id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.021 Rolnummer: A. 223474/XIV-37530 Zaak: Arrest 253021 - Politie - 17/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-09 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 06:17 Fiche Arrest nr 253.021 van 17 februari 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 253.021 van 17 februari 2022 in de zaak A. 223.474/XIV-37.530 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5391 BIERBEEK/BOUTERSEM/HOLSBEEK/LUBBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Gendt kantoor houdend te 3000 Leuven Koning Leopoldlaan I-straat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 8 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van 28 september 2017 waarbij de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker, met inhouding van 10% van de brutowedde, voor de duur van vier maanden wordt verlengd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 239.407 van 13 oktober 2017 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. XIV-37.530-1/9 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Frederick Ongena heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 november
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristien Vanderheiden, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Dennis Fransen die loco Tom De Gendt verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Frederick Ongena heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-37.530-2/9 III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 239.407 van 13 oktober
- Er wordt naar verwezen. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid Uiteenzetting van de exceptie - standpunt van de partijen
- De verwerende partij werpt in de laatste memorie op dat verzoeker bij beslissing van 22 januari 2021 met inhouding van 10 procent van de brutowedde is geschorst, zodat niet kan worden ingezien welk voordeel hij zou halen uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Bovendien werd verzoeker inmiddels door de correctionele rechtbank veroordeeld wegens weerspannigheid ten aanzien van medewerkers van de eigen organisatie.
- Verzoeker verwijst in zijn laatste memorie naar het arrest nr. 246.626 van 15 januari 2020 en doet gelden dat hij ook zijn belang behoudt bij het voorliggende beroep. Vooreerst komt in geval van vernietiging de inhouding van de wedde te vervallen waardoor hij financieel wint. De vernietiging zal tevens zorgen voor de uitbetaling van de vele premies. Bovendien zijn de meerdere opeenvolgende beslissingen op dezelfde wijze geformuleerd wat betekent dat de verwerende partij weinig bereidheid vertoont om zijn argumenten ernstig te nemen. Een eventuele vernietiging zal de verwerende partij er dan ook toe aanzetten om bij nog eventuele toekomstige verlengingen van de ordemaatregel rekening te houden met het gezag van gewijsde van het tussen te komen arrest. Beoordeling
- Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden XIV-37.530-3/9 gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punten B.11.
- en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.).
- Een eventueel tussen te komen nietigverklaring van de bestreden beslissing zal het geleden nadeel in hoofde van verzoeker minstens voor de betrokken periode kunnen herstellen en, voorts, de verwerende partij ertoe aanzetten om bij nog eventuele toekomstige verlengingen van de ordemaatregel ten aanzien van verzoeker, rekening te houden met het gezag van gewijsde van het tussen te komen arrest. In die omstandigheden zou het getuigen van een al te restrictieve benadering van het begrip “belang” indien aan verzoeker elk belang bij het voorliggende beroep zou worden ontzegd omdat hij de daaropvolgende XIV-37.530-4/9 verlengingen niet zou hebben aangevochten en zijn recht op toegang tot de rechter zoals dat wordt gewaarborgd door artikel 6, § 1, van het het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden op een onevenredige wijze inperken. Wat de bemerking van de verwerende partij betreft dat verzoeker inmiddels is veroordeeld door de correctionele rechtbank, verzuimt zij evenwel concreet uiteen te zetten op welke wijze die vaststelling een invloed kan hebben op de ontvankelijkheid van het voorliggende beroep dat de beslissing tot verlenging van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker voor een duur van vier maanden met inhouding van 10 procent van de brutowedde, tot voorwerp heeft.
- De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van het eerste (enig) middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het enige middel de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, in combinatie met het vermoeden van onschuld en artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). Wat inzonderheid de tweede voorwaarde van artikel 59 van de tuchtwet betreft, leidt verzoeker uit de formele motivering van de bestreden beslissing af dat in feite de tuchtoverheid niet meer zegt dan dat er een onderzoek loopt inzake zware feiten die een ontslag van ambtswege zouden verantwoorden en dat het lopende onderzoek ervoor zorgt dat de tuchtoverheid geen vertrouwen meer kan hebben in verzoeker. Aldus worden de twee voorwaarden van artikel 59 van de tuchtwet gereduceerd tot een enkele. Hij betoogt dat uit de redenering van de tuchtoverheid niet kan worden afgeleid waarom zijn aanwezigheid onverenigbaar is met de dienst. Vooreerst is geen enkele burger of personeelslid op de hoogte van XIV-37.530-5/9 het dossier, hetgeen hij omstandig toelicht. Voorts werd geen enkel onderzoek gedaan naar de documenten die hij heeft bijgebracht. Volgens verzoeker is het duidelijk dat de vermeende feiten volledig los staan van zijn functie en hebben ze geen enkele impact op zijn werk en is het dossier ook niet media-gevoelig.
- De verwerende partij zet in de memorie van antwoord uiteen - in zoverre die uiteenzetting kan worden betrokken op de tweede voorwaarde van artikel 59 van de tuchtwet (met name dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst) -, dat zij tot een verlenging van de voorlopige schorsing kan beslissen, rekening houdend met alle gegevens die op dat ogenblik voor haar beschikbaar zijn, waarbij zij, met de mogelijkheden waarover zij beschikt, een actuele beoordeling moet maken van de feiten en de invloed ervan op de aanwezigheid van betrokkenen binnen de dienst. Zij citeert vervolgens de bestreden beslissing en wijst erop dat het politiecollege blijkens de formele motivering van de bestreden beslissing van oordeel is dat de strafrechtelijke vervolging die lastens verzoeker loopt, met zich meebrengt dat die niet meer boven elke verdenking is verheven om zijn taak te vervullen hetgeen een vertrouwensbreuk veroorzaakt. Het politiecollege komt dan tot de conclusie dat verzoekers aanwezigheid nog steeds onverenigbaar is met het belang van de dienst, zeker gedurende de periode waarin het gerechtelijk onderzoek nog zal lopen ingevolge de door verzoeker gevraagde onderzoeksdaden. Voorts brengt verzoeker geen stukken noch argumenten bij die de tenlasteleggingen in twijfel zouden trekken. Bovendien is een belangrijk argument het schrijven van het parket van 10 april 2017 waarin aan de verwerende partij wordt meegedeeld dat er een eindvordering werd opgesteld om verzoeker door te verwijzen naar de correctionele rechtbank wegens valsheid in geschrifte, het gebruik van valse stukken en oplichting en dat de actualiteit van dit gegeven nog steeds geldt. De verwerende partij wijst erop dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld dat de verlenging van de voorlopige schorsing bij ordemaatregel wordt opgelegd, minstens om de afhandeling van het gerechtelijk onderzoek in alle objectiviteit af te wachten. Voorts wordt gesteld dat de weerhouden tenlasteleggingen niet worden ontkracht door de bijgebrachte stukken van XIV-37.530-6/9 verzoeker, alsook dat die tenlasteleggingen zeer ernstig zijn, dermate dat het vertrouwen in verzoeker totaal zoek is en het belang van de dienst of organisatie zijn aanwezigheid niet verdraagt. Zij ondersteunt haar beslissing dat de aanwezigheid van verzoeker op de werkvloer niet verenigbaar is met de dienst en zij steunt hiervoor onder meer op het reeds voornoemde schrijven van het parket te Leuven van 10 april 2017, hetgeen volgens de verwerende partij niet kennelijk onredelijk is. In haar laatste memorie verwijst de verwerende partij naar de inhoud van de memorie van antwoord en naar het arrest nr. 238.291 van 23 mei
- Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de gegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen zoals die blijken uit het navolgende uittreksel uit zijn verslag: “
- […]. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de tuchtoverheid zich thans uitsluitend baseert op de vaststelling dat het openbaar ministerie verzoeker strafrechtelijk vervolgt wegens ‘valsheid in geschrifte, het gebruik van valse stukken en oplichting (in het kader van verzekeringsfraude)’ en op een aantal lopende opsporingsonderzoeken, waaruit zij dan besluit dat de feiten, indien zij bewezen zijn, de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen en het vertrouwen ernstig schaden, zodanig dat zij tot de zware tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege kunnen leiden. Om die reden kwalificeert de tuchtoverheid de feiten als ‘ernstig’ en meent zij dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar is met het belang van de dienst.
- Verzoeker kan worden bijgevallen wanneer hij stelt dat de tuchtoverheid zo de twee onderscheiden voorwaarden van artikel 59 van de Tuchtwet reduceert tot de eerste voorwaarde, nl. dat er een tuchtonderzoek, opsporingsonderzoek of een strafvervolging moet zijn. Immers, de vaststelling dat valsheid in geschrifte, het gebruik van valse stukken en oplichting, indien bewezen, mogelijks tot het ontslag van ambtswege kan leiden betekent niet automatisch dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar is met het belang van de dienst. In die zin zijn de motieven in de bestreden beslissing te herleiden tot de stelling dat een politiepersoneelslid ‘boven elke verdenking’ moet staan en ‘elke gedraging moet vermijden die het vertrouwen van de bevolking in de politie kan aantasten’. In die zin stelt de bestreden beslissing uitdrukkelijk: ‘het bestaan van een gerechtelijk onderzoek tast dit vertrouwen dat noodzakelijkerwijze in u moet kunnen worden gesteld aan’. XIV-37.530-7/9 Het komt verslaggever voor dat de tuchtoverheid zo de voorlopige schorsing uitsluitend baseert op het bestaan van opsporingsonderzoeken en een strafvervolging, zonder aan te geven welke concrete redenen en gegevens de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar maken met het belang van de dienst. […].”
- De verwerende partij betwist deze conclusie maar na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft zij evenwel niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Zij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake tot het verwijzen “naar de inhoud van haar memorie waarvan de inhoud wordt geacht hier integraal te zijn hernomen” en tot het (zeer) gedeeltelijk citeren uit een uitspraak van de Raad van State. Zij brengt aldus geen (inhoudelijke) argumenten in tegen de beoordeling van het auditoraat. Voorts volstaat het gedeeltelijk citeren van een uitspraak van de Raad van State niet om tot een andere conclusie te komen, minstens zet zij niet uiteen waarom dat te dezen wel het geval zou moeten zijn. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enige middel gegrond.
- Het enige middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van het politiecollege van 28 september 2017 waarbij de voorlopige schorsing bij ordemaatregel van verzoeker, met inhouding van 10% van de brutowedde, voor de duur van vier maanden wordt verlengd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en het beroep tot XIV-37.530-8/9 nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan verzoeker.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.530-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.021 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.407 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div