← België

Arrest 253004 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 17/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.004 Rolnummer: A. 225641/VII-40327 Zaak: Arrest 253004 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 17/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-03 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:17 Fiche Arrest nr 253.004 van 17 februari 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : afvoering Verwerping overige Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.004 van 17 februari 2022 in de zaak A. 225.641/VII-40.327 In zake :

  1. de VZW VESTA
  2. de VZW BEGELEID WONEN PAJOTTENLAND
  3. de VZW DEN DRIES
  4. Marie-Thérèse ROGGEMAN (OVERLEDEN)
  5. Dirk ROGGEMAN
  6. het COLLECTIEF OVERLEGORGAAN VAN VESTA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  7. Frans VAN NIEUWENHOVE
  8. Margaretha VANHAEGENDOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Evelyne Maes kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  9. Het beroep, ingesteld op 7 juli 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering te beschikking zijn gesteld. VII-40.327-1/14 De verzoekende partijen vorderen meer bepaald de nietigverklaring van de woorden “binnen de grenzen van de middelen die vastgelegd zijn op zijn begroting voor de toekenning van een budget” in artikel 11 van het voornoemde besluit en van de impliciete beslissing om alleen de verhoging van de zorgbudgetten in de eerste fase via Sociale Maribel te financieren. II. Verloop van de rechtspleging
  10. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Frans Van Nieuwenhove en Margaretha Vanhaegendoren hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 1 oktober
  11. Eerste auditeur Anja Somers heeft op 18 mei 2020 een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari
  12. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Evelyne Maes, die verschijnt voor de verzoekende en de tussenkomende partijen, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.327-2/14 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
  13. Artikel 8, 3°, van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een handicap (hierna: VAPH) machtigt de Vlaamse regering om binnen het kader van de aan het agentschap toegewezen middelen en binnen het kader van de taken van het agentschap, vermeld in de artikelen 5, 6 en 7, nadere regels vast te stellen betreffende de criteria, de voorwaarden, de gevallen, de bedragen, de organisatie, de erkenningsnormen en de subsidievoorwaarden inzake : “3° het ten laste nemen van de kosten van ondersteuning, gedragen door de persoon met een handicap, met inbegrip van de persoonsvolgende financiering van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning”. 3.
  14. Overeenkomstig artikel 46 van het decreet van 25 april 2014 houdende de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en tot hervorming van de wijze van financiering van de zorg en de ondersteuning voor personen met een handicap, bepaalt de Vlaamse regering de maatregelen die nodig zijn om de overgang van de financiering van de niet-rechtstreeks toegankelijk zorg en ondersteuning voor personen met een handicap die bij de inwerkingtreding van dit decreet gebruikmaken van die zorg en ondersteuning naar de persoonsvolgende financiering, zoals geregeld in dit decreet, op een coherente manier te laten verlopen, en de termijnen waarin die overgang plaatsvindt. 3.
  15. De personen met een handicap die een persoonsgebonden budget of een persoonlijke-assistentiebudget toegekend hebben gekregen vóór de inwerkingtreding van dit decreet, blijven dat budget behouden krachtens de modaliteiten die van kracht waren voor de inwerkingtreding van dit decreet, maximaal gedurende de termijnen die door de Vlaamse regering zijn vastgesteld. VII-40.327-3/14 3.
  16. Met het besluit van 24 juni 2016 “houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten” (hierna: transitiebesluit), wordt de overgang geregeld van meerderjarige personen met een handicap die tot nog toe beschikten over of gebruik maakten van een persoonlijke-assistentiebudget (PAB) of een persoonsgebonden budget (PGB) en die worden ondersteund door een flexibel aanbodcentrum (FAM) of een thuisbegeleidingsdienst. In dit besluit wordt voor het eerst de transitie van de instellingsgebonden naar de persoonsvolgende financiering geregeld. Overeenkomstig de bepalingen van dit besluit ontvingen alle personen met een handicap een zorgbudget dat op grond van dezelfde parameter werd vastgesteld: ondersteuningsnood en zorgzwaarte, waarbij alle zorgbudgetten met hetzelfde percentage zouden worden verlaagd indien dit nodig zou zijn om het budget te eerbiedigen (artikel 22). Artikel 25 van het besluit hield het beginsel van de herverdeling van de sector in. 3.
  17. Het besluit van 23 december 2016 wijzigde artikel 22 en hief artikel 25 op. Door de wijziging van artikel 22 van het transitiebesluit worden de zorgbudgetten van alle personen met een handicap niet meer op dezelfde wijze bepaald. Door deze wijziging was de herverdeling van de middelen over de sector zoals voorzien in artikel 25 niet meer nodig. De verzoekende partijen dienden tegen dit besluit een beroep tot nietigverklaring in (G/A 221.587/VII-39.930) omdat het besluit van 23 december 2016 volgens hen twee vormen van ongelijkheid institutionaliseert: “Ten eerste, het creëerde een ongelijke behandeling tussen personen met een handicap. Het zorgbudget van een persoon met een handicap werd niet louter bepaald door zijn zorgzwaarte en ondersteuningsnood, maar ook en vooral door de historische middelen van de voorziening waarvan hij ondersteuning kreeg. Hierdoor kregen personen met eenzelfde zorgzwaarte en ondersteuningsnood een verschillend zorgbudget. Daarnaast bestendigde én VII-40.327-4/14 verergerde het bestreden besluit de ongelijke subsidiëring van de voorzieningen”. Deze ongelijkheid werd ook vermeld in advies nr. 60.629/1 van 16 december 2016 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het ontwerpbesluit van de Vlaamse regering dat geleid heeft tot het besluit van 23 december
  18. 3.
  19. Bij besluit van 24 februari 2017 houdende de wijziging van een aantal besluiten van de Vlaamse regering over de invoering van de persoonsvolgende financiering worden wijzigingen aangebracht aan het transitiebesluit. Deze wijzigingen worden door artikel 18 van het besluit van 20 april 2018 houdende maatregelen voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld, opnieuw opgeheven. Dit is het bestreden besluit. 3.
  20. De Vlaamse regering paste de op 1 januari 2017 toegekende zorgbudgetten van de meerderjarige personen met een handicap aan. Het bestreden besluit voert daartoe een traject van twee fasen in. In de eerste fase worden de zorgbudgetten verhoogd van de personen met een handicap van wie het zorgbudget het hardst was verminderd wegens de lage historische middelen van de voorziening waarvan zij ondersteuning krijgen. In de tweede fase zal, op langere termijn, een grondige bijsturing van de individuele persoonsvolgende budgetten worden gerealiseerd. De eerste fase wordt blijkens de infonota die de verzoekende partijen voorleggen en die gericht is aan de vergunde zorgaanbieders van het VAPH, voor 52,42% gefinancierd via Sociale Maribel. Het bestreden besluit bepaalt niet expliciet op welke wijze de verhoging van de zorgbudgetten wordt gefinancierd. Volgens de verzoekende partijen omvat het bestreden besluit de impliciete beslissing dat de verhoging van zorgbudgetten in de eerste fase ten bedrage van 52,42% van de zorggebonden middelen via Sociale Maribel zal VII-40.327-5/14 worden gefinancierd. De financieringswijze zou ook bevestigd worden in een nota aan de Vlaamse regering bij de definitieve goedkeuring van het bestreden besluit. Ook voorziet artikel 11 van het bestreden besluit erin dat het VAPH de zorgbudgetten ter beschikking stelt binnen de grenzen van de middelen die zijn vastgelegd op de begroting van het VAPH zodat deze zorgbudgetten het Vlaamse budget niet zouden overschrijden. De verzoekende partijen vragen om de woorden “binnen de grenzen van de middelen die vastgelegd zijn op zijn begroting voor de toekenning van een budget” in artikel 11 van het bestreden besluit te vernietigen. Zij vragen ook de nietigverklaring van de impliciete beslissing om alleen de verhoging van de zorgbudgetten in de eerste fase via Sociale Maribel te financieren. IV. Rechtspleging Afstand
  21. De tweede en derde verzoekende partij hebben geen voortzetting van de rechtspleging gevraagd. Ten aanzien van die partijen dient bij toepassing van artikel 14quater van de RvS-wet de afstand van het geding te worden vastgesteld. Overlijden
  22. De vierde verzoekende partij is op 13 februari 2020 overleden. Het geding is niet hervat. Bijgevolg dient de zaak in hoofde van de vierde verzoekende partij van de rol te worden afgevoerd. VII-40.327-6/14 Samenhang Standpunten van de partijen
  23. In haar laatste memorie is de verwerende partij “van mening dat er eigenlijk beter wordt verder geprocedeerd met de drie hangende procedures samen te behandelen. Dus de procedures G/A 221.587/VII-39930, G/A 225.641/VII-40327 en G/A 229.031/VII-40627”. Ook de verzoekende partijen vragen uitdrukkelijk om de samenvoeging van de voormelde procedures. Beoordeling
  24. De partijen maken niet aannemelijk dat het in het licht van een goede rechtsbedeling vereist is dat de zaken samen worden behandeld. Zij maken evenmin aannemelijk dat de zaken onderling zo nauw verknocht zijn dat ze niet afzonderlijk kunnen worden beoordeeld. Een vlotte rechtsbedeling vereist integendeel dat de zaken binnen een redelijke termijn worden beslecht. Het verzoek tot samenvoeging wordt afgewezen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de verzoekende partijen
  25. De verzoekende partijen zetten onder meer het volgende uiteen: “[…] Het besluit voert een tweefasige transitie in. De eerste fase houdt in dat de zorggebonden punten (het zorgbudget) voor bepaalde gebruikers wordt verhoogd. Hun zorgbudget wordt verhoogd omdat zij ondersteuning krijgen van een voorziening die historisch te weinig middelen kreeg. Om die reden werden hun op 1 januari 2017 toegekende zorgbudget verlaagd, opdat deze de historische middelen van de voorziening niet zouden overschrijden. De verhoging van de zorgbudgetten door het bestreden besluit wordt grotendeels met middelen via Sociale Maribel gefinancierd. Dit bestendigt en versterkt de ongelijkheid tussen de voorzieningen. In de tweede fase, lopende van 2019 tot en met 2022, worden alle personen met een handicap ingeschaald. Zij zullen een nieuw zorgbudget toegewezen krijgen. Het bestreden besluit omvat niet de noodzakelijke waarborgen dat de VII-40.327-7/14 toegewezen zorgbudgetten voor alle personen met een handicap op grond van dezelfde parameters zullen worden bepaald. […] De verzoekende partijen hebben dan ook een rechtstreeks, persoonlijk, zeker en wettig belang bij de gevraagde nietigverklaring”.
  26. De verwerende partij voert als exceptie in essentie aan dat het niet mogelijk is om slechts één zin uit artikel 11 van het besluit te vernietigen zonder de economie van het volledige besluit in het gedrang te brengen, dat een reglementair besluit geen impliciete beslissing kan omvatten en te dezen geen regel omvat met betrekking tot de wijze waarop de fondsen moeten worden gezocht om tot financiering van de transitie over te gaan, en dat de verzoekende partijen geen nadeel ondervinden van de bestreden beslissing.
  27. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, samengevat:
  28. Uit de rechtspraak van de Raad van State dat een reglementair besluit in beginsel één en ondeelbaar is, volgt dat, wanneer de Raad van State heeft vastgesteld dat in een vordering tot nietigverklaring een gegrond middel wordt aangevoerd, hij in beginsel het bestreden besluit in zijn geheel vernietigt. Uit deze rechtspraak volgt niet dat het beroep tot nietigverklaring dat tegen een deel van een reglementair besluit wordt gericht, onontvankelijk zou zijn. Dit zou een buitensporig restrictieve interpretatie of formalistische toepassing van het belangvereiste zijn.
  29. Het bestreden besluit omvat onbetwistbaar een impliciete beslissing over de financiering van de maatregelen uit het bestreden besluit. Hierover is een beslissing genomen door de Vlaamse regering. Deze beslissing is een impliciete beslissing met directe rechtsgevolgen voor de verzoekende partijen die volgt uit het bestreden besluit en die volgens de verzoekende partijen aanvechtbaar is.
  30. De vernietiging van het bestreden besluit en van het besluit van 23 december 2016 zou ertoe leiden dat de gelijkheid tussen personen met een handicap gewaarborgd door het transitiebesluit vooraleer het werd gewijzigd door het besluit van 23 december 2016, opnieuw wordt gewaarborgd.
  31. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen voor om, indien de Raad zou oordelen dat zijn bevoegdheid zich niet uitstrekt “tot de bestreden (impliciete) beslissing om (alleen) de verhoging van de zorgbudgetten in VII-40.327-8/14 de eerste fase via Sociale Maribel te financieren”, een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen met betrekking tot de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden door artikel 14 van de RvS-wet, aldus geïnterpreteerd. Voorts zou de Raad van State volgens de verzoekende partijen, door te oordelen dat het beroep tot nietigverklaring dat tegen een deel van een reglementair besluit wordt gericht onontvankelijk is, een “buitensporig restrictieve of formalistische toepassing” maken van het belangvereiste. Volgens de verzoekende partijen zou de Raad zich, door het partieel vernietigen van een reglementair besluit, niet in de plaats van de Vlaamse Gemeenschap stellen. Na een partiële vernietiging kan de Vlaamse Gemeenschap het bestreden besluit immers alsnog opheffen. Indien de Raad van State van mening is dat, “omwille van de vernietiging ex tunc, de mogelijkheid van de opheffing door de overheid niet afdoende is en nog tot ongewenste gevolgen voor het verleden zou kunnen leiden, heeft de Raad de bevoegdheid om de gevolgen van de vernietiging te bepalen en aldus te milderen door deze voor de toekomst te handhaven (artikel 14ter Raad van State-wet)”. Zij stellen voor om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: “Schendt artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, in die zin geïnterpreteerd dat het aan een verzoekende partij het belang zou ontbreken om een partiële vernietiging van een reglementair besluit te vorderen, tenzij het vernietigde gedeelte kan worden afgesplitst van de rest van het bestreden besluit en vaststaat dat de overheid ook afgezien van het vernietigde gedeelte voor het overige dezelfde beslissing zou hebben genomen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en artikel 6 EVRM, zodat verzoekende partijen die een voordeel halen bij een partiële vernietiging geen recht op toegang tot de rechter hebben, terwijl verzoekende partijen die voordeel halen bij een volledige vernietiging wel recht op toegang tot de rechter hebben, terwijl in beide gevallen de overheid de bevoegdheid behoudt om een nieuwe beslissing te nemen?”. VII-40.327-9/14 Beoordeling
  32. De verwerende partij merkt terecht op dat een reglementair besluit in de regel geen impliciete beslissing kan bevatten. De opmerking in de laatste memorie van de verzoekende partijen als zou met het oordeel dat de impliciete beslissing over de financiering van de maatregelen niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort een onderscheid worden gemaakt tussen enerzijds verzoekers die een impliciete individuele beslissing kunnen aanvechten en anderzijds deze die geen impliciete verordenende beslissing kunnen aanvechten, en tevens tussen verzoekers afhankelijk van de vraag of de overheid een impliciete beslissing heeft genomen bij het nemen van een reglementair besluit, gaat uit van een verkeerde hypothese, zodat de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof alleen al om die reden niet dient te worden gesteld. Het is immers niet het impliciet karakter van de administratieve rechtshandeling dat maakt dat de Raad van State niet bevoegd is.
  33. Van het beginsel dat een reglementaire akte één en ondeelbaar is en dat zij niet op ontvankelijke wijze gedeeltelijk met een annulatieberoep kan worden bestreden kan wel degelijk enkel worden afgeweken onder de dubbele voorwaarde dat de gedeeltelijke vernietiging aan de verzoekende partijen volledige genoegdoening geeft in het licht van hun aangevoerde belang en dat het vernietigde gedeelte kan worden afgesplitst van de rest van de bestreden akte, wat vereist dat de overheid ook afgezien van het afgesplitste gedeelte voor het overige hetzelfde besluit zou kunnen hebben uitgevaardigd. De argumentatie in de laatste memorie van de verzoekende partijen als zou het eigen zijn aan de bevoegdheid van de Raad van State dat hij zich op het domein van de beleidsuitoefening begeeft aangezien alle reglementaire besluiten tot de beleidsuitoefening behoren, overtuigt niet. Anders dan de verzoekende partijen het willen doen voorkomen betekent het oordeel dat een beroep tot nietigverklaring van een deel van een reglementair besluit VII-40.327-10/14 onontvankelijk is op zich ook niet dat een buitensporig restrictieve of formalistische toepassing van het belangvereiste wordt gemaakt. Te dezen bestrijden de verzoekende partijen niet de maatregelen op zich voor de uitwerking van de persoonsvolgende budgetten die in het kader van de transitie naar persoonsvolgende financiering ter beschikking zijn gesteld. In de omschrijving van het belang stellen zij dat het besluit niet de noodzakelijke waarborgen omvat. Zij menen dat het thans bestreden besluit de gelijkheid niet op voldoende wijze waarborgt omdat in de eerste fase de financiering grotendeels via Sociale Maribel gebeurt en omdat in de tweede fase de gelijkheid tussen personen met een handicap over de verscheidene “batches” heen niet wordt gewaarborgd omdat de tweede fase budgetneutraal dient te gebeuren. Dit is de reden van het beroep tot nietigverklaring. Volgens de verzoekende partijen verkrijgen zij dit voordeel door de wijze van financiering van de transitie te vernietigen. Onder meer door de vernietiging van het “impliciete besluit” dat in de eerste fase de financiering via Sociale Maribel gebeurt en door de vernietiging van de woorden “binnen de grenzen van de middelen die vastgelegd zijn op zijn begroting voor de toekenning van een budget” in artikel
  34. Wat de verzoekende partijen met de door hen nagestreefde vernietiging van de manier waarop de maatregelen worden gefinancierd beogen zou tot gevolg hebben dat voor de eerste fase van de transitie meer dan de helft van de middelen ontbreken en dat voor de tweede fase er geen rekening mag worden gehouden met de begroting. Dit druist in tegen de doelstelling dat de transitie macrobudgettair neutraal moet worden georganiseerd. Overeenkomstig de rechtsgrond is de Vlaamse regering bevoegd om binnen de aan het agentschap toegewezen middelen de nodige maatregelen te nemen. De overheid kan en mag aldus beleidskeuzes maken. Vertrekkende vanuit de vaststelling dat rekening mag worden gehouden met de budgettaire grenzen van de begroting en de gevolgen van de maatregelen voor de overheidsuitgaven is de finale keuze van de overheid om de maatregelen gedeeltelijk via Sociale Maribel te financieren en de tweede fase binnen de grenzen van de middelen die vastgelegd zijn op de begroting, gewettigd. Het voordeel dat de verzoekende partijen wensen te bekomen druist in tegen de rechtsgrond van het bestreden besluit en tegen de beleidskeuze van de overheid. VII-40.327-11/14 Hieruit alleen reeds volgt dat de bestreden zinsnede en de impliciete beslissing onlosmakelijk verbonden is met de rest van het besluit en hiervan niet afsplitsbaar is. De verzoekende partijen vragen in feite aan de Raad van State om zich op het domein van de beleidsuitoefening van de betrokken overheid te begeven en over te gaan tot hervorming of wijziging van het reglementair besluit in de zin dat de overheid de maatregelen op een andere manier zou moeten financieren zonder rekening te mogen houden met de budgettaire beperkingen van de begroting. Hierdoor zou de finaliteit en draagwijdte van het bestreden besluit gewijzigd worden. De Raad van State heeft geen enkele bevoegdheid om een dergelijke wijziging uit te spreken. De tweede voorgestelde prejudiciële vraag is dan ook niet relevant voor de oplossing van het geschil. Het beroep is niet ontvankelijk. VI. Kosten Standpunt van de verzoekende partijen
  35. In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen dat, indien zij in het ongelijk zouden worden gesteld omdat de besluiten van de Vlaamse regering van 20 april 2018 en 10 mei 2019 de klaarblijkelijke onwettigheden van het bestreden besluit zouden hebben verholpen en de verzoekende partijen op die manier genoegdoening zouden hebben gegeven, niet de in het ongelijk, maar wel de in het gelijk gestelde partijen zijn, en dat in dat geval de kosten (inclusief rechtsplegingsvergoeding) ten laste van de verwerende partij dienen te worden gelegd. In nog meer ondergeschikte orde betogen zij dat de Raad noch de verzoekende partij, noch de verwerende partij als een “in het gelijk gestelde partij” dient te beschouwen, en dat in dat geval de rechtsplegingsvergoeding noch ten laste van de verzoekende partijen, noch ten laste van de verwerende partij dient te worden gelegd. VII-40.327-12/14 Beoordeling
  36. Het beroep van de verzoekende partijen wordt verworpen omdat het niet ontvankelijk is. Er is geen reden om af te wijken van de regel van artikel 30/1, § 1, van de Rvs-wet die bepaalt dat de in het gelijk gestelde partij aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
  37. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit in hoofde van de tweede en de derde verzoekende partij.
  38. Het beroep wordt, wat de vierde verzoekende partij betreft, afgevoerd van de rol.
  39. De Raad van State verwerpt het beroep.
  40. De verzoekende partijen, behoudens de vierde verzoekende partij, worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, elk voor een vijfde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De nalatenschap van de vierde verzoekende partij wordt verwezen in de overige kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 300 euro, elk voor de helft. De onterecht betaalde bijdragen ten bedrage van 100 euro dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partijen. VII-40.327-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.327-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.004 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.