← België

Arrest 253048 - Reglementen (justitie) - 21/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.048 Rolnummer: A. 234352/IX-9924 Zaak: Arrest 253048 - Reglementen (justitie) - 21/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-03-03 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 06:18 Fiche Arrest nr 253.048 van 21 februari 2022 Justitie - Reglementen (justitie) Beslissing : Afstand van geding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 253.048 van 21 februari 2022 in de zaak A. 234.352/IX-9924 In zake: Luc VAN DEN BOSSCHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Walter Van Steenbrugge en Esther Theyskens kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Jacubowitz kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 19 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van “het Koninklijk besluit van 24 juni 2021 (B.S. van 30 juni 2021) tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij wetten van 20 december 2020 houdende diverse tijdelijke en structurele bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 […], van 30 april 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie en het notariaat in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 en van 20 mei 2020 houdende diverse bepalingen inzake justitie in het kader van de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 […], in het bijzonder artikel 3 ervan, voor zover het betrekking heeft op artikel 44 van de wet van 20 december 2020 en in de mate dat in dat wetsartikel artikel 61quinquies, § 4 van het Wetboek van Strafvordering (‘Sv.’) is opgenomen (en aldus voorziet in IX-9924-1/4 de mogelijkheid tot een schriftelijke procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling bij een beroep tegen de beschikking van de onderzoeksrechter overeenkomstig artikel 61quinquies, §3 Sv.)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 251.397 van 30 augustus 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Het genoemde arrest is op 1 september 2021 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. Op 21 oktober 2021 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  3. III. Beoordeling
  4. Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de IX-9924-2/4 rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest.
  5. De verzoekende partij heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend.
  6. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen van toepassing. IV. Rechtsplegingsvergoeding
  7. De verwerende partij verzoekt om een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 840 euro. Gelet op het bepaalde in artikel 67, § 2, derde lid, van het algemeen procedurereglement is er geen verhoging van dit bedrag verschuldigd. BESLISSING
  8. De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9924-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9924-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.048 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.397 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.