id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.933 Rolnummer: A. 220759/XIV-37246 Zaak: Arrest 252933 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 09/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-14 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:13 Fiche Arrest nr 252.933 van 9 februari 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 252.933 van 9 februari 2022 in de zaak A. 220.759/XIV-37.246 In zake: Filip DE RYCK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 november 2016, strekt tot de nietigverklaring van “[h]et besluit van de deliberatiecommissie dd. 19-09-2016 in het kader van een interne kandidatuur voor de selectie middenkader, waarbij verzoeker ongeschikt is bevonden […], evenals het besluit van deze deliberatiecommissie waarbij zij, in alfabetische volgorde, de lijst vaststelt van personeelsleden die geslaagd en batig gerangschikt zijn en gebeurlijk, indien dergelijk besluit bestaat, het besluit van de deliberatiecommissie om het vergelijkend examen af te sluiten indien het in artikel VII.II.7 bedoelde aantal kandidaten in de groep ‘zeer geschikt’ is bereikt.” XIV-37.246-1/8 II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 238.370 van 30 mei 2017 werd het debat heropend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 20 december 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 2 februari 2022. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De feiten voorafgaand aan de bestreden beslissingen zijn uiteengezet het tussenarrest nr. 238.379 van 30 mei 2017. Er wordt naar verwezen. XIV-37.246-2/8 In het voornoemde tussenarrest nr. 238.379 is vastgesteld dat bij beslissing van 22 februari 2017 de deliberatiecommissie de beslissing van 19 september 2016 – dit is de eerste bestreden beslissing – heeft ingetrokken. Omdat niet geheel duidelijk is wat de impact is op de door verzoeker bijkomend bestreden beslissingen (de vaststelling van de alfabetische lijst van geslaagde en batig gerangschikte personeelsleden en het besluit van de deliberatiecommissie om het vergelijkend examen af te sluiten indien het aantal “zeer geschikte” kandidaten bedoeld in artikel VII.II.7. van het RPPol is bereikt), is voorts beslist dat geen toepassing kan worden gemaakt van de verkorte rechtspleging van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) en is het debat heropend. 3.2. Op 25 oktober 2017 neemt de deliberatiecommissie een nieuwe (negatieve) beslissing betreffende de kandidatuur van verzoeker voor de selectie middenkader. Verzoeker dient hiertegen een beroep tot nietigverklaring in, alsook “tegen het besluit van deze deliberatiecommissie waarbij zij, in alfabetische volgorde, de lijst vaststelt van personeelsleden die geslaagd en batig gerangschikt zijn en gebeurlijk, indien dergelijk besluit bestaat, het besluit van de deliberatiecommissie om het vergelijkend examen af te sluiten indien het in artikel VII.II.7 RPPol, nr art. 38 wet 26 april 2002, bedoelde aantal kandidaten in de groep ‘zeer geschikt’ is bereikt”. Dit beroep is gekend onder het nummer G/A 224.134/XIV-37.600. Het voornoemde beroep tot nietigverklaring is verworpen bij arrest nr. 251.575 van 22 september 2021. Inzake de tweede en derde beslissing bestreden in die zaak, is het volgende overwogen: “6. Verzoekers vrees en de onduidelijkheid die er heerste nopens het te verlenen rechtsherstel, brachten de Raad van State ertoe in zijn tussenarrest nr. 238.370 van 30 mei 2017 in de zaak A.220.759/XIV-37.246 geen toepassing te kunnen maken van de verkorte rechtspleging van artikel 93 van het algemeen procedurereglement. Thans moet echter worden vastgesteld dat verzoekers vrees XIV-37.246-3/8 niet langer terecht is. De verwerende partij heeft de bestaande onduidelijkheid immers weggenomen nu zij uitdrukkelijk verklaart dat “indien uit een beslissing van de deliberatiecommissie zou blijken dat verzoeker toch geschikt zou zijn, verwerende partij gehouden is om hieraan uitvoering te geven en [dat dit] dan zal gebeuren in overtal”. Uit die verklaring kan onmiskenbaar worden afgeleid dat (
- i)het volstaat dat verzoeker “geschikt” wordt bevonden om aan de opleiding te kunnen deelnemen en (
- ii)die deelname in dat geval zal gebeuren “in overtal”. Met betrekking tot het eerste aspect van die verklaring, kan verzoeker niet worden bijgetreden waar hij stelt dat “geschikt” bevonden worden […] niet [zal] volstaan”. De verklaring is op dit punt duidelijk: “geschikt” bevonden worden, volstaat. Wat het tweede aspect van haar verklaring betreft om het voorwerp van het beroep (en derhalve ook een eventuele nietigverklaring) te beperken tot de eerste bestreden beslissing en aan verzoeker belang te ontzeggen bij zijn beroep tegen de tweede en de derde bestreden beslissing, kan de exceptie van de verwerende partij thans worden ingewilligd aangezien zij inmiddels tot een ondubbelzinnige verklaring is gekomen omtrent het te verlenen rechtsherstel na een nietigverklaring. Een en ander betekent immers te dezen dat de verwerende partij wanneer zij zich na verzoeker opnieuw te hebben beoordeeld en (minstens) geschikt zou bevinden, het gezag van gewijsde van dit arrest zou schenden indien zij verzoeker, eenmaal “geschikt” bevonden, niet in overtal aan de basisopleiding zou laten deelnemen. Voorts wanneer zou blijken dat de eerste bestreden beslissing moet worden vernietigd, en de deliberatiecommissie zich opnieuw over de geschiktheid van verzoeker zou moeten uitspreken, zal de verwerende partij zich bij een nieuw beroep van verzoeker tegen de nieuwe beslissing niet mogen beroepen op het feit dat alle plaatsen voor de basisopleiding reeds zijn ingenomen. 7. In die concrete omstandigheden mist verzoeker belang bij een nietigverklaring van de tweede en de derde bestreden beslissing en is het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. “ III. Toepassing kortedebattenprocedure - Ontvankelijkheid van het beroep Ambtshalve exceptie 4. Ter zake gevraagd door het auditoraat naar verduidelijking van het actueel belang in het licht van de vaststelling dat de eerste bestreden beslissing is ingetrokken en dat de onduidelijkheid die bestond ten aanzien van de tweede en derde bestreden beslissing door het arrest nr. 251.575 van 22 september 2021 is weggenomen, antwoordt verzoeker dat zijn belang actueel onbestaande is geworden ingevolge het tussengekomen arrest nr. 251.578 van 22 september 2021. XIV-37.246-4/8 5. Uit deze verduidelijking en uit de bevinding dat de onduidelijkheid die nog bleek uit het tussenarrest nr. 238.370 van 30 mei 2017 is weggenomen door het verwerpingsarrest nr. 251.575 van 22 september 2021, concludeert het auditoraat ambtshalve dat verzoeker niet langer doet blijken van het vereiste actueel belang bij het voorliggende beroep. Beoordeling 6. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.2. en B.12.2). Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wordt dit belang in twijfel getrokken, dan valt het haar toe bij de eerstvolgende procedurele gelegenheid hierover opheldering te verschaffen en haar belang te staven. 7. Zoals werd uiteengezet in het tussenarrest nr. 238.370 van 30 mei 2017 is de eerste bestreden beslissing, dit is de beslissing van de deliberatiecommissie van 19 september 2016 waarbij verzoeker ongeschikt is bevonden voor het middenkader van het operationeel personeel van de geïntegreerde politie, ingetrokken op 22 februari 2017. Voorts is de oorspronkelijke onduidelijkheid ten aanzien van de tweede en derde bestreden beslissing weggenomen door het arrest nr. 251.575 van 22 september 2021 en XIV-37.246-5/8 werd in die zaak de exceptie wegens gebrek aan belang wat de tweede en derde beslissing in die zaak, bijgetreden op grond van de hiervoor aangehaalde overwegingen (supra, punt 3.2). Tot slot erkent verzoeker uitdrukkelijk dat zijn actueel belang onbestaande is geworden ingevolge het tussengekomen arrest nr. 251.575 van 22 september 2021. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, dat verzoeker niet langer doet blijken van een actueel belang. 8. De exceptie is in de aangegeven mate gegrond. Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. IV. Rechtsplegingsvergoeding 9. Verzoeker vraagt in de memorie van wederantwoord om hem een rechtsplegingsvergoeding ten belope van 1000 euro toe te kennen, omdat de verwerende partij “de zaken vrij ingewikkeld maakt door een intrekking van de eerste bestreden beslissing zonder duidelijkheid naar het lot en de impact van de 2de en 3e bestreden beslissing in het licht van een herneming van het beslissingsproces en/of rechtsherstel na vernietiging” en door geen klare taal te spreken. Volgens verzoeker is er door het handelen van de verwerende partij een tussenstap geweest inzake de afhandeling in toepassing van artikel 93 van de algemene procedureregeling. Aldus heeft volgens verzoeker de voorliggende zaak een complex karakter gekregen en de situatie een kennelijk onredelijke aard verkregen. 10. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings- vergoeding betreft, somt artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde XIV-37.246-6/8 wetten op de Raad van State de criteria op waarmee de Raad van State rekening houdt om al dan niet af te wijken van het toe te kennen basisbedrag. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. In de mate dat verzoeker doet gelden dat de situatie een kennelijk onredelijke aard heeft verkregen door de (proces)houding van de verwerende partij, bemerkt de Raad van State dat de rechtsplegingsvergoeding ertoe strekt forfaitair tegemoet te komen in de kosten en honoraria van de advocaat en dus geen sanctionerend karakter heeft. Dit houdt in dat de proceshouding van de verwerende partij niet in rekening mag worden gebracht voor de begroting van deze vergoeding. De door verzoeker aan de verwerende partij toegeschreven proceshouding en het volgens hem hierdoor heropenen van het debat, is derhalve niet van aard om een “kennelijk onredelijke aard van de situatie” aan te tonen, als bedoeld in artikel 30/1, § 2, eerste lid, 3°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Wat de aangevoerde (ontstane) complexiteit van de zaak betreft, werd het debat weliswaar heropend in het arrest nr. 238.370 van 30 mei 2017, doch op zich leidt dit er niet toe dat de zaak complexer is geworden, ongeacht de in casu eventuele onduidelijke houding van de verwerende partij wat de gevolgen betreft van de intrekking van de eerste bestreden beslissing. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat er bijzondere redenen voorhanden zijn die ertoe nopen het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 700 euro te verhogen. 11. Uit wat vooraf gaat volgt dat aan verzoeker het basisbedrag van 700 euro dient te worden toegekend. BESLISSING XIV-37.246-7/8 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.246-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.933 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.370 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div