← België

Arrest 253005 - Sluitingen van vestigingen - 17/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.005 Rolnummer: A. 229563/VII-40754 Zaak: Arrest 253005 - Sluitingen van vestigingen - 17/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-03 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:17 Fiche Arrest nr 253.005 van 17 februari 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Sluitingen van vestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.005 van 17 februari 2022 in de zaak A. 229.563/VII-40.754 In zake : de BVBA BASIC-FIT BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Stas kantoor houdend te 2540 Hove Boechoutsesteenweg 166, bus 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :

  1. het BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST
  2. het MILIEUCOLLEGE VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ivan-Serge Brouhns en Guillaume Possoz kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 185 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 12 november 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het Milieucollege van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 9 september 2019 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van Leefmilieu Brussel van 23 juli 2019, houdende het bevel tot stopzetting van de activiteiten van verschillende ingedeelde inrichtingen, gelegen aan de Genèvestraat 512 te Schaarbeek, als onontvankelijk wordt afgewezen. VII-40.754-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Benny De Sutter heeft op 14 september 2020 een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 27 januari
  5. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frank Van Lier, die loco advocaat Dirk Stas verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ivan-Serge Brouhns, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De verzoekende partij exploiteert een fitnesscentrum op de site Genève aan de Genèvestraat 512 in Schaarbeek. De site is eigendom van Eddy Soors, die ook de houder is van de milieuvergunning voor het exploiteren van onder meer een winkel voor detailverkoop (oppervlakte 10.850 m2), een VII-40.754-2/10 overdekte parking met 48 plaatsen, een parking in open lucht met 106 plaatsen, en een transformator. De verzoekende partij heeft een handelshuurovereenkomst met de eigenaar/exploitant. 3.
  8. Na meerdere klachten van buurtbewoners over geluidsoverlast, en na meerdere vaststellingen en aanmaningen bezorgt Leefmilieu Brussel op 2 januari 2019 aan de eigenaar/exploitant een besluit tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden. Deze dient een bestuurlijk beroep in. 3.
  9. Op 20 februari 2019 schorst Leefmilieu Brussel de milieuvergunning. Met een aangetekende brief van 8 maart 2019 laat de raadsman van de exploitant weten dat zijn cliënt onherroepelijk en definitief verzaakt aan zijn milieuvergunning. 3.
  10. Met een brief van 29 maart 2019 laat de raadsman van de eigenaar aan het Milieucollege weten dat, gelet op de verzaking, het beroep tegen de beslissing tot wijziging van de vergunningsvoorwaarden zonder voorwerp is geworden. Op 8 april 2019 stelt het Milieucollege dit formeel vast. 3.
  11. Met een aangetekende brief van 1 april 2019 laat Leefmilieu Brussel weten dat het de verzaking aan een milieuvergunning zonder overdracht ervan aan een andere exploitant beschouwen als een melding van stopzetting van exploitatie. Het verwijst daarbij naar artikel 63, § 1, 6°, van de Brusselse ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. 3.
  12. Op 16 april 2019 wordt een proces-verbaal opgemaakt ten laste van de eigenaar, wegens het exploiteren zonder vergunning. Op 10 juli 2019 wordt een tweede proces-verbaal opgemaakt, ditmaal zowel ten laste van de eigenaar als ten laste van de verschillende op de site aanwezige handelaars. 3.
  13. Met brieven van 23 juli 2019 beveelt Leefmilieu Brussel aan zowel de eigenaar als de op de site aanwezige handelaars om voor 15 september 2019 de exploitatie stop te zetten van: VII-40.754-3/10 - verschillende winkels met een gezamenlijke oppervlakte van 10.850 m2 (rubriek 90, klasse 1D); - een transformator van 1000 kVA (rubriek 148 A, klasse 3); - een openluchtparking van 106 plaatsen en een overdekte parking van 48 plaatsen (rubriek 68 B, klasse 1B (voorheen rubrieken 68B en 152B)). Leefmilieu Brussel stelt daarbij onder meer: “Deze stopzetting van de activiteiten zal worden opgelegd vanaf 15/09/2019, tenzij een volledige aanvraag voor milieuvergunning voor de bovenvermelde ingedeelde inrichtingen wordt ingediend (verkrijgen van een ontvangstbewijs voor het neerleggen van een volledige aanvraag)”. 3.
  14. De eigenaar en verscheidene handelaars dienen bestuurlijke beroepen in. 3.
  15. Op 9 september 2019 verklaart het Milieucollege de beroepen van de handelaars onontvankelijk. In hoofde van de eigenaar wordt het bevel tot stopzetting bevestigd, maar de termijn wordt verlengd tot 15 december 2019 “met het oog op de indiening van een volledige aanvraag tot milieuvergunning voor de site in kwestie”. De motivering luidt: “3.
  16. Wat betreft de beroepen van bvba KRUIDVAT, bvba BASIC-FIT BELGIUM, gcv C&A BELGIË, bvba ACTION BELGIUM, bvba BLIN, nv ANISERCO en nv PRO DUO Er wordt niet betwist dat de uitbating van de ingedeelde inrichtingen in casu het voorwerp moet uitmaken van een milieuvergunning. Een dergelijke milieuvergunning werd aan geen van deze zeven verzoeksters afgeleverd. Aangezien een beslissing van het Milieucollege dat de beroepen van deze zeven verzoeksters zou ontvangen op geen enkele manier het effect zou kunnen hebben dat de onrechtmatige uitbating hervat kan worden, volgt hieruit dat de zeven beroepen ingediend door de maatschappijen onontvankelijk dienen te worden verklaard, bij gebreke aan rechtmatig belang, in zoverre zij de intrekking van de stopzetting beogen. 3.
  17. Wat betreft het beroep van de heer SOORS Krachtens artikel 3, 4°, van de ordonnantie van 1997 wordt de uitbating als volgt gedefinieerd: ‘de vestiging, de indienststelling, de instandhouding, het gebruik of het onderhoud van een inrichting, alsook elke vorm van emissie afkomstig van een inrichting’. De heer SOORS, die voorhoudt geen titularis meer te zijn van de milieuvergunning ten gevolge van de afstand die hij ervan heeft gedaan, blijft evenwel uitbater in de zin van de ordonnantie van 1997 aangezien hij de installaties heeft gevestigd en blijft uitbaten zoals VII-40.754-4/10 blijkt uit het feit dat de installaties nog steeds ter beschikking van zijn huurders worden gesteld en dat hij de huurgelden blijft ontvangen. De afstand van een milieuvergunning zonder deze over te dragen op een andere houder, vormt een kennisgeving van stopzetting van activiteit in de zin van artikel 63, § 1, 6°, van de ordonnantie van
  18. Leefmilieu Brussel is niet bevoegd om een kennisgeving van stopzetting van activiteit te kunnen aanvaarden of weigeren, ze kan hier slechts nota van nemen en er wettelijke gevolgen aan verbinden, namelijk, in de eerste plaats, door op te leggen dat de site van de inrichting in goede staat wordt hersteld (artikel 63, § 2, van ordonnantie van 1997), zoals ze ook heeft gedaan in haar brief van akteneming van de afstand van 1 april 2019, en ten tweede door na te gaan of er geen activiteiten meer plaatsvinden op de site. Gezien de voortzetting van de activiteiten op de site is het dus terecht dat het proces-verbaal van 10 juli 2019 werd opgesteld en dat de stopzetting van de activiteiten werd bevolen. Ondergeschikt vordert de heer SOORS de verlenging van de termijn voor het indienen van een volledige milieuvergunning voor de ingedeelde inrichtingen tot 15 september
  19. Het Milieucollege oordeelt dat het getuigt van goed bestuur om het bevel tot stopzetting op te schorten tot 15 december 2019, met het oog op de indiening van een volledige aanvraag tot milieuvergunning voor de site in kwestie”. Dit is het bestreden besluit. 3.
  20. In een procedure ingeleid voor het Vredegerecht van het Tweede kanton te Schaarbeek streven de verzoekende partij en andere huurders (Aniserco, Action Belgium, C&A) de veroordeling na van de heer Soors om hem te dwingen opnieuw titularis te worden van de “overkoepelende” vergunning voor de gemene delen). Op 21 november 2019 velde de vrederechter een vonnis alvorens recht te doen, waarbij advocaat Yves Oschinsky aangesteld werd als gerechtelijk mandataris - bestuurder ad hoc, om, voor rekening van wie het zal behoren, bij de diensten van Leefmilieu Brussel alle noodzakelijke maatregelen te nemen teneinde de geschorste milieuvergunning nr. 392399, gewijzigd door de milieuvergunning nr. 398283, te doen herleven, en een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in te dienen. VII-40.754-5/10 IV. Rechtspleging Procesbekwaamheid
  21. De verwerende partijen merken in hun memorie van antwoord terecht op dat de tweede verwerende partij niet over een eigen rechtspersoonlijkheid beschikt. De tweede verwerende partij wordt buiten de zaak gesteld. Samenhang Standpunten van de partijen
  22. De verzoekende partij vraagt “dat de beroepen tot nietigverklaring van de diverse partijen die gericht zijn tegen dezelfde gewraakte akte zouden [worden] samengevoegd en behandeld worden op dezelfde zitting door dezelfde kamer”.
  23. De eerste verwerende partij, hierna de verwerende partij genoemd, vraagt de samenvoeging “met andere zaken die betrekking hebben op dezelfde beslissing en die in essentie gesteund zijn op dezelfde middelen, of minstens betrekking hebben op dezelfde juridische vragen”. Beoordeling
  24. Tegen de bestreden beslissing zijn vijf annulatieberoepen ingediend. Twee van de vijf beroepen worden behandeld door een Franstalige kamer. De partijen maken niet aannemelijk dat de zaken dermate verknocht zijn dat ze samen zouden moeten worden behandeld. In twee zaken werd reeds een eindarrest geveld: arrestnummers 249.300 van 23 september 2020 (vrijwillige afstand) en 252.365 VII-40.754-6/10 van 9 december 2021, (geen voortzetting door de verzoekende partij na negatief verslag). V. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunten van de partijen
  25. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij het gebrek aan rechtmatig belang van de verzoekende partij op. Zij argumenteert dat het beroep ertoe strekt om de exploitatie van de winkel van de verzoekende partij verder te zetten in strijd met de milieuvoorwaarden, en op grond van een geschorste milieuvergunning, waaraan de exploitant verzaakt heeft. De nietigverklaring van de bestreden beslissing zou volgens de verwerende partij voorts tot gevolg hebben dat “de gunst die met de bestreden beslissing toegestaan werd, namelijk de verlenging van de termijn om een vergunningsaanvraag in te dienen van 15 september 2019 tot 15 december 2019, tevens vernietigd wordt”.
  26. De verzoekende partij stelt in haar memorie van wederantwoord kort samengevat dat zij niet de betrachting heeft om een milieutechnisch onvergunde toestand te bestendigen, maar wel om duidelijk te maken dat de overheid ten onrechte “de verzaking” van de heer Soors heeft aanvaard, goed beseffende dat er aan de exploitatie van het winkelcomplex door de heer Soors geen einde zou gesteld worden. De overheid had tegen de heer Soors, gelet op zijn aansprakelijkheid als de enige en ondeelbare exploitant van het gehele complex, dwangmaatregelen moeten nemen. Een stopzettingsbevel is volgens haar “een verkeerde en niet efficiënte maatregel die tegen de verkeerde partijen gericht werd”.
  27. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij toe dat, indien een nieuw stopzettingsbevel zou worden uitgevaardigd, het bij voorbaat duidelijk is dat Leefmilieu Brussel en daarna het Milieucollege, in de lijn van de gewraakte beslissingen, opnieuw zullen oordelen dat de verzoekende partij het vereiste belang ontbeert om zich tegen het stopzettingsbevel in recht te voorzien, terwijl zij wel degelijk in haar economische activiteiten wordt getroffen door dat VII-40.754-7/10 bevel. Zij besluit dat zij en de andere huurders verplicht waren om de aanstelling van een mandataris uit te lokken en zich bloot te stellen aan aanzienlijke kosten om een werkingsfonds te spijzen teneinde de milieutoestand te regulariseren. Beoordeling
  28. In de bestreden beslissing wordt gesteld: “Het Milieucollege oordeelt dat het getuigt van goed bestuur om het bevel tot stopzetting op te schorten tot 15 december 2019, met het oog op de indiening van een volledige aanvraag tot milieuvergunning voor de site in kwestie”. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de bij vonnis van de Vrederechter van het Tweede kanton te Schaarbeek van 21 november 2019 aangestelde gerechtelijk mandataris “in naam en voor rekening van wie het behoort” de vermeend geschorste milieuvergunning intussen heeft overgenomen waardoor Leefmilieu Brussel besloot dat het opgelegde stopzettingsbevel is vervallen. Bij brief van 16 maart 2020 heeft Leefmilieu Brussel aan de lasthebber ad hoc onder meer de goede ontvangst gemeld van een gedetailleerd en gemotiveerd plan en actieprogramma, waarmee de uitdrukkelijke voorwaarde voor de opheffing van het stopzettingsbevel vervuld is. In de brief wordt ook meegedeeld dat in geval van niet naleven van het plan en het actieprogramma of in geval van vaststelling van nieuwe inbreuken, een nieuw stakingsbevel kan worden opgelegd. Deze brief van 16 maart 2020 kan niet anders worden begrepen dan dat de gerechtelijk aangesteld mandataris erin is geslaagd de opheffing van de schorsing van de milieuvergunning te verkrijgen, zoals vereist door het voormelde vonnis van de Vrederechter te Schaarbeek. De verzoekende partij kan haar activiteiten verder uitoefenen overeenkomstig de hernomen milieuvergunning en het opgestelde plan en VII-40.754-8/10 actieprogramma. Het belang dat zij staaft met verwijzing naar een gebeurlijke staking van de betrokken activiteiten ingevolge een nieuwe beslissing van Leefmilieu Brussel naar aanleiding van een vastgestelde inbreuk, is een hypothetisch belang, dat niet volstaat om een beroep tot nietigverklaring in te dienen in het kader van artikel 19, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het beroep is dan ook doelloos geworden. BESLISSING
  29. De Raad van State verwerpt het beroep.
  30. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-40.754-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.754-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.005 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.