beroepscommissie in de toekomst opnieuw zou beslissen, op grond van de vermoedens die de gemeenteraad aanvoert en niettegenstaande de uitgebreide argumentatie van verzoeker, dat de gemeenteraad redelijk of anderszins wettelijk heeft gehandeld, er reden zou zijn om die toekomstige beslissing opnieuw te laten vernietigen. Verzoeker bekritiseert in een vierde onderdeel de tegenstrijdigheid tussen, eensdeels, de eerste beslissing van de beroepscommissie van 5 november 2015 en, anderdeels, de bestreden – derde – beslissing: ‘Het kan niet dat de Beroepscommissie met haar eerste besluit vindt dat de stad Wervik onredelijk heeft gehandeld en in een derde besluit stelt dat [de] stad Wervik ‘binnen de krijtlijnen van de redelijkheid kon beslissen dat de feiten bewezen zijn’ – met andere woorden niet onredelijk heeft gehandeld.’ Een vijfde onderdeel heet ‘Diversen over van de beslissing van de Beroepscommissie van 25 oktober 2019’. Verzoeker bestrijdt erin twee vermeldingen op bladzijde 5 van de beslissing van 25 oktober 2019, een eerste in verband met een verzoek om een sleutel van de conciërgewoning bij te maken, en een tweede in verband met de procedure die is voorgeschreven voor een aankoop van schoenen. Een zesde onderdeel ten slotte – ‘Meer van de motivatie van verzoeker in diverse stukken van het dossier’ – is beperkt tot een verwijzing naar acht stukken ‘die alle deel uitmaken van het dossier’. Er moet uit blijken ‘dat de stad Wervik bijzonder onredelijk of anderszins onwettig handelde en dat verzoeker geen tegenstrijdige of ongeloofwaardige verklaringen aflegde’.” Beoordeling 6. Nadat die middelonderdelen in het tussenarrest nr. 247.405 van 15 april 2020 als niet ernstig werden beoordeeld, heeft verzoeker een zeer uitvoerig verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend en een nog uitvoeriger memorie van wederantwoord. Daarin wordt amper, tot niet, teruggekoppeld naar de concrete, in het verzoekschrift aangevoerde middelonderdelen. Het verband met de initieel aangevoerde middelonderdelen is veelal evenmin spontaan goed zichtbaar. Het brengt de eerste auditeur er in het auditoraatsverslag toe op te merken: “De door verzoeker aangehouden methodiek maakt het zowel voor de verwerende partijen als de Raad van State bijzonder moeilijk om verzoekers X-17.631-6/23 grieven en argumenten op een duidelijke en een overzichtelijke manier te behappen.” 7. In de laatste memorie formuleert verzoeker als “samenvatting en algemene conclusie” dat hij bewijst “dat de hele redenering van de Gemeenteraad en de erop geënte toets van de Beroepscommissie gebaseerd zijn op de verkeerde premissen”. Getoetst aan de algemene principes van het vermoeden van onschuld en het redelijkheidsbeginsel “falen de twee beslissingen grandioos”. “[T]ot de kern teruggebracht” komt de bewijsvoering van “de manifest verkeerde feitenvinding waar de gemeenteraad en later ook de beroepscommissie (kritiekloos) van is uitgegaan” volgens verzoeker hierop neer: “- De 4 paar schoenen van de derde bestelling zijn allemaal ongebruikt teruggevonden in de oorspronkelijke dozen en in nieuwstaat op de zolder van de technische dienst van de gemeente zelf . Hoe kan gelijk welk logisch redenerend persoon, in die omstandigheden tegelijk tot de conclusie komen dat verzoeker met diezelfde schoenen een private schoenengarderobe (merk het tendentieuze woordgebruik

  1. op)heeft aangelegd op kosten van de Stad Wervik en deze – ongebruikte schoenen in oorspronkelijke dozen – gebruikte voor privé doeleinden. Zelfs al zou er één paar niet zijn teruggevonden of twee paar (quod non), dan nog kon de gemeenteraad niet tot die conclusie komen. Er is immers een veel plausibeler uitleg voor de feiten nl. dat deze werden besteld bij wijze van reserve zoals verzoeker stelt. Het is ook onredelijk om te besluiten dat de aankoop van zogenaamd teveel schoenen en niet volgens de juiste procedure (waarbij een bewezen gebruik bestaat bij de gemeente om het anders te doen) automatisch een privé gebruikt impliceert. Dit element moet volstaan om de volledige onredelijkheid en dus onwettigheid van de beslissing aan te tonen. Maar er is meer. - Het type lage schoenen werd bewezen ook gedragen door arbeiders in tegenstelling tot wat wordt gesteld door de Gemeenteraad. (Waarmee het verhaal wordt ontkracht dat ze specifiek dienden voor verzoeker) - Van de drie keer dat er schoenen zijn besteld werd er één keer buiten het verlof besteld en niet drie keer in het verlof zoals wordt gesteld door de gemeenteraad en de BC. (Waarmee het verhaal wordt ontkracht dat er speciaal werd besteld in het verlof om aan controle te ontsnappen – hetgeen absurd is omdat er sowieso controle is door de financiële dienst verlof of niet) - Globale bestellingen van meerdere schoenen waren schering en inslag – staat in de beslissing van de Gemeenteraad zelf. ( Waarmee wordt weerlegd dat 4 paar tegelijk abnormaal zou zijn hetgeen wordt beweerd) - Er zijn zowel schoenen van maat 43, 42 en 41 besteld. (Waarmee wordt weerlegd dat dat die allemaal aan dezelfde voeten van verzoeker moeten passen.) Iemand die een collectie voor zichzelf wil aanleggen zal allemaal X-17.631-7/23 schoenen van dezelfde maat bestellen en geen drie verschillende maten. Rekenen we dan nog mee dat dit voor mannen zeer courante maten zijn. - Niet alleen verzoeker als diensthoofd technische dienst maar ook de diensthoofden groendienst en feestelijkheden en anderen bestelden ook schoenen. Verklaring [R. V.] (stuk c 4) ( Wat de stelling weerlegt dat het volkomen aberrant was dat verzoeker schoenen bestelde en het niet door zijn functie verantwoord is. Dit kaderde minstens binnen de heersende gebruiken op de Gemeente) - Een groot deel van de schoenen had wel bewezen uitzicht van gewone veiligheidsschoenen. - Wat de eerste twee bestellingen betreft is van naaldje tot draad bewezen wat er mee gebeurd is. En past de bestelling van [R. V.] (preventieadviseur) van 2012, die geen maten 42 had besteld, perfect in de stelling van concluant dat verzoeker er kort erna heeft moeten bestellen.” In het licht van deze “samenvatting en algemene conclusie” gaat de Raad van State hierna in eerste instantie de gegrondheid van het tweede middelonderdeel van het enige middel na. In dat middelonderdeel betoogt verzoeker dat de tegen hem in aanmerking genomen vermoedens berusten op onbestaande feiten. 8.1. Het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid moet niet zijn onschuld bewijzen. Hij of zij geniet het vermoeden van onschuld. Het is aan de tuchtoverheid om de feiten die zij tegen het personeelslid in aanmerking wil nemen, én hun karakter van tuchtfeit, te bewijzen. Het tuchtrechtelijk vervolgd personeelslid is niet verplicht aan het onderzoek naar de feiten mee te werken. Wel is het zo dat hij er niet mee kan volstaan de tuchtfeiten die de tuchtoverheid tegen hem inbrengt, zonder meer te ontkennen om de eventuele bewijskracht ervan beslissend te ontkrachten. Ook komt het in voorkomend geval hem toe om van de juistheid te doen blijken van wat hij gebeurlijk inbrengt tegen de tuchtfeiten die de tuchtoverheid aanvoert. 8.2. Wat de aankoop van veiligheidsschoenen op kosten van de stad Wervik voor eigen gebruik betreft, wordt in de tuchtbeslissing van 5 mei 2015 gemotiveerd wat volgt: “A.1. De aankoop van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk op 13 augustus 2014 X-17.631-8/23 […] Door de betrokkene wordt niet betwist dat hij op 13 augustus 2014, op een ogenblik dat de financieel beheerder, de stadssecretaris en de schepen van financiën en van openbare werken (betreft sinds 01/01/2013 één en dezelfde persoon) op verlof waren, tegelijk vier paar veiligheidsschoenen heeft aangekocht. Tijdens het verhoor op 06 november 2014 (stuk C1) stelde betrokkene dat de schoenen ook waren bestemd voor [F. B.], technisch medewerker van de technische dienst, en [A. S.], ploegbaas technische dienst. Beide heren ontkennen dit (bijlage C3 en C6). Zij bestellen geen veiligheidsschoenen via de heer Stephan Deblaere. Deze bewering werd niet herhaald in de verweernota (‘conclusie’), neergelegd tijdens de hoorzitting van 31 maart 2015. Het staat zodoende vast dat de heer Stephan Deblaere de bestelling van 13 augustus 2014 van vier paren veiligheidsschoenen tegelijk voor eigen gebruik heeft geplaatst. De bestelling van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk wordt niet verantwoord door de functie van de heer Stephan Deblaere, waarbij slechts sporadisch werven worden bezocht. De gemeenteraad wijst op volgende bezwarende elementen: - De bestellingen werden geplaatst buiten de geëigende procedure om. In het verslag van de stadssecretaris wordt toegelicht dat voor veiligheidsschoenen, net als voor alle veiligheidsmateriaal, de preventieadviseur van de stad de bestellingen plaatst om er zorg voor te dragen dat deze in overeenstemming zijn met de regels inzake welzijn op het werk (KB van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen). In concreto betekent dit dat alle aankopen van veiligheidsmateriaal moeten gebeuren via preventieadviseur [R. V.]. Deze procedure wordt ook voorgeschreven door het KB van 13 juni 2005 betreffende het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen (o.a. artikel 10 en 13) (bijlage A6). De heer Stephan Deblaere blijkt de procedure voor de aankoop van veiligheidsmateriaal te kennen (stuk H1). Als diensthoofd van de technische dienst wordt van hem verwacht om het goede voorbeeld te geven en de procedure te respecteren. - De bestelling werd geplaatst op een ogenblik dat de financieel beheerder en de schepen van financiën afwezig waren. Nochtans bleek uit de foto die werd genomen op het ogenblik van het verhoor door de stadssecretaris met de heer Stephan Deblaere van 06 november 2014 (stuk C1) dat de heer Deblaere op dat ogenblik nog veiligheidsschoenen droeg van een vroegere bestelling, zodat er geen enkele hoogdringendheid was om de bestelling alsdan te plaatsen. - Hiernavolgende verklaringen van de heer Deblaere met betrekking tot de bestelling van 13 augustus 2014 zijn ofwel zonder meer onjuist, ofwel ongeloofwaardig. De bewering tijdens het verhoor van 06 november 2014 dat hij ook zou besteld hebben voor [F. B.], technisch medewerker van de technische dienst, en [A. S.], ploegbaas technische dienst (stuk C1) is niet correct. Beide heren ontkennen dit formeel (stukken C3 en C6). In de latere verweernota/conclusie van [V.] van 31 maart 2015 heet X-17.631-9/23 het, vaag, dat een (aantal) paar schoenen die besteld werden ‘konden worden gebruikt door diverse mensen’. Precies hoeveel schoenen door de heer Stephan Deblaere voor precies wie zouden besteld zijn, wordt niet gezegd door de heer Stephan Deblaere. Meer in het bijzonder wordt niet aangegeven welke van de 4 paar schoenenparen van de bestelling van 13 augustus 2014 voor derden bestemd zouden zijn. Het hoeft geen betoog dat niet iedereen dezelfde schoenmaat heeft. Aldus is dit verweer niet enkel onbewezen, maar ook ongeloofwaardig. In dezelfde verweernota/conclusie wordt gesteld door de heer Stephan Deblaere dat van de vier paar van de bestelling van 13 augustus 2014 er ‘drie paar [werden] teruggevonden op de zolder van de technische dienst en één paar werd gedragen door concluant’. In werkelijkheid blijkt dat de schoenen die de heer Deblaere droeg op 06 november 2014 (stuk C9) wel degelijk uit een vorige bestelling kwamen, en dat deze schoenen daarenboven nog in zeer goede staat waren. De schoenen die hij op dat ogenblik droeg, zijn van het type Jalgalaad uit de bestelling van 2010 of 2012 en die zijn op dit ogenblik niet meer verkrijgbaar op de website van leverancier Vandeputte. In tegenstelling tot zijn bewering werden er op 06 november 2014 slechts twee paar en geen drie paar nieuwe veiligheidsschoenen aangetroffen op de zolder. Aldus waren er op 06 november 2014 twee paar nieuwe veiligheidsschoenen spoorloos. In zijn mail aan de leden van de gemeenteraad en het schepencollege van 12 november 2014 (stuk H1) beweert Stephan Deblaere dat ‘de aanleiding van de bestelling was het feit dat eind juli een scheur in de zool van mijn veiligheidsschoenen was opgetreden, waardoor er water in een schoen binnenkwam …’ terwijl dat hij niettegenstaande deze bewering toch nog ‘oude’ en allesbehalve versleten veiligheidsschoenen droeg op 06 november 2014 (stuk C9). [foto] De heer Stephan Deblaere antwoordde op vraag 11 van de stadssecretaris (bijlage C1) dat hij niet eerder veiligheidsschoenen heeft aangekocht (‘ik geloof van niet’), terwijl blijkt dat in de periode tussen 2010 en 2014 niet minder dan 13 paar veiligheidsschoenen werden aangekocht (bundel E), telkens zonder de wettelijke procedure via de preventieadviseur te volgen. Het verweer van en namens de heer Stephan Deblaere kan niet overtuigen. - Van een verjaring aangaande de betwiste bestelling van 13 augustus 2014 kan geen sprake zijn omdat binnen een termijn van 6 maanden na het tuchtfeit (de aankoop van vier paar veiligheidsschoenen op 13 augustus 2014) en dus ook na kennisname van dit specifieke tuchtfeit (door de nota van de financieel beheerder van 08 oktober 2014) werd beslist tot opstart van de tuchtprocedure, met name met beslissing van de gemeenteraad van 04 november 2014. - De bewering als zou de procedure via de veiligheidsadviseur stroef verlopen en er geen voorraadbeheer is, zodat als er schoenen nodig zijn er maanden moet worden gewacht tegen dat ze geleverd zijn, kan de handelswijze van de heer Stephan Deblaere niet verantwoorden. Als diensthoofd van de technische dienst heeft hij X-17.631-10/23 een voorbeeldfunctie en, kennis hebbende van de procedure, moet zeker hij de procedure naleven. Komt daarbij dat de preventieadviseur [R. V.] tijdens zijn verhoor op 06 november 2014 (stuk C4) verklaart dat slechts bij uitzondering veiligheidsschoenen worden aangekocht zonder zijn tussenkomst en dat de heer Stephan Deblaere hem nooit heeft gevraagd om dergelijke schoenen voor hem aan te kopen. Tenslotte blijkt noch uit het tuchtdossier, noch uit het verweer van de heer Stephan Deblaere dat deze laatste ooit zijn beklag heeft gemaakt over het functioneren van de [R. V.] of deze laatste heeft aangespoord om zijn werking te verbeteren. - Dat slechts 5 paar veiligheidsschoenen die de laatste 5 jaar werden aangekocht door de heer Stephan Deblaere op kosten van de stad Wervik ‘het uitzicht van gewone schoenen benaderen’ wordt tegengesproken door hiernagaande foto’s die allen geput zijn uit het tuchtdossier (stuk A11). [foto’s] De waarheid is dat alle 13 paar lage veiligheidsschoenen die de heer Stephan Deblaere heeft aangekocht – dus ook de vier paar van 13 augustus 2014 – het uitzicht hebben van gewone schoenen en perfect gebruikt kunnen worden voor dagdagelijks gebruik. Het wordt niet betwist dat alle schoenen die op 13 augustus 2014 werden besteld de schoenmaat van de heer Stephan Deblaere betreffen. - In de conclusie wordt gesteld dat er niet het minste bewijs is dat de heer Stephan Deblaere de schoenen privé zou hebben gebruikt. Er is vooral geen enkel bewijs dat de heer Stephan Deblaere de vier schoenenparen die hij heeft besteld op 13 augustus 2014 voor professionele noodwendigheden nodig had of (tot op vandaag) zelfs maar heeft gebruikt. De normale gebruiksduur van dergelijke veiligheidsschoenen die slechts occasioneel worden gebruikt, spreekt dit tegen. Gezien het paar schoenen dat de heer Stephan Deblaere droeg op 06 november 2014 - dus schoenen uit een vorige bestelling - nog in zeer goede staat waren, kan de aankoop van niet minder dan vier paar nieuwe schoenen tegelijk voor professioneel gebruik niet verantwoord worden. - Het is juist dat geen klacht werd neergelegd wegens diefstal van overheidsmateriaal. Er bestaat in hoofde van de tuchtoverheid geen verplichting om strafklacht neer te leggen. Soms heeft een strafklacht een vertragende werking op een tuchtprocedure, terwijl thans de feiten voor zich spreken. Komt daarbij dat de gemeenteraad de mening toegedaan is dat de tuchtsanctie een voldoende straf is in hoofde van betrokkene. De eerste tenlastelegging is gegrond voor wat betreft het aankopen van vier paar lage veiligheidsschoenen tegelijk, dit tijdens het verlof van de financieel beheerder en de schepen van financiën & openbare werken, en buiten de voorziene procedure via de preventieadviseur om. Slechts twee paar van deze veiligheidsschoenen werden teruggevonden in het magazijn, in een kartonnen doos die zich niet bevond op de gebruikelijke stockeringsplaats. Deze vier paar veiligheidsschoenen zien eruit als gewone schoenen en moeten voor het grootste deel worden beschouwd als X-17.631-11/23 privé-uitgaven die worden verhaald op de stad en ontegensprekelijk kunnen beschouwd worden als het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden. Hierna zal worden betoogd dat enkel de bestelling van 13 augustus 2014 alleen al de tuchtsanctie ambtshalve verantwoordt. De gemeenteraad is van oordeel dat de tenlastelegging onder A.1. door betrokkene niet weerlegd wordt. A.2. De aankoop van vijf paar veiligheidsschoenen tegelijk op 19 juli 2010 en van vier paar veiligheidsschoenen tegelijk op 30 juli 2012 Uit het tuchtonderzoek is gebleken dat in de jaren voorafgaandelijk de bestelling van 13 augustus 2014, nog negen andere paren veiligheidsschoenen werden aangekocht door de heer Stephan Deblaere (stukken E1 en E2). Vastgesteld wordt dat: - Ook deze lage veiligheidsschoenen er precies uit zien als gewone schoenen (stuk A11) [foto’s] De veiligheidsschoenen die de heer Deblaere aanhad op 6 november 2014 (stuk C9) zijn van het type Jalgalaad, en perfect te gebruiken als woon- en werkschoenen. - De geëigende procedure, met name met betrokkenheid van de preventieadviseur, voor geen enkele van de bestellingen werd gevolgd. - De omstandigheid dat één paar schoenen schoenmaat 41 heeft, terwijl alle andere twaalf paar schoenen de schoenmaat van de heer Deblaere hebben, levert noch rechtstreeks [noch] onrechtstreeks een bewijs op van de bewering van de heer Deblaere als zouden sommige schoenen voor andere mensen zijn. Ten eerste weet de heer Stephan Deblaere niet aan te tonen voor wie welke schoenen besteld zouden zijn. Ten tweede is ook schoenmaat 44 zeer courant, en werd die nochtans nooit door de heer Deblaere aangekocht. Ten derde blijken deze schoenen nergens terug te vinden (dan tenzij aan de voeten van de heer Deblaere). Ten vierde: alhoewel de heer Deblaere schoenmaat 42 (tienmaal [aankocht]) en soms schoenmaat 43 (tweemaal [aankocht]) draagt, gebeurt het af en toe dat schoenen met schoenmaat 41 zo groot zijn dat ze ook kunnen gebruikt worden door iemand met schoenmaat 42. - De omschrijving van de aankoopprocedure in de verweernota/conclusie van mr. Wim Vandenbussche correct beschreven is. Het is echter de heer Stephan Deblaere zelf die als diensthoofd van de technische dienst de aanvraag tot bestelbon moest tekenen (of deze bestelbon nu van hem uitging dan wel van iemand anders van de dienst). Vervolgens wordt de bestelbon opgemaakt en getekend door een lid van het College van Burgemeester en Schepenen (Schepen van financiën of diens vervanger) als kennisname. Op deze groepsbestelbon staat de bestemmeling van de veiligheidsschoenen niet vermeld, evenmin als op de aanvraag tot bestelbon. Na goedkeuring van de bestelbon wordt deze enkele dagen later, door de financiële dienst, die onder leiding van de financieel X-17.631-12/23 beheerder staat, verwerkt en terug overgemaakt aan de betrokken dienst om de bestelling te plaatsen. Bij ontvangst van de factuur wordt vooral gecontroleerd of er een match is met de bestelbon. Bij deze gelegenheid werden de facturen afgetekend door de heer Deblaere. Op deze facturen staat al evenmin voor wie de veiligheidsschoenen bestemd zijn. Uit hetgeen vooraf gaat blijkt dat de heer Deblaere als leidinggevende van de technische dienst een zeer belangrijke rol speelt in het toezicht. De adviesrol van de preventieambtenaar werd niet gerespecteerd. Het toezicht van de financieel beheerder op de bestelbonnen werd uitgeschakeld door de aanvragen in diens verlof in te dienen. Hieruit volgt de conclusie dat de heer Stephan Deblaere doelbewust de bestellingen voor veiligheidsschoenen heeft geplaatst op het ogenblik dat de controle geringer was. Een vakantieperiode waar de eigen schepen van openbare werken en vooral de financieel beheerder afwezig zijn, was voor hem blijkbaar telkenmale het meest geschikte moment. Het kan geen toeval zijn dat de schoenen telkens werden besteld in het groot verlof en tijdens het verlof van de financieel beheerder. Omdat noch uit de bestelbonnen, noch uit de facturen precies blijkt voor wie de veiligheidsschoenen bestemd zijn, kan de stelling van [V.] als zou ter gelegenheid van de administratieve verwerking van de bestellingen en van de facturen het tuchtfeit automatisch opgemerkt moeten worden, niet gevolgd worden. Het is de aanvraag via de preventieadviseur en de controle door de financieel beheerder vooraleer de bestelbonnen worden verstuurd (benevens door het diensthoofd van de technische dienst zelf) die het meest doeltreffend zijn en door de heer Deblaere bewust ontlopen werden. In werkelijkheid is het pas naar aanleiding van de verdachte aankoop van 13 augustus 2014 dat aan de stadssecretaris werd gevraagd om te onderzoeken of er ook eerdere verdachte aankopen waren (ondermeer van veiligheidsschoenen) en dat gericht kon worden vastgesteld of er sprake is van overmatige en verdoken aanvragen. Het is door de e-mail dd. 01 september 2014 van de onthaalbediende (stuk A5) met de melding dat er een doos met schoenen in het stadhuis werd geleverd zonder dat de bestemmeling op het pakket was vermeld, die de aandacht trok van de financieel beheerder. De aflevering van de schoenen op het onthaal en niet op de technische dienst leidde tot de vraag via mail voor wie dit pakket bestemd was. Dit was meteen ook de aanleiding dat deze bestelling nader werd onderzocht en gesignaleerd werd aan het college van burgemeester en schepenen, aangezien het hier toch om een eigenaardige levering ging. Het verjaringsargument wordt verworpen. - Aan de heer Deblaere niet wordt ontzegd dat hij af en toe een paar veiligheidsschoenen voor zichzelf aankoopt (via de geëigende procedure). Het is de abnormale hoegrootheid van het aantal aangekocht[e] veiligheidsschoenen die duidelijk maakt dat de heer Stephan Deblaere op kosten van de stad Wervik zichzelf een uitgebreide schoenencollectie veroorloofde. In dit verband wordt X-17.631-13/23 verwezen naar het tuchtdossier waarin aangegeven wordt dat de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie minstens 2-3 jaar of langer is (zie de verklaringen gevoegd als stuk D3 van het tuchtdossier). Een en ander wordt ook in de feiten bewezen. De veiligheidsschoenen die de heer Stephan Deblaere droeg op 6 november 2014 bleken van het type Jalgalaad te zijn, die werden besteld in 2010 of 2012. De gemeenteraad is van oordeel dat de tenlastelegging onder A.2. door betrokkene niet weerlegd wordt. Om deze redenen, alsook om de redenen die werden uiteengezet met betrekking tot de aankoop van 13 augustus 2014 wordt de eerste tenlastelegging evenzeer bewezen geacht voor de op 19 juli 2010 en 30 juli 2012 bestelde veiligheidsschoenen. Het betreft telkenmale bestellingen geplaatst tijdens of net voor het verlof van de financieel beheerder (de verwerking en controle gebeurt pas na het college) van een (gezamenlijk) onverantwoord aantal lage veiligheidsschoenen die eruitzien als gewone schoenen waarvan minstens het grootste deel moet beschouwd worden als privé-uitgaven die worden verhaald op de stad Wervik en het gebruik van overheidseigendommen voor privédoeleinden. Ook deze aankopen van 2010 en 2012 verantwoorden elk op zich het ambtshalve ontslag (zie verder).” 8.3. Blijkens die motivering is het onjuist dat de vier paar schoenen van de bestelling van 13 augustus 2014 allemaal ongebruikt teruggevonden zijn op de zolder van de technische dienst van de stad. Integendeel zouden, aldus de gemeenteraadsbeslissing, op 6 november 2014 twee paar nieuwe veiligheidsschoenen spoorloos zijn geweest. De Raad van State kan slechts vaststellen dat dit strookt met het – door verzoeker “Voor akkoord” ondertekende – relaas van de ontmoeting die de tuchtonderzoeker en verzoeker op 6 november 2014 hadden. In fine ervan wordt vermeld dat de tuchtonderzoeker, verzoeker en A. S. zich naar de zolder begeven en er “[t]wee paar van de bewuste veiligheidsschoenen” aantreffen. Zo staat het overigens ook in het beroepschrift dat verzoeker bij de beroepscommissie indiende, al heet het in een latere conclusie dan weer dat die passus niet correct zou zijn en een materiële vergissing betreft. 8.4. Volgens de gemeenteraadsbeslissing hebben alle dertien paar lage veiligheidsschoenen die verzoeker aankocht, dus ook de vier paar van 13 augustus 2014, het uitzicht van “gewone schoenen”. X-17.631-14/23 Dat wordt niet tegengesproken door – zoals verzoeker doet – te argumenteren dat een groot deel van de schoenen het uitzicht hebben van “gewone veiligheidsschoenen”. Integendeel staaft de stad met foto’s de gelijkenis tussen “gewone veiligheidsschoenen” en “gewone schoenen”. 8.5. Volgens verzoeker wordt het type lage schoenen dat hij bestelde ook door arbeiders gedragen. In de gemeenteraadsbeslissing wordt in dat verband in de eerste plaats opgemerkt dat verzoeker tijdens het verhoor op 6 november 2014 beweerde dat de schoenen ook gekocht waren voor F. B. en A. S, maar dat beiden dat ontkennen en geen veiligheidsschoenen bestellen via verzoeker. Voorts wordt overwogen dat verzoeker niet zegt voor wie hij dan wel (hoeveel?) schoenen bestelde: “Meer in het bijzonder wordt niet aangegeven welke van de 4 paar schoenenparen van de bestelling van 13 augustus 2014 voor derden bestemd zouden zijn. Het hoeft geen betoog dat niet iedereen dezelfde schoenmaat heeft.” Daarbij komt dat, nog volgens de gemeenteraadsbeslissing, “de geëigende procedure” inhoudt dat de bestellingen van veiligheidsschoenen door de preventieadviseur gebeuren. Het wordt door de preventieadviseur bevestigd tijdens een verhoor van 6 november 2014: hij koopt de veiligheidsschoenen aan voor de arbeiders van de technische dienst; voor de arbeiders van de groendienst gebeurt de aankoop door C. D. en T. V., na zijn advies te hebben ingewonnen; alleen wat de twee arbeiders van de dienst feestelijkheden betreft, is het mogelijk dat hij niet bij de aankoop betrokken wordt. Met andere woorden is het verweer van verzoeker dat de schoenen die hij bestelde ook door arbeiders gedragen worden, nietszeggend en niet relevant. 8.6. Dit geldt eveneens voor het verweer dat globale bestellingen van meerdere schoenen schering en inslag zijn. X-17.631-15/23 Het doet niet ter zake. Noch blijkt dat het verzoeker toekomt dergelijke globale bestellingen te doen, buiten “de geëigende procedure” en de preventieadviseur om, noch kan hij aangeven voor wie precies de schoenen zijn die hij bestelde. 8.7. Dat het “minstens binnen de heersende gebruiken op de Gemeente” zou kaderen dat verzoeker als diensthoofd van de technische dienst schoenen bestelde, gaat in tegen wat door de stad in de tuchtbeslissing “de geëigende procedure” wordt genoemd om de aankopen van veiligheidsmateriaal via de preventieadviseur R. V. te laten verlopen. Die “geëigende procedure” wordt net bevestigd door de verklaring van R. V. van 6 november 2014, waarop verzoeker zich beroept (“stuk c 4”): “Sedert meer dan tien jaar ben ik als veiligheidsverantwoordelijke betrokken bij de aankoop van veiligheidsschoenen. Voor wat betreft de arbeiders van de technische dienst: Ik koop deze schoenen aan in overleg met de ploegbaas van de technische dienst. Op mijn aangeven maakt administratief medewerker [K. D.] de bewuste bestelbons op.” Op zijn beurt verklaarde de voormelde K. D. op 6 november 2014: “Ik maak vrijwel altijd de bestelbons op. Stephan Deblaere had mij meegedeeld dat hij dit zelf niet kan, doch tijdens de zomer heeft hij zelf wel enkele bestelbons opgemaakt, met inbegrip van deze voor de veiligheidsschoenen.” 8.8. Nog naar de mening van verzoeker, spreekt het feit dat er zowel schoenen besteld zijn van maat 43, 42 en 41 tegen dat ze alle voor hem bedoeld zijn. Tijdens het gesprek dat verzoeker op 6 november 2014 met de tuchtonderzoeker had, verklaarde hij schoenmaat 43 te hebben maar, afhankelijk van het model, soms ook 42. X-17.631-16/23 Van de dertien paar schoenen die verzoeker op 13 augustus 2014 (vier paar), 19 juli 2010 (vijf paar) en 30 juli 2012 (vier paar) heeft besteld, is er slechts één paar dat niet maat 43 of 42 heeft. Alleszins betreft de bestelling van 13 augustus 2014 louter schoenen die maat 42 hebben, en verantwoordt luidens de tuchtbeslissing “enkel de bestelling van 13 augustus 2014 alleen al” de tuchtsanctie van het ambtshalve ontslag. Wat het ene paar met maat 41 betreft, voert de stad in de tuchtbeslissing vier reden aan ter staving dat het “noch rechtstreeks [noch] onrechtstreeks een bewijs op[levert] van de bewering van de heer Deblaere als zouden sommige schoenen voor andere mensen zijn”. De redenen worden door verzoeker niet decisief in het gedrang gebracht. 8.9. Slechts twee van de drie bestellingen die in de tuchtbeslissing in aanmerking worden genomen, zijn volgens verzoeker gebeurd tijdens de vakantie van de financieel beheerder, waarin de controle geringer was. Eén bestelling had beweerdelijk plaats op 11 februari 2011 in plaats van op 19 juli 2010. Met betrekking tot die datum van 11 februari 2011 legt verzoeker in zijn verzoekschrift uit: “Bijlage E1 van het tuchtdossier bevat op de eerste bladzijde de factuur van de bestelling van 11 februari 2011. Deze factuur heeft als datum 13 februari 2011 en op de factuur is te zien dat de levering gebeurde op 11 februari 2011, datum van de bestelling.” De uitleg dat de levering én de bestelling allebei op 11 februari 2011 gebeurden, kan niet juist zijn. Verzoeker trekt er zelf de aandacht op dat er hoe dan ook (“sowieso”) altijd een tijdspanne zit tussen de bestelling en de levering. Ten andere verwijst de factuur naar een bestelbon van 2010. X-17.631-17/23 Bovendien weze herhaald dat volgens de tuchtbeslissing reeds de bestelling van 13 augustus 2014 van aard is verzoekers ontslag te verantwoorden. 8.10. In het licht van dit laatste maken de overwegingen die de stad in haar tuchtbeslissing besteedt aan de bestellingen van 19 juli 2010 en 30 juli 2012 in wezen overtollige motieven uit. Het brengt mee dat verzoekers betoog dat hij – mede gelet op de verklaring van S. H., gewezen ploegbaas van de technische dienst, van 18 mei 2015 – precies zou hebben bewezen wat er met de schoenen van die eerste twee bestellingen is gebeurd, niet vermag de wettigheid van zijn ontslag aan te tasten. 8.11. Anders dan verzoeker meent, doet hij met het tweede onderdeel niet aannemen dat de gemeenteraad en de beroepscommissie zich gebaseerd hebben op “verkeerde premissen” en onjuiste feiten. Niet bijgevallen wordt dat de beroepscommissie “niet binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, [heeft kunnen] beslissen dat de gemeente binnen de grenzen van het recht en in redelijkheid kon beslissen tot schuld en het ontslag”. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. 9. Ook de overige middelonderdelen worden ten gronde verworpen, in essentie om dezelfde redenen die de Raad van State in het tussenarrest nr. 247.405 van 15 april 2020 er al toe brachten ze niet ernstig te bevinden. 10.1. In het arrest nr. 245.597 van 1 oktober 2019 oordeelde de Raad van State, in het kader van een vordering tot schorsing, dat de beroepscommissie na het arrest van de Raad van State nr. 243.163 van 6 december 2018 verplicht is tot een nieuwe uitspraak over het administratief beroep dat verzoeker tegen de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 instelde, waarbij zij niet haar eigen oordeel geeft over het al dan niet bewezen zijn van de tuchtfeiten die tegen verzoeker in aanmerking werden genomen, maar waarbij zij, aan de hand van de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden, beoordeelt of de X-17.631-18/23 zienswijze hierover van de gemeenteraad binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de redelijkheid, is gebleven. Dat is wat de beroepscommissie in haar beslissing van 25 oktober 2019 ook gedaan heeft. Zij overwoog: “Opdat een tuchtfeit rechtmatig als bewezen kan worden beschouwd, moeten voldoende gegevens voorhanden zijn om naar recht, inbegrepen naar redelijkheid, te mogen aannemen dat het personeelslid het tuchtfeit heeft gepleegd. Ook vermoedens, waarbij gevolgtrekkingen worden afgeleid uit een bekend feit om tot een onbekend feit te besluiten, kunnen het bestaan van een tuchtfeit staven. De gemeenteraad heeft gemeend dat de bestelling door de heer Deblaere op 13 augustus 2014, 19 juli 2010 en 30 juli 2012, op kosten van de stad Wervik, van meerdere paren veiligheidsschoenen die in werkelijkheid voor privégebruik bestemd zijn, als bewezen in aanmerking […] mogen worden genomen op grond van een zeer uitvoerige redengeving Daarin wordt onder meer rekening gehouden met het feit dat de bestellingen werden geplaatst op een ogenblik dat de controle geringer was, tijdens de grote vakantie en de vakantie van de financieel beheerder, met het abnormale aantal aangekochte veiligheidsschoenen, met de bestelling van meerdere paren tegelijk terwijl dat niet door de functie van de heer Deblaere verantwoord wordt en de levensduur van een veiligheidsschoen voor een hogere functie twee tot drie jaar of langer is, met het feit dat het om lage veiligheidsschoenen gaat die het uitzicht van gewone schoenen benaderen, met de eigen verklaringen van de heer Deblaere die onjuist of ongeloofwaardig zijn. De Beroepscommissie komt tot de bevinding dat rekening houdende met deze diverse elementen, de gemeenteraad binnen de krijtlijnen van de redelijkheid kon beslissen dat de feiten bewezen zijn. De Beroepscommissie komt tot de bevinding dat bijaldien het tuchtbesluit op een materieel draagkrachtige grond berust.” Het blijkt niet dat de beroepscommissie het gezag van gewijsde of de “boodschap” van de arresten met nrs. 245.597 en 243.163 heeft geschonden door onvoldoende concrete aandacht te hebben besteed aan de elementen die de gemeenteraad in zijn motivering deed gelden. 10.2. In deze motivering van de gemeenteraadsbeslissing van 5 mei 2015 is verzoekers verweer tegen de tuchtvordering op beredeneerde wijze verworpen. X-17.631-19/23 Het administratief beroep dat verzoeker tegen de gemeenteraadsbeslissing instelde, heeft alleen maar een vernietigingstoezicht geactiveerd – geen hervormingsberoep, waardoor de beroepscommissie de beslissingsmacht over de tuchtzaak zelf zou hebben verworven en geroepen zou zijn de beslissing van de tuchtoverheid over te doen. Wanneer de beroepscommissie het besluit van de tuchtoverheid bijvalt en niet vernietigt, volstaat het in principe dat zij verantwoordt waarom zij dat doet, zonder er daarbij toe gehouden te zijn in haar beslissing formeel aandacht te schenken aan, en nader in te gaan op, de argumentatie die verzoeker vóór de tuchtoverheid deed gelden. Weliswaar kan het in bepaalde gevallen, afhankelijk van (het soortelijk gewicht van) de bezwaren die in het administratief beroep werden aangevoerd, mogelijk anders zijn. Wie meent in zijn administratief beroep dergelijke ernstige bezwaren te hebben aangevoerd die, volgens hem, vanwege de beroepscommissie onvoldoende aandacht en beantwoording hebben gekregen, kan zich daarover bij de Raad van State beklagen, maar dient in voorkomend geval die bezwaren met de vereiste precisie aan te geven. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift in het eerste onderdeel van het eerste middel geen zulke bezwaren aangewezen. Dat doet hij voor het eerst in zijn verzoek tot voortzetting van het geding na de verwerping van de vordering tot schorsing. Zijn uitgebreide uitweiding daarin over de “nieuwe bezwaren en nieuwe elementen in het administratief beroep, alsook zijn in het administratief beroep aangevoerde aanvullingen op en verduidelijkingen van zijn argumentatie voor de tuchtoverheid” kon ook al in het verzoekschrift zijn gegeven en is bijgevolg te laat. 10.3. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen. X-17.631-20/23 11. Een derde middelonderdeel heeft kennelijk betrekking op een toekomstige beslissing die beweerdelijk even onwettig zou zijn als de bestreden beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019. De eventuele onwettigheid van een onbestaande, hypothetische, beslissing is niet van aard een gegrond middel tegen de bestreden beslissingen op te leveren. Het derde middelonderdeel wordt verworpen. 12. Wat het vierde middelonderdeel betreft, kan de Raad van State geen onverenigbaarheid vaststellen tussen, enerzijds, de bestreden beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019 en, anderzijds, de zienswijze van de beroepscommissie in een eerdere beslissing van 5 november 2015, die door de Raad van State bij arrest nr. 243.163 van 6 december 2018 retroactief vernietigd is geworden. Door de vernietiging moet in rechte worden gehandeld alsof de beslissing van 5 november 2015 nooit heeft bestaan. Bovendien is die beslissing juist vernietigd geworden omdat ze op een onzorgvuldige en foutieve zienswijze berustte. Het vierde middelonderdeel wordt verworpen. 13.1. In een vijfde middelonderdeel betwist verzoeker in de eerste plaats de juistheid van de volgende vermelding in de beslissing van de beroepscommissie van 25 oktober 2019: “Op 1.7.2015 verklaart [D. D.] nogmaals schriftelijk dat de heer Stephan Deblaere hem nooit gevraagd heeft om een sleutel van de conciërgewoning bij te maken.” Het is een vermelding waarvan verzoeker noch in het verzoekschrift noch in enig ander procedurestuk doet aannemen dat ze de bestreden beslissingen heeft beïnvloed en hun wettigheid heeft aangetast. Naar X-17.631-21/23 verzoeker in de laatste memorie laat verstaan, beoogt hij met zijn kritiek op de vermelding wezenlijk “de houding van de tuchtonderzoeker tegenover verzoeker” te illustreren. 13.2. In de tweede plaats betoogt verzoeker in het vijfde middelonderdeel dat de wettelijk voorgeschreven procedure voor de aankoop van veiligheidsschoenen niet voorschrijft dat de preventieadviseur de bestellingen plaatst. Hij moet enkel een advies geven. Het is een advies, evenwel, dat verzoeker toegeeft niet te hebben ingewonnen. Er volgt uit dat, hoe dan ook, de tuchtoverheid terecht heeft overwogen dat “[d]e bestellingen werden geplaatst buiten de geëigende procedure om”. 13.3. Het vijfde middelonderdeel wordt verworpen. 14. Wat het zesde middelonderdeel betreft, beperkt verzoeker er zich in het verzoekschrift toe louter te verwijzen, zonder meer, naar eerdere stukken waarin “verzoeker al uitgebreid zijn verdediging [heeft] uiteengezet”. Het middelonderdeel getuigt van een misvatting. Het komt de Raad van State niet toe om, zich in de plaats van de tuchtoverheid stellend, zelf de precieze toedracht van de feiten na te gaan, of om naar eigen inzicht uit te maken of de feiten die tegen verzoeker worden ingebracht al dan niet voldoende bewezen zijn, en als een tuchtfeit te kwalificeren. Als wettigheidsrechter reikt de bevoegdheid van de Raad van State niet verder dan om, desgevraagd, na te gaan of de tuchtoverheid regelmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen en of die tuchtoverheid, uitgaande van de feitelijke gegevens die zij vaststelde, de feiten naar recht – inbegrepen naar redelijkheid – als tuchtvergrijpen heeft beschouwd. Een simpele verwijzing naar verschillende stukken waarin verzoeker zijn verdediging tegenover de tuchtoverheid en de beroepscommissie X-17.631-22/23 uiteenzet, volstaat dan ook niet opdat de Raad van State de bestreden beslissingen vernietigt om reden dat “de stad Wervik bijzonder onredelijk of anderszins onwettig” zou hebben gehandeld. Ook het zesde en laatste middelonderdeel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de eerste verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.631-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.837 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.405 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.