← België

Arrest 252931 - Architecten - 09/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.931 Rolnummer: A. 227028/XIV-37906 Zaak: Arrest 252931 - Architecten - 09/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-14 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 06:13 Fiche Arrest nr 252.931 van 9 februari 2022 Beroepen - Architecten Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.931 van 9 februari 2022 in de zaak A. 227.028/XIV-37.906 In zake:

  1. Jos LEYSSENS
  2. Philip ADAM woonplaats kiezend te 1750 Lennik Brusselsestraat 28 tegen: de NATIONALE RAAD VAN DE ORDE VAN ARCHITECTEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Schoofs kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Stationlei 68 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 21 december 2018 strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing genomen door de Provinciale Raad van de Orde van Architecten van de provincie Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad van 29 november 2018 waarbij een nieuwe installatievergadering wordt gehouden van de Raad, zonder dat voorafgaandelijk de Nationale Raad in kennis wordt gesteld van de inhoud van het Arrest van de Raad van State van 14 november 2018, zonder dat het Arrest wordt geagendeerd op de Provinciale Raad van Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, en waarbij er geen redelijke termijn werd in acht genomen voor de samenroeping van de leden van de Provinciale Raad van VIaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad, en waarbij de installatievergadering niet wordt samengeroepen door de uittredend voorzitter, en waarbij bovendien geen effectief lid maar een plaatsvervanger wordt gekozen tot plaatsvervangend Nationaal XIV-37.906-1/5 Afgevaardigde”. De verzoekers vragen tevens een schadevergoeding tot herstel. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij arrest nr. 243.328 van 3 januari 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Eerste verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Tweede verzoeker heeft geen verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Eerste verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. Dat verslag werd aan eerste verzoeker ter kennis gebracht op 15 november
  5. Op 22 december 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan eerste verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Eerste verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Op 21 december 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan tweede verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van XIV-37.906-2/5 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Tweede verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Beoordeling ten aanzien van eerste verzoeker
  7. In het auditoraatsverslag wordt de verwerping van het beroep voorgesteld. Naar luid van artikel 21, zevende lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, na de kennisneming van het verslag van de auditeur waarin de verwerping of de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de betekening van het verslag. Eerste verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend.
  8. Het vermoeden van afstand van geding in hoofde van eerste verzoeker is te dezen van toepassing. IV. Beoordeling ten aanzien van tweede verzoeker
  9. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing XIV-37.906-3/5 van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
  10. Tweede verzoeker heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
  11. Het vermoeden van afstand van geding in hoofde van tweede verzoeker is te dezen van toepassing. V. Schadevergoeding tot herstel
  12. De verzoekers vorderen tevens “een schadevergoeding.”
  13. Tot een vaststelling van een onwettigheid is de Raad van State in dit arrest, dat de procedure tot nietigverklaring afsluit, niet gekomen. Die vaststelling alleen reeds volstaat om het verzoek tot schadevergoeding tot herstel af te wijzen. BESLISSING
  14. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit in hoofde van beide verzoekers.
  15. De Raad van State verwerpt het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
  16. De verzoekers worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, elk voor de helft, begroot op een rolrecht van 400 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.906-4/5
  17. Eerste verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
  18. Het te veel betaalde bedrag aan bijdrage bij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dient aan de verzoekers te worden teruggestort, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.906-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.931 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.328 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.