id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.040 Rolnummer: A. 228289/IX-9564 Zaak: Arrest 253040 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 21/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-03 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:18 Fiche Arrest nr 253.040 van 21 februari 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.040 van 21 februari 2022 in de zaak A. 228.289/IX-9564 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HR RAIL, nv van publiek recht bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 221 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de hoofdadviseur-dienstchef van de nv HR Rail van 10 april 2019 waarbij “een einde [wordt] gesteld aan [de] tewerkstelling [van XXXX] als stagedoend technicus mecanicien voertuigen en installaties op 14 april 2019 na diensteinde”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 246.217 van 28 november 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. IX-9564-1/17 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 januari
- Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Flore Aerens, die loco advocaat Peter Crispyn verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Ségolène de Borchgrave, die loco advocaten Chris Van Olmen en Vincent Vuylsteke verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- IX-9564-2/17 III. Feiten 3.
- Op 2 juli 2018 is verzoeker aangesteld bij de nv HR Rail als “technicus-mecanicien – voertuigen en installaties in stage”. 3.
- Volgens de verwerende partij wordt aan verzoeker “[b]ij aanvang van zijn stage” een stageprogramma overhandigd. Dat stageprogramma voorziet in “driemaandelijkse ondervragingen”, die als volgt worden gepland: een eerste controle tijdens de periode van 2 tot 16 oktober 2018, een tweede controle tijdens de periode van 2 tot 16 januari 2019, een derde controle tijdens de periode van 2 tot 16 april 2019 en een vierde controle tijdens de periode van 2 tot 16 juli
- Het stageprogramma vermeldt tevens de “[t]e verwerven praktische kennis”, alsook de “[t]e verwerven theoretische kennis”. Wat die laatstgenoemde kennis betreft, worden de onderwerpen van de vier geplande ondervragingen opgesomd. Als “[b]elangrijke opmerking” wordt voorts vermeld: “U wordt geacht om naast de opleidingen die u zal krijgen, de nodige ijver aan de dag te leggen om door zelfstudie (o.a. van de ter uwer beschikking gestelde documentatie) de ontbrekende kennis op te doen. Contacteer desgevallend tijdig uw mentor om aanvullende informatie te bekomen.” 3.
- Op 30 januari 2019 wordt verzoeker een eerste maal ondervraagd. Hij behaalt dan 8 op 20 punten. Op 14 maart 2019 volgt een tweede ondervraging met hetzelfde resultaat. 3.
- Op 26 maart 2019 stelt de onmiddellijke chef van verzoeker een stagerapport op. Haar evaluatie van de stage van verzoeker is ongunstig en zij stelt IX-9564-3/17 voor om deze stage stop te zetten. Ter staving verwijst zij naar een bijgevoegd verslag dat als volgt luidt: “Betrokkene werd op 02/07/2018 aangesteld als stagedoend technicus mecanicien VI te B TC PW Melle. Deze opleiding dient om het onderhoud van de verschillende soorten dieselvoertuigen van nabij te leren kennen. Tijdens zijn stage gaf [XXXX] meermaals een niet gemotiveerde noch werkwillige indruk, waarbij de kwaliteit van het werk niet voldeed. Hieronder een beknopt overzicht. - Op 26/10/18 Monitoring: Bij het smeren van de cardans op 4112 V3 werd door de schouwer vastgesteld dat de cardans op een 6-tal punten niet gesmeerd waren terwijl [XXXX] het tegendeel beweerde. Er ontbraken zelfs 2 smeernippels. Op het onderhoud voordien was dit ook het geval en werd dit door de bediende naderhand rechtgezet. - Op 26/10/18 schriftelijke waarschuwing voor het niet uitvoeren van de opgelegde werken met de verwittiging op te letten met valse beweringen. - Getuigenverklaring dat aantoont hoe het is om met [XXXX] te moeten samenwerken. o [XXXX] ligt erg slecht in de groep tot op het punt dat men niet meer met hem wil samenwerken o Hij tekent werken af die niet door hem zijn afgewerkt. Loopt erg veel rond te babbelen en is niet met zijn werk bezig. De bediende zal ook over alles discussiëren ondanks dat de feiten zwart op wit vast gesteld zijn. - De bediende scoort slecht op zijn twee ondervragingen (zie bijgevoegd P1034), telkens 08/
- Er ontbreekt basiskennis alsook technisch inzicht. - Ca cijfer is ook verlaagd van 0.6 naar 0.5 - Op 17/01/19 werd bij een monitoring vastgesteld dat de brandstoffilters niet volledig waren opgevuld met zoals voorgeschreven, er was 15l te weinig olie op de dieselmotor kant BX en de luchtfilters ABX en BX waren niet correct gemonteerd. Bediende had zijn taken ook niet aangeduid op de werkbon. - Op 24/01/19 enkelvoudige vermaning voor het kwalitatief niet goed uitvoeren van opgelegd werken - Monitoring 7/02 o De bediende voert de taak van het vervangen van silentbokken uitlaat en reinigen/vervangen carterontluchting slechts uit aan kant ABX en laat zo 1 kast achterwege o Opnieuw vaststellingen in het niet correct invullen van de primair - Monitoring 22/02 o [XXXX] tekent opnieuw bepaalde werken af die niet door hem zijn uitgevoerd en tekent werken af die zelf nog niet gestart zijn waardoor de volgende dag de collega’s niet wisten welke werken nu wel of niet zijn ingevuld. Omwille van bovenstaande redenen wensen we de stage van bovenstaande bediende te beëindigen wegens ongeoorloofd gedrag tijdens zijn stageperiode.” IX-9564-4/17 Zowel het stagerapport als het bijgevoegde verslag maakt melding van de mogelijkheid om opmerkingen te maken. Verzoeker ondertekent beide documenten. Hij bezorgt geen opmerkingen binnen de hem daartoe toegestane termijn van respectievelijk “2 weken” (stagerapport) en “10 dagen” (bijgevoegd verslag). 3.
- Met een brief van 10 april 2019 deelt hoofdadviseur-dienstchef I.V. van de nv HR Rail aan verzoeker mee: “Het spijt ons u te moeten mededelen dat wij ons verplicht zien een einde te stellen aan uw tewerkstelling als stagedoend technicus mecanicien voertuigen en installaties op 14 april 2019 na diensteinde. Deze maatregel wordt genomen ingevolge het niet behalen van de helft van de punten op twee opeenvolgende controles, alsmede ingevolge een ongunstig stageverslag (gebrek aan motivatie, kan niet zelfstandig werken, onvoldoende kwaliteit van werk) in toepassing van bundel 501 – Titel III – Deel III van de rubriek ‘technicus mecanicien’, letter D. Op 26 maart 2019 heeft u kennis genomen van deze beslissing en heeft u de mogelijkheid gehad om eventuele opmerkingen te maken op dit voorstel. Tot op heden heeft u niet gereageerd op dit voorstel. Hierdoor wordt u een verbod tot aanwerving voor alle graden opgelegd voor een periode van 5 jaar met ingang van 15 april 2019 in toepassing van het Statuut van het personeel, Hoofdstuk II, artikel 18 en bundel 501 – Titel I – Deel I – Hoofdstuk V. Overeenkomstig de bepalingen van het Statuut van het personeel (Hoofdstuk XV – artikel 7) zal u afgedankt worden zonder het verstrijken van de vooropzegtermijn van 1 maand af te wachten en de globale wedde vermeerderd met de haard- of standplaatstoelage verbonden aan deze opzeggingstermijn zal u volledig gestort worden.” Verzoeker leest hierin de bestreden beslissing. IX-9564-5/17 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van “de materiële motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel evenals van het personeelsstatuut, hoofdstuk II – art. 16 en het ARPS bundel 501 Titel I, Deel IV, Hoofdstuk VI – A. Principes zowel als Titel III, Deel III, punt D. I. ‘proefperiode of stage’ alsook ARPS bundel 501, Titel I, Deel IV, Hoofdstuk 6 ‘stage of proefperiode’ punt C ‘Verslagen’”. Verzoeker betwist dat hij een “fundamentele opleiding” heeft gekregen, zoals voorgeschreven door de toepasselijke reglementering. Hij stelt “geen deftige vorm van opleiding [te hebben] gekregen, noch theoretisch noch praktisch”. Wat de theoretische opleiding betreft, waren er alleen een handboek en een leerplan dat vooropstelde wat trimestrieel gekend moest zijn, evenwel met een gebrek aan begeleiding. Een praktische opleiding ontbrak dan weer volkomen. Hij werd immers “simpelweg tewerkgesteld zonder praktische vorming”. Er werd bovendien geen vorming verstrekt door de onmiddellijke chef. Er was enkel een mentor met wie er geen rechtstreeks en voortdurend contact was en die “amper bereikbaar [was] voor bevraging”. Volgens verzoeker was er niet voorzien in “een programma en duur van de opleiding”, zodat “deze [...] er dan ook niet [was] behoudens de terbeschikkingstelling van een cursus met het oog op zelfstudie”. Voorts stelt verzoeker dat er geen periodieke geschiktheidscontroles – minstens eenmaal per trimester – hebben plaatsgehad, met als doel na te gaan of geleidelijk de vereiste kennis werd verworven, alsook om de stagiair in de gelegenheid te stellen aan zelfevaluatie te doen en zowel in zijnen hoofde als in hoofde van de opleider aan bijsturing te doen. Zo zijn er de eerste zeven maanden van zijn stage geen controles geweest, terwijl de twee controles die IX-9564-6/17 nadien volgden, op amper anderhalve maand tijd zijn gebeurd. Ze zijn, aldus verzoeker, “in werkelijkheid de culminatie van de persoonlijke polemiek tussen [hem] en enkele collega’s en [...] gewoon opgezet spel teneinde hem te laten falen”. Verzoeker doet tevens gelden dat tijdens de zesde maand van zijn stage door zijn onmiddellijke chef geen verslag werd opgesteld, zoals nochtans is voorgeschreven door ARPS-bundel
- Er ligt weliswaar een verslag voor dat dateert van 26 maart 2019, maar dat is laattijdig en “culmineert niet toevallig de negatieve perceptie die omtrent verzoeker is ontstaan”. Uit dit alles vloeit volgens verzoeker voort dat de overheid bijzonder onzorgvuldig is geweest. Zij rekent hem immers af op zijn tekortkomingen, maar is zelf in gebreke gebleven te voorzien in de voorgeschreven opleiding, leiding en begeleiding, zelfs op “dermate extreme wijze dat [hij] geen enkele formeel geregelde opleiding heeft gekregen”. De bestreden beslissing heeft de feitelijke gang van zaken onzorgvuldig onderzocht, aangezien dat eigen falen van de overheid volledig wordt genegeerd en enkel aandacht wordt besteed aan zijn beweerde tekortkomingen. De overheid heeft nagelaten te onderzoeken of zij zelf al het nodige heeft gedaan om hem in de gelegenheid te stellen bij een periodieke controle voldoende punten te halen en gunstig te worden geëvalueerd. Ten slotte argumenteert verzoeker dat de motieven waarop de bestreden beslissing steunt, niet naar behoren bewezen zijn. Het niet behalen van de helft van de punten op twee opeenvolgende controles vloeit immers voort uit het feit dat niet werd voorzien in de statutair bepaalde opleiding en begeleiding, noch in geschiktheidscontroles per trimester. En voorts kan het ongunstige stageverslag waarnaar wordt verwezen, geen eindverslag zijn, hoogstens een laattijdig semestrieel verslag dat “zodoende geen reden [kan] zijn voor een beëindiging van de tewerkstelling als stagedoend technicus mecanicien”. IX-9564-7/17
- In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker nog gelden dat de bewering van de verwerende partij dat de geschiktheidscontroles werden verlaat omwille van organisatorische problemen die te maken hadden met de verhuis van de werkplaats, niet dienstig is. Volgens hem blijft het immers een feit dat de twee controles plots zo kort op elkaar kwamen dat er geen ernstige mogelijkheid voor bijsturing was. De omstandigheid dat de tweede ondervraging “op andere onderwerpen gebaseerd was”, doet daaraan geen afbreuk. Voorts, zo vervolgt verzoeker, blijft hij bij zijn standpunt dat het voorliggende stageverslag geen deugdelijk motief kan vormen voor zijn ontslag, aangezien “[het] is opgesteld naar aanleiding van het ontslag als een vorm van uitleg”.
- In zijn laatste memorie wijst verzoeker erop dat de testen weliswaar onderscheiden onderwerpen betroffen, maar dat een niet-slagen voor de eerste test in normale omstandigheden hem nog de kans zou hebben geboden om “zichzelf bij te sturen en/of een tandje bij te steken op studievlak”, terwijl nu minstens daartoe veel minder de gelegenheid was. Hetzelfde geldt volgens verzoeker voor het ontbreken van een stageverslag tijdens de zesde maand van tewerkstelling waardoor “andermaal […] een gelegenheid [ontbrak] tot evaluatie en bijsturing”. Beoordeling
- Met betrekking tot de proefperiode of stage van de technicus-mecanicien is in het zogenaamde ARPS-bundel 501 bepaald: “Tijdens de proefperiode of stage volgen de technici-mecaniciens een fundamentele opleiding specifiek voor hun werkzaamheden en eventueel een initiatie. De bijzonderheden, het programma, de duur en de evaluatiecriteria van deze opleiding worden gepreciseerd in een leerplan waarvan iedere kandidaat een exemplaar ontvangt bij de aanvang van de opleiding. Om na te gaan of ze geleidelijk de vereiste kennis verwerven worden de technici-mecaniciens aan periodieke geschiktheidscontroles onderworpen waarop punten worden gegeven en die minstens eenmaal per trimester plaatsvinden. IX-9564-8/17 Diegenen die voor twee opeenvolgende controles niet de helft van de punten behalen mogen de stage of proefperiode niet verderzetten. Dit is ook zo voor diegenen die niet de helft van de punten behalen voor het geheel van de controles.”
- Verzoeker betwist niet dat hij bij de aanvang van zijn stage het leerplan en het stageprogramma heeft ontvangen. Het leerplan is een 17 pagina’s tellend document dat de verplichte “fundamentele opleiding voor (eerste) technicus mecanicien” uiteenzet, onder meer de structuur, de organisatie en de beoordeling ervan. De te verwerven kennis (per ondervraging) is opgenomen in het stageprogramma waarin de “[b]elangrijke opmerking” is opgenomen dat verzoeker geacht wordt om naast de opleidingen die hij zal krijgen, de nodige ijver aan de dag te leggen om door zelfstudie, onder meer van de hem ter beschikking gestelde documentatie, de ontbrekende kennis op te doen en dat hij, desgevallend, voor aanvullende informatie tijdig zijn mentor dient te contacteren.
- Blijkens het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier, heeft één van de stagebegeleiders, die benadrukt dat verzoeker “vanaf het begin een grondige opleiding heeft gekregen”, een overzicht opgesteld van de opleidingen die verzoeker tijdens de periode van juli 2018 tot maart 2019 heeft genoten. Dat overzicht vermeldt de dag waarop een bepaalde opleiding werd gevolgd, alsook het aantal uren dat die opleiding in beslag heeft genomen. Verzoeker betwist dat overzicht niet. Het spreekt alvast de bewering van verzoeker tegen dat hij geen “fundamentele opleiding” zou hebben gekregen. Zoals hiervóór is vermeld, wordt bovendien van een stagiair verwacht dat hij naast die opleidingen ook aan zelfstudie doet om aan de hand van de ter beschikking gestelde documentatie de ontbrekende kennis te vergaren. Verzoeker IX-9564-9/17 betwist ook niet dat hij de daartoe noodzakelijke documentatie heeft ontvangen of heeft kunnen ontvangen. De stagebegeleider verklaart tevens dat verzoeker dagelijks werd bijgestaan door drie mecaniciens en dat er steeds een wagenschouwer op de werkvloer aanwezig was. Deze personen waren ook altijd bereid om meer uitleg te geven, alsook om verzoeker bij te staan bij eventuele problemen. Bovendien was verzoekers mentor steeds beschikbaar en beschikte hij over de nodige kennis en ervaring. Verzoeker legt geen enkel gegeven voor dat deze verklaring van de stagebegeleider vermag te ontkrachten. Hij toont ook in de huidige stand van de rechtspleging niet aan welke opleiding of begeleiding hij concreet zou hebben ontbeerd en hoe dit bovendien dan nog heeft geresulteerd in zijn onvoldoende resultaat op de twee opeenvolgende ondervragingen.
- Met verzoeker moet worden vastgesteld dat beide ondervragingen niet hebben plaatsgehad tijdens de oorspronkelijk geplande tijdsperiodes, maar later. Verzoeker wijst evenwel geen rechtsregel of -beginsel aan dat aan een dergelijke overschrijding van de vooropgestelde periodes gevolgen verbindt, inzonderheid met betrekking tot de evaluatie van de stage. Aangezien het gaat om ondervragingen over vooraf bepaalde onderwerpen, kan moeilijk worden ingezien en overtuigt verzoeker er niet van dat hij door die overschrijding in zijn belangen is geschaad, temeer daar niet blijkt en verzoeker ook niet aanvoert dat hij niet tijdig zou zijn verwittigd van de precieze data waarop de ondervragingen dan wel zouden plaatsvinden. Precies omwille van het feit dat de twee opeenvolgende negatieve resultaten die tot de bestreden beslissing hebben geleid, betrekking hebben op een ondervraging over welbepaalde, van mekaar onderscheiden en van IX-9564-10/17 meet af aan opgegeven onderwerpen, kan ook niet worden ingezien hoe de omstandigheid dat de tweede ondervraging anderhalve maand na de eerste heeft plaatsgehad, verzoeker zou hebben benadeeld. Alleszins maakt verzoeker dat niet concreet duidelijk door een loutere verwijzing naar “de gelegenheid aan zelfevaluatie te doen” en “aan bijsturing”. Om dezelfde reden valt niet te begrijpen waarom de omstandigheid dat geen stageverslag zou zijn opgesteld in de loop van de zesde maand van verzoekers tewerkstelling, de onwettigheid van de bestreden beslissing zou teweegbrengen. Die beslissing werd immers genomen na en op grond van de vaststelling dat verzoeker bij twee opeenvolgende ondervragingen niet de helft van de punten heeft behaald, wat luidens de hiervóór aangehaalde bepalingen van ARPS-bundel 501 met zich meebrengt dat de stage niet mag worden voortgezet. Verzoeker maakt niet concreet aannemelijk dat een stageverslag dat uiterlijk op 1 januari 2019 zou zijn opgesteld, ertoe had kunnen leiden dat zijn ondervragingen op 30 januari 2019 en 14 maart 2019 over reeds van bij de aanvang van de stage meegedeelde onderwerpen succesvol waren verlopen.
- Het stageverslag van 26 maart 2019 is, zoals verzoeker stelt, geen “eindverslag” dat tot een definitieve benoeming kan leiden. Dat lijkt echter niet anders te moeten zijn, aangezien verzoekers stage met de bestreden beslissing nu eenmaal voortijdig wordt beëindigd, wat eveneens krachtens de hiervóór aangehaalde bepalingen van ARPS-bundel 501 mogelijk is. Dat de verwerende partij naar aanleiding daarvan een verslag heeft opgesteld waarin een overzicht van de stage wordt gegeven, kan haar niet worden verweten.
- Voor zover verzoeker doet gelden dat de twee uitgevoerde controles “in werkelijkheid de culminatie [betreffen] van de persoonlijke polemiek tussen [hem] en enkele collega’s en [...] zijns inziens gewoon opgezet spel [zijn] teneinde hem te laten falen”, beperkt hij zich tot een loutere bewering die evenmin de schending van de in het middel aangevoerde beginselen en bepalingen aantoont. IX-9564-11/17
- Het eerste middel is – voor zover ontvankelijk, wat door de verwerende partij wordt betwist – alleszins niet gegrond. IX-9564-12/17 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur. Hij betoogt dat hij geen repliek heeft gegeven op de geschiktheidscontroles en het stageverslag omdat hij te zeer aangeslagen was door “de culminerende gebeurtenissen waarbij het voor hem duidelijk was dat er een scenario op poten werd gezet om hem te verwijderen”. Hij stelt dat de omstandigheid dat er in de regelgeving met betrekking tot de voorafgaande procedure voorzien is in een horen, niet uitsluit dat de hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur moet worden nageleefd “ter gelegenheid van de finale beslissing en door de beslissende overheid”. De feiten en de grieven die tegen hem worden ingebracht, worden immers pas vermeld in het besluit waarmee een einde is gesteld aan zijn tewerkstelling. Volgens verzoeker is hij nooit in de mogelijkheid geweest zijn visie op een nuttige wijze daarover te doen kennen.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de feiten en grieven die tegen hem worden ingebracht, slechts vermeld zijn in de beslissing waarbij een einde is gesteld aan zijn tewerkstelling, zodat hij pas dan in staat was om op een nuttige wijze zijn visie te doen kennen. Hij voegt er nog aan toe dat hij niet kon weten en nergens werd aangekondigd dat de finale beslissing volledig zou voortbouwen op wat in het stageverslag was vermeld. Beoordeling
- Verzoeker heeft op 26 maart 2019 kennisgenomen van het stagerapport, waarbij een “omstandig verslag” was gevoegd. Op beide documenten IX-9564-13/17 is vermeld dat verzoeker eventueel opmerkingen kan doen gelden. Het “omstandig verslag” geeft hem tien dagen tijd om dat te doen. De in dat verslag vermelde feiten en grieven zijn ook die welke in de thans bestreden beslissing in aanmerking worden genomen. Verzoeker heeft aldus de gelegenheid gehad om op een nuttige wijze zijn standpunt over die feiten en grieven naar voren te brengen vooraleer de bestreden beslissing werd genomen. De hoorplicht als beginsel van behoorlijk bestuur vereist niet dat verzoeker mondeling en in persoon door de tot beslissen bevoegde overheid moet worden gehoord. Het volstaat dat hij zijn zienswijze schriftelijk kan uiteenzetten en dat het bevoegde bestuursorgaan bij het nemen van zijn beslissing kennis kan nemen van dat standpunt. In het stagerapport wordt bovendien het voorstel geformuleerd om de stage stop te zetten. Ook het “omstandig verslag” maakt melding daarvan. Verzoeker heeft derhalve ook daarover zijn standpunt kenbaar kunnen maken. Overigens verbindt ARPS-bundel 501 aan twee opeenvolgende tekorten het gevolg van de stopzetting van de stage, zodat niet valt in te zien welk bezwaar verzoeker tegen de toepassing van dat gevolg zou kunnen inbrengen.
- Het tweede middel is evenmin gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in een derde middel de schending aan van “het personeelsstatuut, Hoofdstuk XV, art. 1, onbevoegdheid van de beslisser”. Hij betoogt dat artikel 1 van hoofdstuk XV van het personeelsstatuut bepaalt dat het stagedoend personeel kan worden afgedankt onder de voorwaarden waarin is voorzien in ARPS-bundel 501 en dat, wat het IX-9564-14/17 personeel betreft dat zoals hijzelf niet ter beschikking is gesteld van Infrabel of van de NMBS, de beslissing wordt genomen door de adjunct van de algemeen directeur van de nv HR Rail of “zijn plaatsvervanger”. Verzoeker stelt vast dat de bestreden beslissing werd genomen door hoofdadviseur-dienstchef I.V. van de nv HR Rail, die naar zijn weten niet de adjunct van de algemeen directeur van de nv HR Rail of diens plaatsvervanger is, zodat ze is genomen door een onbevoegde overheid.
- In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat het personeelsstatuut in deze aangelegenheid geen delegatie toelaat, aangezien het letterlijk gewag maakt van de “plaatsvervanger” en het gaat om “een strikt toegewezen bevoegdheid […] welke door de aangewezen bevoegde moet worden uitgeoefend, zijnde de titularis zelf dan wel diegene die hem/haar gebeurlijk in het ambt vervangt”.
- In zijn laatste memorie betwist verzoeker dat, wie ook de beslissing zou hebben genomen, deze niet anders kon dan te beslissen tot de beëindiging van zijn tewerkstelling. Het valt volgens hem immers niet uit te sluiten dat “de waarlijk bevoegde” tot het inzicht zou zijn gekomen dat het beslissingsproces niet volledig volgens de regels van de kunst was verlopen, “zoals door verzoeker aangeklaagd in het eerste middel”. Beoordeling
- Artikel 1 van hoofdstuk XV van het personeelsstatuut bepaalt dat de adjunct van de algemeen directeur van de nv HR Rail “of zijn plaatsvervanger” (“ou son délégué” in de Franse tekst) de beslissing neemt om het stagedoend personeel af te danken. IX-9564-15/17 De adjunct van de algemeen directeur van de nv HR Rail heeft op 20 februari 2018 beslist zijn bevoegdheid ter zake te delegeren aan “de Dienstchef van de dienst ‘Career, Talent and Pay’”. Met de verwerende partij moet worden vastgesteld dat hoofdadviseur-dienstchef I.V. de hoedanigheid heeft van dienstchef van de dienst ‘Career, Talent and Pay’.
- Daargelaten de vraag of artikel 1 van hoofdstuk XV van het personeelsstatuut een dergelijke delegatie van bevoegdheid toelaat – er blijkt op dit punt een discordantie tussen de Nederlandse en de Franse tekst – heeft verzoeker hoe dan ook geen belang bij een nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van de beweerde onbevoegdheid van de hoofdadviseur-dienstchef. Uit ARPS-bundel 501 blijkt immers dat stagiairs die voor twee opeenvolgende controles niet de helft van de punten behalen, hun stage niet mogen voortzetten en dat zulks, behoudens in welbepaalde gevallen die hier niet van toepassing blijken te zijn, tot de afdanking leidt. Verzoeker weerlegt niet dat hij voor twee opeenvolgende controles niet de helft van de punten heeft behaald, zodat door de adjunct van de algemeen directeur of zijn “plaatsvervanger” (“délégué”) geen andere beslissing dan een beslissing tot de beëindiging van verzoekers tewerkstelling kan worden genomen. Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie beoogt te doen gelden dat wel een andere beslissing mogelijk zou zijn wanneer de bevoegde “plaatsvervanger” tot het inzicht komt dat het beslissingsproces niet volledig volgens de regels van de kunst is verlopen, “zoals door verzoeker aangeklaagd in het eerste middel”, moet daartegen worden opgeworpen dat het bedoelde middel hiervóór niet gegrond werd bevonden.
- Het derde middel kan aldus niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden. IX-9564-16/17 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring en van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9564-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.040 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.217 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div