← België

Arrest 252917 - Examens (onderwijs) - 08/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.917 Rolnummer: A. 234752/IX-9959 Zaak: Arrest 252917 - Examens (onderwijs) - 08/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-14 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:13 Fiche Arrest nr 252.917 van 8 februari 2022 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.917 van 8 februari 2022 in de zaak A. 234.752/IX-9959 In zake: Sara KOCKX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Vangeel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Thomas Fiers kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 oktober 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepsinstantie van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts van 25 augustus 2021 waarbij het beroep van Sara Kockx ongegrond wordt verklaard en de eerder door de examencommissie genomen beslissing dat zij 144 op 240 punten behaalt en niet gunstig is gerangschikt, wordt bevestigd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. IX-9959-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Vangeel, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Thomas Fiers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Regelgeving en feiten 3.
  5. De Vlaamse Regering organiseert jaarlijks een toelatingsexamen voor de opleiding tot arts (artikel II.187, § 6, 1° en 3°, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 ‘houdende de organisatie van het toelatingsexamen arts en het toelatingsexamen tandarts’). Dat toelatingsexamen beoogt het toetsen van de bekwaamheid van de studenten om een geneeskundige opleiding met succes af te ronden. Een gunstige rangschikking op grond van dit examen geldt als een “bijkomende toelatingsvoorwaarde” voor inschrijving in een bacheloropleiding in het studiegebied Geneeskunde (artikel II.187, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs). Het examen bestaat uit twee onderdelen: vooreerst een onderdeel ‘wetenschappelijke kennis en inzicht in de vakken biologie, fysica, IX-9959-2/10 chemie en wiskunde (KIW)’ (hierna: ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’) en voorts een onderdeel ‘generieke competenties die aansluiten bij themata uit de beroepspraktijk van artsen (GC)’ (hierna: ‘generieke competenties’) (artikel II.187, § 5, van de Codex Hoger Onderwijs en artikel 22, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Deze twee onderdelen van het examen hebben hetzelfde gewicht (artikel 27, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). Het examen is vergelijkend van aard. De kandidaten die ten minste de helft van de punten behalen op alle onderdelen van het examen zijn geslaagd. De geslaagde kandidaten worden gerangschikt in volgorde van de behaalde numerieke score. De geslaagde kandidaten met de hoogste behaalde scores worden gunstig gerangschikt, rekening houdend met het vooropgestelde quotum, dat thans 1276 bedraagt (besluit van de Vlaamse Regering van 14 februari 2020 ‘tot vastlegging van het startquotum voor de opleiding arts en voor de opleiding tandarts’). Is het aantal geslaagde kandidaten hoger dan het vooropgestelde quotum, dan wordt een cesuur getrokken. Dit gebeurt principieel tussen de kandidaten met een verschillend examenresultaat (artikel II.187, §§ 3 en 4, van de Codex Hoger Onderwijs). Alle vragen van het toelatingsexamen zijn meerkeuzevragen met vier antwoordmogelijkheden per vraag. Slechts één antwoordmogelijkheid per vraag is juist. Een juist antwoord levert positieve punten op, een fout antwoord levert negatieve punten op en geen antwoord levert nul punten op (artikel 27, vierde lid, 1° en 2°, van het voornoemde besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018). 3.
  6. Nadere voorschriften met betrekking tot het toelatingsexamen georganiseerd in 2021 zijn door de examencommissie vastgesteld in het ‘Werkingsreglement en examenreglement toelatingsexamens arts en tandarts 2021’ (hierna: het werkings- en examenreglement 2021). IX-9959-3/10 3.
  7. Verzoekster neemt op 6 juli 2021 deel aan het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts. 3.
  8. Na beraadslaging kent de examencommissie haar de volgende punten toe: 56 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’, 88 op 120 punten voor het examenonderdeel ‘generieke competenties’ en 144 op 240 punten in het totaal. De cesuur is door de examencommissie bepaald op 135 op 240 punten. Verzoekster behaalt niet de helft van de punten voor het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’ en is dus niet geslaagd. 3.
  9. Verzoekster stelt op 19 juli 2021 tegen die beslissing van de examencommissie een beroep in bij de “interne beroepsinstantie” (hierna: de beroepsinstantie), die luidens artikel 67 van het werkings- en examenreglement 2021 is samengesteld uit “de examencommissie met de voorzitter van de examencommissie als voorzitter”. Verzoekster betwist in haar beroepschrift examenvraag 6 van het gedeelte ‘biologie’ van het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’. Zij voert aan: “Volgens mij kunnen zowel antwoordmogelijkheid A als D juist zijn. De opname van het mRNA vaccin dient selectief in dendritische cellen of macrofagen te gebeuren. Dit gebeurt door de tussenkomst van opsonines (Immuunglobulinen) die binden op deze lipide nanopartikels. De receptoren voor deze opsonines zijn in de celmembraan van dendritische cellen en macrofagen gelegen […]. De opsonines en hun receptor zijn beide eiwitten en zijn essentieel voor de binding en het transport (binnenbrengen in de cel) van de lipide nanopartikels. Na deze stap gebeurt er een vervloeiing van de membranen.” IX-9959-4/10 3.
  10. Op 25 augustus 2021 beslist de beroepsinstantie dat verzoeksters beroep ongegrond is en dat de eerder door de examencommissie genomen beslissing over haar niet-slagen, wordt bevestigd. Dit is de bestreden beslissing. Ze steunt op de volgende motieven: “De interne beroepsinstantie wijst vooreerst op het gegeven dat de examencommissie een ruime autonomie heeft bij het opstellen van het examen, gelet op haar specifieke deskundigheid ter zake. Het is aan de kandidaat om het tegenbewijs te leveren ten aanzien van dit vermoeden van deskundigheid. Als een kandidaat de validiteit van bepaalde vragen in vraag stelt, dient dit te gebeuren aan de hand van concreet onderbouwde argumenten en elementen. De beroepsinstantie komt na onderzoek van de betwiste vragen tot de hiernavolgende conclusie. Vraag 6 biologie: De aangehaalde informatie valt buiten het leerstofoverzicht en de vraag suggereert op geen enkele manier dergelijk cel-selectief opnamemechanisme. De vraag polst alleen naar de rol van lipide nanopartikels die het mRNA omgeven, zodat de opname van dit mRNA in lichaamscellen vergemakkelijkt wordt. Leerlingen aso leren dat alleen lipofiele moleculen de plasmamembraan kunnen passeren, terwijl hydrofiele moleculen (zoals naakt mRNA) hiervoor specifieke transportmechanismen nodig hebben zoals kanaalproteïnen of actieve ATP-energie vereisende transporteiwitten. De bewering dat de lipide nanopartikels als brandstof zouden dienen voor een mRNA-transportproteïne valt buiten het leerstofoverzicht, waarin alleen wordt verwezen naar actieve pompeiwitten aangedreven op basis van ATP (en uitzonderlijk GTP). De beroepsinstantie besluit dat deze vraag eenduidig en inhoudelijk correct is opgesteld en slechts één juist antwoord heeft. De vraag behoort tot het leerstofoverzicht.” IV. Schorsingsvoorwaarden
  11. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel IX-9959-5/10 wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van het enige middel Uiteenzetting van het middel
  12. Verzoekster voert in een enig middel de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat zij een beroep heeft ingesteld “omdat zij meent dat haar antwoord op vraag 6 van biologie ook juist is”. Volgens verzoekster heeft zij in haar beroepschrift het antwoord op de voormelde vraag dat zij als ‘juist’ had aangestipt, zeer gedegen beargumenteerd, met verwijzing naar wetenschappelijke studies, zodat zij het vermoeden van deskundigheid van de opstellers van het examen aan het wankelen heeft gebracht. Zij stelt overtuigend aan te tonen dat er moet worden getwijfeld aan “de ernst van de vragen”, minstens aan het enige juiste antwoord dat naar voren wordt geschoven. Zij meent daardoor ook aanspraak te kunnen maken op “een meer doorgedreven, versterkte motiveringsplicht, die verder zou reiken dan wat thans in de bestreden beslissing vermeld staat”. Bovendien, zo doet verzoekster gelden, ontkent de bestreden beslissing haar inhoudelijke en wetenschappelijke argumentatie niet, maar stelt ze slechts dat haar antwoord niet binnen het leerstofoverzicht te vinden is. Volgens verzoekster is dat laatste geen geldig argument om een juist antwoord niet te valideren. Wil men de meest uitmuntende studenten selecteren, dan mogen die studenten niet worden afgestraft omdat zij meer kennen dan de opgegeven leerstof. Daarenboven kan in geen enkele bepaling van het werkings- en examenreglement 2021 worden gelezen dat vragen enkel mogen of moeten worden beantwoord met de kennis waarvan gewag wordt gemaakt in het leerstofoverzicht. IX-9959-6/10 Een correct antwoord ongeldig verklaren omdat het niet in een leerstofoverzicht staat, is volgens verzoekster ook kennelijk onredelijk. Maar verzoekster voert ook aan dat haar antwoord wel degelijk tot het leerstofoverzicht behoort. Het is volgens haar onder te brengen bij de subonderdelen ‘actief transport: transport van stoffen tegen een concentratiegradiënt’ en ‘endo- en exocytose’ van het onderdeel ‘uitwisseling van stoffen tussen cel en milieu’. Nergens in het leerstofoverzicht leest verzoekster de beperking die door de beroepsinstantie is aangevoerd. “In ieder geval”, zo besluit verzoekster, “zelfs indien [haar] antwoord […] niet tot de te kennen leerstof behoort, maakt dit het antwoord niet foutief”. De voorliggende motivering voldoet dan ook niet aan “wat men in het kader van de materiële motiveringsplicht kan of mag verwachten” en een “[d]ergelijke handelwijze is niet alleen onredelijk, maar tevens onzorgvuldig”. Beoordeling
  13. Verzoekster voert alleen een betwisting aan met betrekking tot vraag 6 van het gedeelte ‘biologie’ van het examenonderdeel ‘kennis en inzicht in de wetenschappen’. Die vraag luidt: “In december 2020 kwam het nieuws dat de productie van mRNA-vaccins tegen COVID-19 vertraging had opgelopen. Volgens sommige bronnen was de oorzaak een tekort aan zogenaamde lipide nanopartikels. Dit zijn piepkleine vetbolletjes waarin het mRNA wordt verpakt. Op die manier wordt de kans op immuniteit groter, omdat het mRNA beter wordt opgenomen door de lichaamscellen. Wat is de juiste verklaring voor deze rol van de lipide nanopartikels? A. De lipiden activeren een transportproteïne in de celmembraan dat het mRNA binnenbrengt in de cel. B. De lipiden absorberen cholesterol uit de celmembraan, waardoor dit minder vloeibaar wordt zodat het mRNA naar binnen kan via diffusie. C. De lipiden versmelten met de celmembraan, waardoor het mRNA in de cel wordt opgenomen. D. De lipiden worden gebruikt als brandstof om energie te leveren voor actief transport van het mRNA naar binnen in de cel.” IX-9959-7/10 Volgens de correctiesleutel van de examencommissie is antwoord C het juiste antwoord. Verzoekster heeft in haar versie van het examen het antwoord aangeduid dat antwoord A is van de correctiesleutel.
  14. Verzoekster heeft in een eerdere fase van het geschil kritiek geuit op deze vraag en deze aan de beroepsinstantie voorgelegd. Daarop is het antwoord gekomen dat hiervóór sub 3.6 is weergegeven.
  15. Uit dat antwoord blijkt prima facie dat de beroepsinstantie van oordeel is dat de door verzoekster “aangehaalde informatie […] buiten het leerstofoverzicht [valt]”, maar óók dat “de vraag […] op geen enkele manier dergelijk cel-selectief opnamemechanisme [suggereert]” en “alleen [polst] naar de rol van lipide nanopartikels die het mRNA omgeven, zodat de opname van dit mRNA in lichaamscellen vergemakkelijkt wordt”. Aldus zijn er, zo lijkt, twee motieven die de beroepsinstantie ertoe brengen het bezwaar van verzoekster als ongegrond af te wijzen.
  16. Met de verwerende partij moet op het eerste gezicht worden vastgesteld dat verzoekster zich in haar enige middel ertoe beperkt kritiek te leveren op het motief dat de door haar aangehaalde informatie buiten het leerstofoverzicht valt – zij acht dit geen geldig argument om een (ander) juist antwoord niet te valideren en zij is van oordeel dat haar antwoord wél binnen het leerstofoverzicht valt. Verzoekster lijkt evenwel geen kritiek te uiten op het andere motief van de bestreden beslissing, namelijk dat zij, door zich te richten op een cel-selectief opnamemechanisme, aan de betrokken vraag een andere draagwijdte IX-9959-8/10 geeft dan het generieke opnameproces in de lichaamscellen dat ze volgens de verwerende partij voor ogen heeft. In de huidige stand van de rechtspleging moet derhalve worden besloten dat dit laatstgenoemde motief overeind blijft.
  17. Dat motief is van zodanige aard, zo lijkt, dat het op zich de bestreden beslissing vermag te dragen. Het weerlegt immers op het eerste gezicht genoegzaam de argumentatie van verzoekster in haar beroepschrift door aan te geven dat ze de kwestieuze vraag 6 van het gedeelte ‘biologie’ te buiten gaat.
  18. Het volstaat niet dat een kandidaat van het toelatingsexamen voor de opleiding tot arts een wetenschappelijke verantwoording geeft voor het door hem gegeven, maar door de examencommissie als fout aangerekende antwoord, opdat het vermoeden van deskundigheid van de examencommissie aan het wankelen zou worden gebracht. Daartoe is vereist, zo lijkt, dat die wetenschappelijke verklaring én juist is én in de vraag kan worden ingepast. Alvast dat laatste is volgens de bestreden beslissing niet het geval en verzoekster spreekt dat op het eerste gezicht in haar inleidend verzoekschrift niet tegen, laat staan dat zij het weerlegt.
  19. Het enige middel is niet ernstig.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing zou kunnen worden ingewilligd. IX-9959-9/10 BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van acht februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9959-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.917 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.981 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.