id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.038 Rolnummer: A. 235197/XIV-38893 Zaak: Arrest 253038 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 06:19 Fiche Arrest nr 253.038 van 21 februari 2022 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 253.038 van 21 februari 2022 in de zaak A. 235.197/XIV-38.893 In zake :
- XXXX
- XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel A. Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN kantoor houdend te 1070 Brussel Ernest Blerotstraat 39 alwaar woonplaats wordt gekozen tussenkomende partij: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bisschofsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- Het verzoekschrift, ingediend bij de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen met een ter post aangetekende brief van 24 november 2021 en door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzonden naar de Raad van State op 3 december 2021, strekt tot de wraking van rechter XXXX in een beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die was ingesteld door de verzoekers tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor de XIV-38.893-1/7 vluchtelingen en de staatlozen van 8 april 2021 waarmee de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus werden geweigerd aan de verzoekers. II. Verloop van de rechtspleging
- Met een verzoekschrift van 17 januari 2022 heeft XXXX gevraagd om te mogen tussenkomen in het geding. De verwerende partij heeft een “nota met opmerkingen” ingediend. Met een beschikking van 19 januari 2022 wordt het XXXX toegestaan tussen te komen in het debat. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari 2022, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Denys, die verschijnt voor de verzoekers, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.893-2/7 III. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekers hebben een “memorie tot wraking” ingediend. In het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ zijn geen procedureregels bepaald voor het onderzoek van een akte tot wraking. Op grond van die vaststelling zijn de nadere regels voor het verloop van de huidige procedure wel bepaald in de beschikking van de voorzitter van de XIVe kamer van 20 december
- Het indienen van een memorie door de verzoekers, naast de eigenlijke akte tot wraking, is hierin echter niet voorzien. In die omstandigheden kan de memorie tot wraking van de verzoekers niet in aanmerking worden genomen als een processtuk, maar slechts als een pleitnota die geldt als loutere inlichting. IV. Het verzoek tot wraking Standpunt van de verzoekers
- De verzoekers stellen in het verzoek tot wraking vast dat het verzoek om internationale bescherming van de broer van eerste verzoeker werd verworpen met een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 29 mei 2020 nr. 236.214, gewezen door de tussenkomende partij. In dat arrest wordt herhaaldelijk gesteld dat het asielrelaas van die broer ongeloofwaardig is en wordt ook huidige eerste verzoeker vermeld als broer van de verzoeker in die zaak. In de door de verzoekers voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen aangevochten beslissing van de verwerende partij van 8 april 2021 wordt aangehaald dat de broer van verzoeker zeven keer om internationale bescherming heeft verzocht in België, dat geen enkel geloof kan worden gehecht XIV-38.893-3/7 aan diens voorgehouden problemen en dat huidige eerste verzoeker in zijn eerste verzoek om internationale bescherming ook verwees naar de problemen van zijn broer. In die beslissing wordt ook verwezen naar het achtste verzoek om internationale bescherming van de broer van eerste verzoeker, dat heeft geleid tot het voornoemde arrest nr. 236.
- De verzoekers laten gelden dat één van de door hen ingeroepen nieuwe elementen de brandstichting in het huis van de familie betreft, die ongeloofwaardig werd bevonden in het meergenoemde arrest nr. 236.
- Zij hebben in hun verzoekschrift tot beroep tegen de beslissing van de verwerende partij ook aangehaald dat hun problemen te maken hebben met de problemen die de broer van eerste verzoeker ondervond. Verder hebben de verzoekers het verslag van een kinderpsychiater aangehaald met betrekking tot de paniekaanvallen van hun kinderen toen zij samen met tweede verzoekster thuis werden weggehaald en administratief werden opgesloten, hetgeen hen deed terugdenken aan de harde tussenkomsten toen de politie in Noord-Macedonië de broer van eerste verzoeker zocht. Gelet op de verwevenheid van de dossiers van de verzoekers en hun (schoon-)broer, menen de verzoekers redelijkerwijze de indruk te kunnen hebben dat de tussenkomende partij niet (meer) onbevooroordeeld kan oordelen doch dat zij dezelfde door de verzoekers aangehaalde feiten als ongeloofwaardig zal bestempelen.
- Ter terechtzitting bevestigen de verzoekers dat zij de schending inroepen van artikel 828, 1° en 9° Ger.W. Zij preciseren dat zij wat punt 1° van dat artikel betreft enkel de objectieve en niet de subjectieve partijdigheid inroepen. Wat punt 9° betreft, lichten zij toe dat de brandstichting een nieuw element in hun laatste verzoek tot internationale bescherming vormt en dat de tussenkomende partij zich reeds heeft uitgesproken over die brandstichting bij de beoordeling van de zaak van de broer van eerste verzoeker. De tussenkomende partij heeft de vluchtmotieven van die broer ongeloofwaardig bevonden, terwijl de vrees voor XIV-38.893-4/7 vervolging van de verzoekers uitsluitend is gesteund op feiten die verband houden met de door hun (schoon-)broer aangevoerde problemen. De verzoekers achten de dossiers zeer nauw met elkaar verweven. Beoordeling
- De te dezen relevante bepalingen van artikel 828 Ger.W. luiden: “Ieder rechter kan worden gewraakt om de volgende redenen: 1° wegens wettige verdenking; […] 9° indien de rechter raad gegeven, gepleit of geschreven heeft over het geschil; indien hij daarvan vroeger kennis heeft genomen als rechter of als scheidsrechter, behalve indien hij in dezelfde aanleg:
- heeft medegewerkt aan een vonnis of een uitspraak alvorens recht te doen;
- na uitspraak te hebben gedaan bij verstek, van de zaak kennis neemt op verzet;
- na uitspraak te hebben gedaan op een voorziening, later van dezelfde zaak kennis neemt in verenigde kamers; […]”.
- De in artikel 828, 1° Ger.W. bedoelde wettige verdenking kan bestaan wanneer er twijfel is aan de onpartijdigheid van de rechter. Hiertoe kan een schijn van partijdigheid volstaan. Objectieve onpartijdigheid heeft te maken met de functie van de rechter. Het gaat om de indruk die wordt gewekt of zou worden gewekt door elke rechter die in dezelfde situatie zou verkeren. Het feit dat de tussenkomende partij kennis heeft genomen van het asielrelaas van de broer van de huidige eerste verzoeker en dat relaas ongeloofwaardig heeft bevonden, volstaat niet om aan te nemen dat de tussenkomende partij niet meer in staat zou zijn om op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen in de zaak van de verzoekers zelf, noch om aan te nemen dat er een gewettigde twijfel kan bestaan over de geschiktheid van de tussenkomende partij om op die wijze uitspraak te doen over de zaak van de verzoekers. Dat het om deels dezelfde elementen gaat als deze die door de broer van eerste verzoeker zijn ingeroepen, doet hieraan geen afbreuk. XIV-38.893-5/7
- Er blijkt niet dat de tussenkomende partij “raad gegeven, gepleit of geschreven heeft over het geschil”, zoals bedoeld in artikel 828, 9° Ger.W. Evenmin blijkt het te gaan om hetzelfde geschil. De door de verzoekers bedoelde zaak waarover de tussenkomende partij uitspraak heeft gedaan met het supra reeds aangehaalde arrest van 29 mei 2020 heeft immers als voorwerp een volgend (achtste) verzoek om internationale bescherming van de broer van eerste verzoeker terwijl de zaak waarop het verzoek tot wraking betrekking heeft een volgend (tweede) verzoek om internationale bescherming van de verzoekers betreft. Het gaat noch om dezelfde partijen noch om hetzelfde voorwerp. Dat mede dezelfde feiten worden ingeroepen door de verzoekers, volstaat dan ook niet om aan te nemen dat de tussenkomende partij reeds uitspraak heeft gedaan over het geschil.
- Het verzoek tot wraking dient te worden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt het verzoek tot wraking. XIV-38.893-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.893-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.