id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.995 Rolnummer: A. 234146/IX-9913 Zaak: Arrest 252995 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-21 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:16 Fiche Arrest nr 252.995 van 15 februari 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 252.995 van 15 februari 2022 in de zaak A. 234.146/IX-9913 In zake: 1. Katrien BOUDT 2. Anne DE DEKEN 3. Danny BOUDT woonplaats kiezend te 9700 Oudenaarde Gevaertsdreef 6B en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gwijde Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Voskenslaan 301 tegen: het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy Van Eeckhoutte kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 17 juli 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: - de beslissing van 29 januari 2021 waarbij aan Katrien Boudt voor de evaluatiecyclus 2020 door haar hiërarchische meerdere de eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend; - de beslissing van de administrateur-generaal van het RIZIV van 10 juli 2021 om de op 29 januari 2021 toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’ te bevestigen. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9913-1/13 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gwijde Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Hannes Delagrange, die loco advocaat Willy Van Eeckhoutte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De eerste verzoekster is technisch deskundige in dienst van de verwerende partij. Zij oefent de functie uit van dossierbeheerder Juridische Normen en Geschillen bij de dienst voor Geneeskundige Verzorging – directie Juridische Zaken & Toegankelijkheid. Uit medische attesten blijkt dat zij een verminderde zelfredzaamheid heeft van tien punten, hetgeen overeenstemt met een ongeschiktheid van ten minste 66%. Verzoekster heeft een neurologische problematiek waarover de arts onder meer stelt: “[s]tress & werkdruk doen beperkingen toenemen” en “[m]eerdere prikkels & taken tegelijkertijd gaan niet”. De tweede en de derde verzoekende partij zijn de ouders van eerste verzoekster. Zij staan in voor de mantelzorg van hun dochter. IX-9913-2/13 3.2. In het kader van de evaluatiecyclus 2020 vindt op 3 maart 2020 een planningsgesprek plaats tussen eerste verzoekster en haar hiërarchische meerdere. 3.3. Op 19 juni 2020 en 10 november 2020 worden met eerste verzoekster functioneringsgesprekken gehouden. 3.4. Op 29 januari 2021 vindt het evaluatiegesprek plaats waarbij aan eerste verzoekster door haar hiërarchische meerdere de eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt toegekend. Dat is de eerste bestreden beslissing. De eindvermelding ‘onvoldoende’ wordt als volgt gemotiveerd: “Prestatiedoelstellingen Katrien behaalde minder dan 50 % van de haar toevertrouwde prestatiedoelstellingen. het niveau van- en de verwachtingen bij deze doelstellingen werden de voorbije jaren reeds systematisch naar beneden bijgesteld, aangezien een aantal taken en opdrachten die normaal aan een technisch deskundige kunnen worden toevertrouwd, te moeilijk uitvallen. Voor sommige taken werd nogmaals vastgesteld dat basiscompetenties die in principe samenvallen met het profiel en de functiebeschrijving onvoldoende voorhanden zijn (behandelen van geschillendossiers, opstellen van een PV) Voor andere taken werd opnieuw vastgesteld dat het ontbreken van een professionele basis attitude een aanvaardbare oplevering van de taak onmogelijk maakt (steeds opnieuw vermengen van privé beschouwingen in professionele mails,..) Ontwikkelingsdoelstellingen de ontwikkelingsdoelstellingen worden in het geheel niet behaald. Katrien tracht steeds gemaakte afspraken te omzeilen, de grenzen op te zoeken, en geeft geen of niet voldoende responds op instructies van haar leidinggevenden. Ze neemt geen- of niet voldoende verantwoordelijkheid op voor haar acties. Beschikbaarheid voor de gebruikers van de dienst De doelstellingen werden onvoldoende behaald. De incidenten die er zijn geweest met externe communicatie, bv. maar niet uitsluitend op 14 september 2020, leggen een hypotheek op het vertrouwen dat in Katrien kan worden gesteld voor communicatie met - en dienstverlening aan externe gebruikers. Bijdrage aan de teamprestaties De doelstellingen werden onvoldoende behaald. Voor sommige zaken tracht Katrien een bijdrage te leveren (delen van informatie; signaleren van trefwoorden) maar het algemeen beeld blijft dat Katrien onaangepast gedrag vertoont in team vergaderingen, of nog bv. onaangepaste mededelingen blijft verwerken in PV’s van teamvergaderingen. IX-9913-3/13 Verder is er ook onvoldoende loyale attitude en correcte opvolging rond team afspraken, bv voor de afspraken rond tijdig opnemen van verlof. 3.5. Op 11 februari 2021 stelt eerste verzoekster bij de administrateur-generaal van de verwerende partij beroep in tegen het evaluatieverslag en de haar toegekende eindvermelding ‘onvoldoende’. 3.6. In haar advies van 27 mei 2021 stelt de interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie voor om de eindvermelding ‘onvoldoende’ niet te behouden en eerste verzoekster de eindvermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen. De motivering van dat advies luidt: “Met in achtneming van alle stukken in het dossier. Gelet op het feit dat het beroep door de geëvalueerde werd ingediend binnen de voorgeschreven termijn en dus ontvankelijk is. Gelet op de middelen en de argumenten aangevoerd door de geëvalueerde bijgestaan door zijn verdediger en de middelen en de argumenten aangevoerd door de evaluator. Overwegende dat na beraadslaging de commissie tot volgende bevinding komt: Na beraadslaging en bij 5 stemmen tegen 1 is de commissie overeengekomen om de vermelding ‘onvoldoende’ die door de administratie aan betrokkene werd toegekend niet te weerhouden. De leden hebben daarna op de tweede vraag, om aan betrokkene de vermelding ‘te verbeteren’ toe te kennen, unaniem ‘akkoord’ geantwoord. Dit wordt gemotiveerd door het feit dat de commissie betrokkene alsnog een kans wil geven om te bewijzen dat zij zich een correcte basisattitude kan eigen maken. De commissie houdt hierbij rekening met de extra bijkomende inspanningen die de ouders van de geëvalueerde nog willen leveren om betrokkene te begeleiden. Ze stelt ook vast dat ondanks het feit dat er verschillende functioneringsgesprekken zijn geweest, de geëvalueerde daarin niet werd geëvalueerd op alle doelstellingen. Later werd zij hier tijdens het evaluatiegesprek toch op aangesproken. Het ware aangewezen geweest om betrokkene hier ook in de loop van het jaar op aan te spreken en hiervoor nog extra officiële functioneringsgesprekken in te lassen. Dit los van de functioneringsgesprekken die over de specifieke incidenten gingen. Het is immers het doel van een functioneringsgesprek om oplossingen te zoeken voor knelpunten die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken (artikel 8, tweede lid, 2° van het KB van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt). Hoewel het huidig functioneren van betrokkene volgens de evaluator los staat van de COVID-19-crisis omdat er reeds een gelijkaardige problematiek was in de voorbijgaande jaren, is de commissie van oordeel dat deze crisis toch extra heeft gewogen op het functioneren van de geëvalueerde. De commissie verwijst hiervoor naar de elementen van familiale aard die werden aangehaald tijdens de zitting. IX-9913-4/13 De commissie wil de gebeurde feiten echter zeker niet minimaliseren. Zij kan ook niet anders dan vaststellen dat er zeer ernstige tekortkomingen zijn in hoofde van de geëvalueerde en dat er het komende jaar zeker ernstig moet worden gewerkt aan het aanleren van een basisattitude. Ze erkent ook dat de administratie reeds zeer veel inspanningen heeft geleverd (Joblink, Emino, gesprekken met de ouders, inschakelen bedrijfsarts, afsluiten externe mails om incidenten zo veel mogelijk te vermijden ...). De commissie verzoekt de administratie om zeker verder te blijven voorzien in een intensieve coaching. Aan de geëvalueerde vraagt zij om intensief te werken op de aangehaalde problematiek in het evaluatiegesprek, om op een constructieve manier mee te werken aan de begeleiding en om te zorgen voor een correcte en open communicatie met de administratie.” 3.7. Op 7 juli 2021 beslist de administrateur-generaal om het advies van de interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie niet bij te vallen en de eindvermelding ‘onvoldoende’ voor de evaluatiecyclus 2020 te bevestigen. Dat is de tweede bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “De interparastatale beroepscommissie inzake evaluatie is op 27 mei 2021 bijeengekomen voor het onderzoek van het beroep dat u op 11 februari 2021 hebt ingediend tegen het evaluatieverslag dat u is meegedeeld en tegen de eindvermelding ‘onvoldoende’, die u is toegekend voor de evaluatiecyclus lopende van 01-01-2020 tot en met 31-12-2020. In bijlage vindt u het advies van de beroepscommissie die voorstelt om de voorgelegde vermelding ‘onvoldoende’ te wijzigen in de vermelding ‘te verbeteren’. Overeenkomstig artikel 32, 1e lid, van het koninklijk besluit van 24 September 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, ben ik bevoegd om de uiteindelijke beslissing te nemen als de commissie een andere evaluatievermelding voorstelt dan de voorgelegde: Als leidend ambtenaar neem ik de beslissing om hetzij de vermelding te wijzigen overeenkomstig het advies van de commissie, hetzij de oorspronkelijke vermelding te bevestigen. Na grondige analyse van uw dossier en onderzoek van het advies van de commissie, heb ik besloten om dit advies niet te volgen en de evaluatievermelding ‘onvoldoende’ die u toegekend werd voor de periode van 1-01-2020 tot en met 31-12-2020, te bevestigen volgens artikel 15, paragraaf 1 van het koninklijk besluit van 24 september 2013 betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt, om de hieronder vermelde redenen. Vooraleerst verwijs ik naar het verslag van het evaluatiegesprek van 29 januari 2021 betreffende de periode van 1 januari 2020 t.e.m. 31 december 2020 (cf. bijlage 2 van deze brief), waarin wordt aangetoond dat minder dan 50% van de prestatiedoelstellingen gerealiseerd zijn alhoewel de nodige middelen en tijd hiervoor ter beschikking stonden, en dat de noodzakelijke competenties voor het uitoefenen van de functie niet op een bevredigende manier getoond en/of ontwikkeld werden. Dit bovenvermeld evaluatieverslag is gebaseerd op: - een planningsgesprek dat plaatsvond op 3 maart 2020, waarvan u het verslag, inbegrepen de vermelde doelstellingen, middelen en indicatoren, ter IX-9913-5/13 akkoord getekend hebt. - twee functioneringsgesprekken die hebben plaatsgevonden respectievelijk op 19 juni 2020 en 10 november 2020 met als bedoeling u de kans te geven om uw verplichtingen als werknemer te realiseren en de goede werking van de dienst te verzekeren. - verschillende schriftelijke (en mondelinge) feedback’s van uw hiërarchie (en collega’
- s)over de van u verwachte prestaties en verbeteringen. Ten tweede kan ik het advies van de beroepscommissie niet volgen om volgende redenen: - Het staat vast dat de beroepscommissie niet contesteert dat minder dan 50% van de prestatiedoelstellingen behaald zijn in 2020, wat een voldoende voorwaarde is voor het toekennen van de eindvermelding ‘onvoldoende’. Integendeel stelt deze commissie vast dat er zeer ernstige tekortkomingen zijn en erkent ook dat de administratie reeds zeer veel inspanningen heeft geleverd. - De commissie motiveert haar advies tot aanpassing van de eindvermelding hoofdzakelijk ‘door het feit dat de commissie betrokkene alsnog een kans wil geven om te bewijzen dat zij zich een correcte basisattitude kan eigen maken’. Dit gaat echter voorbij aan het feit dat de voorbije jaren al zeer veel inspanningen geleverd zijn hiertoe, zowel qua begeleiding als in het meer formele kader van de evaluatiecyclus (rekening houdend met o.a. de functioneringsgesprekken en de feedback van het jaar 2020 alsook de eindvermelding ‘te verbeteren’, die u eind 2019 werd toegekend), zonder dat dit afdoende resultaten of verbetering teweeg bracht. - De commissie is m.i. voorts ten onrechte van oordeel dat deze covid-crisis extra zou hebben gewogen op uw functionering, noch verduidelijkt de commissie waarom zulks het geval zou zijn. Tijdens het evaluatiegesprek werd er bovendien in meerdere doelstellingen duidelijk rekening gehouden met de covid-crisis. De evaluatie van enkele doelstellingen was inderdaad niet mogelijk wegens de impact van de covid-crisis, maar de voornaamste vaststelling blijft dat andere uitvoerbare doelstellingen niet werden behaald (b.v. opvolging van het Belgische Staatsblad om verschillende tabellen te actualiseren, nakomen van afspraken rond het niet versturen van onaangepaste mails,...). Het niet nakomen van duidelijk opgelegde verplichtingen heeft tot gevolg dat uw prestaties tot een onvoldoende hebben geleid. - De commissie refereert in haar advies naar ‘de extra bijkomende inspanningen die de ouders van de geëvalueerde nog willen leveren om betrokkene te begeleiden’. lk kan niet akkoord gaan met dit argument en dit omwille van de arbeidsverhouding die enkel bestaat tussen u en ons Instituut. Tenslotte zou ik graag naar de finaliteit van de evaluatieprocedures willen verwijzen. De evaluatiecycli (en al de procedures daarrond) zijn gericht zowel op de ontwikkeling van het personeelslid alsook op het belang van de organisatie. In casu werden uw prestaties op een correcte en objectieve wijze geëvalueerd en werd er voor gezorgd dat u optimaal zou kunnen functioneren. Wij engageren ons om, zoals de beroepscommissie adviseert, de ondersteuning die er tot hiertoe is geweest verder te zetten en te blijven voorzien in een intensieve coaching in de toekomst. Dit verandert evenwel niets aan de vaststelling dat uw niveau van presteren tijdens de IX-9913-6/13 evaluatiecyclus 2020 onvoldoende was.” IV. Ontvankelijkheid Exceptie 4. De tweede en de derde verzoekende partij stellen de vordering in “in hun hoedanigheid van erkende vertrouwenspersonen” van eerste verzoekster. Zij verwijzen in dit verband naar de overeenkomst van 7 maart 2018 met de verwerende partij. In die “overeenkomst” wordt vermeld dat de verwerende partij de tweede en de derde verzoekende partij kan contacteren indien zij dit nodig acht en omgekeerd, dat het evaluatieverslag van eerste verzoekster aan de tweede en derde verzoekende partij zal worden bezorgd en dat er met hen op het RIZIV een aantal overlegmomenten zullen plaatsvinden – gestreefd wordt naar een drietal per jaar – te evalueren in functie van behoefte. Bij de bespreking van hun belang zetten de tweede en de derde verzoekende partij ook nog uiteen dat zij mantelzorgers zijn van hun dochter en ook in die hoedanigheid zijn aanvaard door de verwerende partij. 5. De verwerende partij werpt op dat de afspraken van 7 maart 2018 niet impliceren dat de tweede en de derde verzoekende partij een erkend statuut van vertrouwenspersoon hebben dat hen zou toelaten ook zelf in rechte op te treden in een procedure die gaat over de evaluatie van eerste verzoekster als personeelslid van de verwerende partij. De verwerende partij benadrukt dat zij enkel een arbeidsverhouding heeft met eerste verzoekster. Volgens haar beschikken de tweede en de derde verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang dat rechtstreeks en persoonlijk moet zijn zodat de vordering minstens wat hen betreft als onontvankelijk moet worden afgewezen. IX-9913-7/13 Beoordeling 6. Een verzoekende partij dient te beschikken over de vereiste hoedanigheid om een beroep tot nietigverklaring of een vordering tot schorsing in te stellen. Deze vereiste van hoedanigheid dient te worden onderscheiden van de vereiste van het belang. 7. De tweede en de derde verzoekende partij beroepen zich bij het instellen van de vordering op hun hoedanigheid van vertrouwenspersonen, die zij afleiden uit tussen de verwerende partij en alle verzoekende partijen gemaakte afspraken in het belang van en met het akkoord van eerste verzoekster om het functioneren van eerste verzoekster op het RIZIV van nabij te kunnen opvolgen. De nauwe betrokkenheid van de tweede en de derde verzoekende partij als vertrouwenspersonen bij het functioneren van eerste verzoekster op het RIZIV houdt prima facie evenwel niet in dat zij over de vereiste procesbevoegdheid beschikken om tegen de bestreden beslissingen in eigen naam op te komen. Die beslissingen vloeien immers uitsluitend voort uit de individuele arbeidsrelatie van eerste verzoekster met de verwerende partij. De bestreden beslissingen zijn genomen in het kader van de evaluatiecyclus met toepassing van het koninklijk besluit van 24 september 2013 ‘betreffende de evaluatie in het federaal openbaar ambt’ en hebben enkel betrekking op eerste verzoekster als personeelslid van het RIZIV en het RIZIV zelf. De regelgever voorziet in deze procedure geen rol voor of inbreng van een vertrouwenspersoon. De tweede en de derde verzoekende partij zijn geen actoren in het evaluatieproces. Een individuele en rechtstreekse band met de bestreden beslissingen ontbreekt ten aanzien van de tweede en de derde verzoekende partij, die evenmin kunnen steunen op de tussen de partijen gemaakte afspraken om de vereiste van de juiste hoedanigheid om in rechte op te treden voor de Raad van State, in hun voordeel om te buigen. 8. In de huidige stand van de rechtspleging is de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie met betrekking tot de tweede en de derde verzoekende partij ernstig. IX-9913-8/13 V. Schorsingsvoorwaarden 9. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting door verzoekster 10. Eerste verzoekster motiveert de spoedeisendheid van de vordering in het verzoekschrift als volgt: “2.1. Er is spoedeisendheid omwille van de gezondheidsrisico’s voor eerste verzoekster bij aanhoudende stress en onzekerheid over haar toekomst, sterk bepaald door o.a. haar werksituatie als medium tot ontplooiing en zingeving. De bestreden beslissingen kunnen door verzoekster moeilijk verwerkt worden. Mocht zij dienen te wachten op het arrest in de vernietigingsprocedure, zou dit minstens nog een jaar duren of langer, wat in haar situatie zeer lang is, en niet kan verhelpen aan de reeks nadelen en last die zij in elk geval als persoon ervaart sinds zij kennisnam van de voor haar ongunstige beslissing. Met een schorsingsprocedure kan de procesgang sneller gaan, en is er een redelijke kans dat zij op een substantieel kortere termijn zal weten waaraan toe te zijn, in bijzonder qua werk wat een belangrijk deel van haar welzijn, zelfbeeld en toekomstperspectief vormt. Om dit beter te begrijpen, hierna enkele voorgaanden: Eerste verzoekster werkt sedert 1 november 2010 voltijds bij verweerster niettegenstaande haar vermindering van zelfredzaamheid van 10 punten, welke overeenstemt met een ongeschiktheid van ten minste 66 % (zie stuk 1/1 - 1/2 algemeen attest d.d. 10.02.2009 van de FOD Sociale Zekerheid-directie-generaal Personen met een handicap - ingaand op 1 november 2008 en voor onbepaalde duur). Eerste verzoekster kent een neurologische problematiek, zie stuk 1.3 en 1.4. van gtb. Traject VDAB : ‘Medische inschatting door begeleidende arts’, neurologe […]: ‘Stress & werkdruk doen beperkingen toenemen. Meerdere prikkels & taken tegelijkertijd gaan niet.’ ‘Geen evolutie te verwachten.’ ‘Kan werken mits aanpassen omgeving o.a. traagheid patiënte.’ ‘gegevens over epileptische insult 2002’. IX-9913-9/13 Bij stress kampt eerste verzoekster met aanvallen van hyperventilatie ; op 23 mei 2019 kreeg eerste verzoekster een ernstige aanval op het werk, […]. Ook op 17 juli 2019 kreeg eerste verzoekster medische problemen wegens stress op het werk, […]. Op 14 september 2020 kreeg eerste verzoekster een zware psychische decompensatie, dewelke deels werkgerelateerd was, deels covidgerelateerd ([…] - verslag psychiater […] d.d. 17.11.2020 : ‘Probleem : Crisis op het werk wegens gedragsproblemen, bij gekende ASS’). Ook rekening houdend met het gegeven dat eerste verzoekster reeds op haar 17de een zware epileptische aanval deed, dient het risico op herhaling van psychische decompensatie in het gezondheidsbelang van eerste verzoekster ten stelligste te worden vermeden. De bijzonder kwetsbare fysieke en psychische gezondheid van eerste verzoekster, onderbouwt het bewijs/ aannemelijk maken van de hoogdringendheid bij de gevraagde schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.” Beoordeling 11. Zoals sub 9 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. 12. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. IX-9913-10/13 13. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk moment”. 14. Eerste verzoekster situeert de spoedeisendheid van de vordering in essentie in het feit dat zij een “bijzonder kwetsbare fysieke en psychische gezondheid” heeft. Zij maakt gewag van gezondheidsrisico’s bij aanhoudende stress over haar werk, dat voor haar een belangrijk deel van haar welzijn, zelfbeeld en toekomstperspectief vormt. Zij kan de bestreden beslissingen moeilijk verwerken en een uitspraak in de procedure ten gronde zou te laat komen om te verhelpen “aan de reeks nadelen en last” die zij ervaart sedert zij kennis nam van de bestreden beslissingen. Ter staving legt eerste verzoekster attesten neer waaruit een verminderde zelfredzaamheid en een neurologische problematiek blijkt. Zij brengt ook stukken bij waaruit blijkt dat zij op 23 mei 2019 op het werk een ernstige aanval van hyperventilatie kreeg. Op 15 en 16 juli 2019 had zij stressgerelateerde problemen en in september 2020 werd een zware psychische decompensatie vastgesteld die deels werkgerelateerd en deels covid-gerelateerd was. Verzoekster merkt ook op dat zij op haar zeventiende een zware epileptische aanval had en dat het risico op herhaling van psychische decompensatie ten stelligste moet worden vermeden. IX-9913-11/13 De Raad van State erkent de medische problematiek in hoofde van eerste verzoekster, dat het werk voor haar zeer belangrijk is en dat de bestreden beslissingen een aanzienlijke psychische impact op haar kunnen hebben. Opdat eerste verzoekster de spoedeisendheid van de vordering zou aantonen, dient zij – in het licht van haar uiteenzetting – evenwel te staven dat haar gezondheid dermate nadelen ondervindt van de bestreden beslissingen dat zij een uitspraak in de annulatieprocedure niet kan afwachten. Daarvan overtuigt eerste verzoekster niet. In haar uiteenzetting en de bijgebrachte stavingsstukken verwijst eerste verzoekster hoofdzakelijk naar medische problemen die gelinkt zijn aan haar werksituatie en die zich reeds stelden vooraleer de bestreden beslissingen werden genomen. Het betreft dus geen gevolgen van de bestreden beslissingen en ze vermogen dan ook niet de spoedeisendheid van de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen aan te tonen. Over de eventuele gevolgen van de bestreden beslissingen zelf op haar gezondheid verstrekt verzoekster geen concrete informatie. Zij heeft het wel over een gezondheidsrisico en een “reeks nadelen en last” die zij ervaart sinds zij kennis nam van de bestreden beslissingen, maar zij verduidelijkt niet welke nadelen dit precies zijn en wat de ernst ervan is in het licht van de voorwaarde van de spoedeisendheid, laat staan dat zij dit staaft. Een dermate vage verwijzing naar door de bestreden beslissingen veroorzaakte nadelen kan de spoedeisendheid van de vordering niet aantonen. 15. Dat eerste verzoekster graag snel weet waar zij aan toe is, verantwoordt op zich evenmin de spoedeisendheid van de vordering, waarbij het precies gaat om het vermijden van ernstige nadelen ten gevolge van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen. Zoals gezegd levert verzoekster niet het bewijs van het bestaan van ernstige nadelen veroorzaakt door de bestreden beslissingen die impliceren dat zij een procedure ten gronde niet kan afwachten. Om precies en definitief te weten waar zij aan toe is, is bovendien meestal een uitspraak ten gronde vereist. IX-9913-12/13 16. Eerste verzoekster maakt ook nog melding van een onzekerheid over haar toekomst. Zij voert echter niet aan – en er blijkt ook uit niets – dat haar werksituatie ten gevolge van de bestreden beslissingen wijzigingen zal ondergaan. Ook dat argument kan de spoedeisendheid van de vordering derhalve niet staven. 17. Uit wat voorafgaat blijkt dat eerste verzoekster niet aantoont dat haar zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. 18. Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9913-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.995 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.614 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div