← België

Arrest 253085 - Wegverkeer van goederen - 23/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.085 Rolnummer: A. 232789/XII-9036 Zaak: Arrest 253085 - Wegverkeer van goederen - 23/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-06-19 13:38 Fiche Arrest nr 253.085 van 23 februari 2022 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 253.085 van 23 februari 2022 in de zaak A. 232.789/XII-9036 In zake : 1. Nick D’HOOP 2. de BVBA DELAERE STORTBETON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Donat Lambert kantoor houdend te 9030 Mariakerke (Gent) Mispelbilk 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 19 november 2020 waarbij aan Nick D’Hoop een administratieve geldboete van 1.200 euro wordt opgelegd en de bvba Delaere Stortbeton burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-9036-1/14 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIIde kamer bij beschikking van 4 november 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 25 januari 2022. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 11 december 2019 wordt een vrachtwagen met daarop gemonteerd een betonpomp, bestuurd door Nick D’Hoop, de eerste verzoekende partij en werknemer van de tweede verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E403-A17 te Izegem. Volgens de verzoekende partijen was de betonpomp op weg van een werf naar het bedrijfsterrein van de tweede verzoekende partij. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het overladen is op de derde as met 690 kg en op de vierde as met 570 kg, en dat de maximaal toegelaten massa van het voertuig met 1.280 kg is overschreden. Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 7, § 1, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). XII-9036-2/14 3.2. Op 6 januari 2020 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 29 januari 2020 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging wordt ingesteld en dat de zaak verder administratief afgehandeld kan worden. 3.3. Op 17 maart 2020 beslist de wegeninspecteur-controleur om wegens een inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.200 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. 3.4. Op 1 april 2020 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing. Gelet op de op dat ogenblik geldende COVID-19-maatregelen, vindt het horen van de verzoekende partijen schriftelijk plaats, waarbij zij verwijzen naar hun bezwaarschrift. Op 24 juli 2020 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.200 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. 3.5. Op 21 augustus 2020 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering. Op 19 oktober 2020 heeft een digitale hoorzitting in beroep plaats, gelet op de op dat ogenblik nog steeds geldende COVID-19-maatregelen. Op 19 november 2020 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.200 euro op te leggen en de tweede verzoekende XII-9036-3/14 partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel, samen genomen Uiteenzetting van de middelen 4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van het motiveringsbeginsel. Zij voeren aan dat in de bestreden beslissing onvoldoende rekening wordt gehouden met de volgende verweermiddelen die zij voor de administrateur-generaal hebben ingeroepen: - het betrokken voertuig is een betonpompwagen die op het ogenblik van de vaststellingen niet was “geladen”; er is immers hoogstens sprake van betonresten, die niet op wettige wijze kunnen worden verwijderd dan op de bedrijfsterreinen van de tweede verzoekende partij; de slangen en buizen zijn onvermijdelijk aanwezig op de wagen en maken integraal deel uit van de betonpomp, die precies bedoeld is om het beton op een moeilijk te bereiken plaats af te leveren; een betonpompwagen is helemaal geen voertuig dat ladingen vervoert; er kan dan ook geen sprake zijn van een “overlading”, temeer daar het voertuig beschikt over een vergunning voor uitzonderlijk vervoer; - de bestuurder kon zonder de vereiste middelen onmogelijk een “overlading” vaststellen van 1.280 kg op een totaal gewicht van 35.000 kg; er is dan ook helemaal niet aangetoond dat het moreel element van de inbreuk aanwezig is; het positief bewijs dient geleverd te worden van het feit dat de bestuurder zich bewust was van de “overlading”; de overweging in de bestreden beslissing dat de bestuurder “moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de overlading” bevat geen afdoende motivering voor het verwerpen van de grief van de verzoekende partijen dat het bedoelde positief bewijs geleverd dient te worden. XII-9036-4/14 Voorts voeren zij aan dat de overweging dat de bestuurder “moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de overlading” flagrant in strijd is met het vermoeden van onschuld van elke verdachte, temeer daar niet betwist wordt dat de eerste verzoekende partij niet over de vereiste middelen beschikte om de mogelijke “overlading” vast te stellen. 5. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van het vermoeden van onschuld, het proportionaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Zij betogen in de eerste plaats dat er onmogelijk kan worden uitgegaan van veronderstelde vermoedens van schuldige nalatigheid in hoofde van de bestuurder, minstens dat niet wordt vastgesteld dat deze in de gegeven omstandigheden de algemene zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen. Het behoort aan de overheid die de vaststellingen doet en de straffen oplegt, om het positief bewijs te leveren van de beweerde begane overtreding. In elk geval, zo vervolgen zij, is de opgelegde straf in de bestreden beslissing disproportioneel in verhouding tot de vastgestelde feiten. Zij betwisten dat in casu geen verzachtende omstandigheden werden aangereikt: zo hebben zij erop gewezen dat er geen mogelijkheden bestonden voor de bestuurder om de betonpompwagen na te zien op een eventuele “overlading”, terwijl de vastgestelde “overlading” van een beperkte aard is in vergelijking met het totale gewicht van de vrachtwagen. Tevens hebben zij uitdrukkelijk gevraagd om een straf met uitstel te willen verlenen, welke vraag niet, minstens niet op afdoende gemotiveerde wijze wordt afgewezen. Er is volgens hen ook duidelijk sprake van een miskenning van het redelijkheidsbeginsel. 6. In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen dat de beslissing niet correct en afdoende gemotiveerd is wat de toepasselijkheid van de relevante wetgeving en het vereiste bewijs van het moreel element van de inbreuk betreft. In de eerste plaats herhalen zij dat er geen sprake is van overlading, nu de betrokken vrachtwagen een werktuig is dat ter plaatse komt om het door andere vrachtwagens aangevoerde beton via een buizenstelsel af te XII-9036-5/14 leveren op moeilijk bereikbare plaatsen, en niet een “vervoermiddel” in de zin van de toegepaste wetgeving. Voorts menen zij dat de bestuurder, gelet op de vergunning voor uitzonderlijk vervoer, er mocht van uitgaan dat het voertuig voldeed aan alle wettelijke vereisten om zich op de openbare weg te begeven. 7. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het moreel element wel degelijk dient te worden beoordeeld vanuit het standpunt van de bestuurder en dat het aan de betrokken overheid toekomt om daarvan het positief bewijs te leveren. Hierbij kan volgens hen niet worden uitgegaan van veronderstelde vermoedens van schuldige nalatigheid in hoofde van de bestuurder. Zij herhalen dat geen bewijs van onachtzaamheid wordt geleverd en dat, gezien de eerder beperkte overlading in functie van de maximaal toegelaten massa, het gebrek aan controlemogelijkheden om een eventuele overlading vast te stellen, en het niet betwiste feitelijk gegeven dat er geen sprake is van een lading, de bestuurder erop kon vertrouwen dat alles regelmatig verliep. De verzoekende partijen herhalen voorts dat de opgelegde bestraffing disproportioneel is in vergelijking met de vastgestelde feiten. Beoordeling 8. De ingeroepen middelen betreffen in wezen drie onderdelen van de bestreden beslissing: de vaststelling dat er sprake is van een “lading” en een “overlading”, de vaststelling van een schuldige nalatigheid in hoofde van de bestuurder, en het niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden en het niet verlenen van uitstel voor de tenuitvoerlegging van de straf. De verzoekende partijen bestrijden die beslissingen deels vanuit het oogpunt van de motivering ervan, deels op grond van inhoudelijke redenen. De Raad van State zal de middelen hieronder achtereenvolgens betrekken op de drie hiervoor genoemde onderdelen van de bestreden beslissing. XII-9036-6/14 De vaststelling dat er sprake is van een “lading” en een “overlading” 9. De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel aan dat de bestreden beslissing niet antwoordt op het middel dat de betonpompwagen niet “geladen” was, maar dat zich hoogstens betonresten in de slangen en buizen bevonden; dat die slangen en buizen integraal deel uitmaken van de betonpomp; dat een betonpompwagen helemaal geen “lading” vervoert; dat er dan ook van een “overlading” geen sprake kan zijn, temeer daar het voertuig beschikte over een vergunning voor uitzonderlijk vervoer. 10. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij ervan uitgaat dat er wel degelijk een “overlading” was, in die zin dat de massa op de grond onder één van de assen het toegestane maximum met meer dan 5 % overschreed (artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport) en de massa in beladen toestand de toegestane maxima overschreed (artikel 3, eerste lid, van het voornoemde decreet). Uit die motieven blijkt ook dat de verwerende partij aanneemt dat betonresten die zijn achtergebleven in de buizen en slangen van een betonpomp deel uitmaken van de “lading” van het voertuig en dus in aanmerking genomen moeten worden voor het bepalen of er “overlading” is geweest. Het blijkt aldus dat de bestreden beslissing impliciet, doch zeker, antwoordt op het verweermiddel dat de verzoekende partijen hebben aangevoerd, met name door hun verweer te verwerpen. In zoverre de verzoekende partijen aan die beslissing een gebrek aan antwoord op hun middel verwijten, mist het eerste middel feitelijke grondslag. De vaststelling van een schuldige nalatigheid in hoofde van de eerste verzoekende partij 11. In verband met de vaststelling in de bestreden beslissing dat het opzet in hoofde van de overtreder is bewezen, voeren de verzoekende partijen in het eerste middel aan dat zij voor de administrateur-generaal hadden aangevoerd dat de eerste verzoekende partij onmogelijk kon vaststellen dat er een “overlading” XII-9036-7/14 was; dat het moreel element van de inbreuk derhalve niet was aangetoond; dat het positief bewijs geleverd moest worden van het “bewustzijn” van de eerste verzoekende partij dat er sprake was van overlading. Zij verwijten aan de bestreden beslissing dat die geen afdoend antwoord bevat op die grieven. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden beslissing, in zoverre deze uitgaat van een verondersteld vermoeden van schuldige nalatigheid in hoofde van de eerste verzoekende partij, in strijd is met het vermoeden van onschuld. Zij voeren aan dat het aan de verwerende partij staat om het positief bewijs te leveren van de overtreding, en in het bijzonder van het feit dat de eerste verzoekende partij zich ervan bewust was dat er een overlading was. 12. In de bestreden beslissing wordt in verband met het middel van de verzoekende partijen dat de bestuurder de overlading onmogelijk kon vaststellen, als volgt geoordeeld: “In casu verwijzen de appellanten naar het gegeven dat het voertuig geladen was met slangen/buizen die niet ter plaatse kunnen gereinigd worden gezien de milieuvoorschriften. De chauffeur was op de hoogte van het risico op overlading doordat hij deze buizen niet ter plaatse kon spoelen. Wanneer hem geen middelen ter beschikking staan om de massa onder de assen na te gaan en er na een grondige (visuele) inspectie van zowel het voertuig als de (verdeling van

  1. de)lading, niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat er zich geen overlading onder één van de assen voordoet, komt het de normale, voorzichtige en redelijke chauffeur toe zich niet met het voertuig op de openbare weg te begeven; Door zich desondanks met het voertuig op de openbare weg te begeven heeft de overtreder een risico genomen; Hij die er zich immers weliswaar bewust van is dat zijn handelen of onthouding strafrechtelijk beschermde rechtsgoederen of rechtsbelangen kan schenden, doch erop vertrouwt –door een verkeerde inschatting van de situatie: ondoordachtheid, lichtzinnigheid of overmoed– dat deze mogelijke gevolgen –die hij niet wil– niet zullen intreden, handelt met bewuste culpa; Uit het voorgaande blijkt dan ook overduidelijk dat het gedrag van de overtreder in casu niet strookte met hetgeen van een normale, voorzichtige en redelijke chauffeur, geplaatst in dezelfde feitelijke omstandigheden, kan verwacht worden; Het opzet in hoofde van de overtreder is dan ook bewezen.” XII-9036-8/14 Aldus blijkt dat de verwerende partij het door de verzoekende partijen in het kader van de administratieve beroepsprocedure aangevoerde middel wel degelijk heeft onderzocht. Zij heeft dit middel ook uitdrukkelijk in haar besluitvorming betrokken. Uit de motieven blijkt immers dat de verwerende partij van oordeel is dat, als de bestuurder de massa onder de assen niet kan nagaan en hij niet met voldoende zekerheid kan aannemen dat zich geen overlading voordoet, hij zich niet met het voertuig op de openbare weg mag begeven. Door zich desondanks op de openbare weg te begeven, heeft de eerste verzoekende partij bewust een risico genomen, en dat gedrag strookt niet met hetgeen van een normale, voorzichtige en redelijke bestuurder verwacht kan worden. Die motivering is afdoende, in de zin dat zij de bestreden beslissing kan schragen. In zoverre de verzoekende partijen aan de bestreden beslissing een gebrek aan antwoord op hun middel verwijten, mist het eerste middel feitelijke grondslag. 13. Omtrent de door de verzoekende partijen in het tweede middel bekritiseerde vaststelling van een “schuldige nalatigheid”, dient ervan uitgegaan te worden dat voor het bestaan van een strafbaar feit steeds het bestaan vereist is van een materieel en van een moreel bestanddeel (zie Cass. 12 mei 1987, Arr.Cass. 1986-87, nr. 531). Evenwel dient eraan te worden herinnerd dat, wanneer de wet van de delictsomschrijving geen schuldvorm vermeldt, de schuld bestaat uit het feit dat de dader hetzij de inbreuk wetens en willens heeft gepleegd, hetzij onachtzaam handelde, tenzij de wetgever deze laatste schuldvorm heeft uitgesloten. In dit geval kan, zoals ook in de bestreden beslissing wordt overwogen, de schuld worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding, voor zover de overtreder geen grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aannemelijk maakt (Cass. 8 oktober 2002, P.01.1149.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14). Met betrekking tot bepalingen van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ‘houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto’s, hun XII-9036-9/14 aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen’, die te vergelijken zijn met de decreetsbepalingen waarop de tegen de verzoekende partijen genomen beslissing steunt, overwoog het Hof bovendien dat “die bepalingen inhouden dat eenieder die een voertuig gebruikt, zich ervan moet vergewissen dat het gewicht in beladen toestand ervan niet meer bedraagt dan het hoogst toegelaten gewicht […]; dat het verzuim daaraan te voldoen het opzet of de schuldige nalatigheid kan uitmaken vereist opdat het morele bestanddeel van het misdrijf zou bestaan” (Cass. 2 november 2004, P.04.0767.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8; zie ook Cass. 21 november 2018, P.18.0940.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181121.3). Nu de schuld voor een overtreding als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport kan bestaan in een loutere onachtzaamheid van de bestuurder, wordt in de bestreden beslissing derhalve terecht overwogen dat “de schuld [kan] worden afgeleid uit het materiële feit van de overtreding”, “[b]ehoudens wanneer de overtreder, met een zekere graad van geloofwaardigheid, de naleving van de voor hem geldende algemene zorgvuldigheidsplicht kan aantonen, door bijvoorbeeld met succes een grond van rechtvaardiging of enige andere schulduitsluitingsgrond aan te voeren”. Aangezien het aan de verwerende partij staat om het bestaan van het materiële feit van de overtreding te bewijzen, en pas nadat dit feit bewezen is daaruit het bestaan van het morele element van de overtreding kan worden afgeleid, is er op zich geen schending van het vermoeden van onschuld. 14. De verzoekende partijen betwisten niet het materiële feit van de overlading. Zij betwisten wel de vaststelling van een “schuldige nalatigheid” in hoofde van de eerste verzoekende partij. Zoals uit de hiervoor aangehaalde motieven van de bestreden beslissing blijkt, overweegt de verwerende partij dat het aan de bestuurder van een voertuig staat om de nodige voorzichtigheid aan de dag te leggen en de nodige maatregelen te nemen om een overladingsinbreuk te vermijden. Indien niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat zich geen overlading voordoet, dient een normaal voorzichtige en redelijke bestuurder zich niet met het voertuig XII-9036-10/14 op de openbare weg te begeven. Die overwegingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De verzoekende partijen kunnen zich hierbij niet verschuilen achter de argumentatie dat de bestuurder van het voertuig de beperkte overlading onmogelijk kon vaststellen omdat hij niet over de controlemogelijkheden beschikte om het precieze gewicht van het voertuig, ook onder de assen, na te gaan. Het staat aan de verzoekende partijen zich ervan te verzekeren dat na gebruik van de betonpomp op een werf de betonresten ter plaatse gelost kunnen worden en ook de buizen en leidingen ter plaatse gespoeld of gereinigd kunnen worden, met inachtneming van de geldende milieuvoorschriften. In zoverre de verzoekende partijen in het tweede middel aanvoeren dat in de bestreden beslissing niet wettig wordt vastgesteld dat de eerste verzoekende partij de algemene zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen, kan het middel niet worden aangenomen. Het niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden en het niet verlenen van uitstel voor de tenuitvoerlegging van de straf 15. In verband met het niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden en het niet verlenen van uitstel voor de tenuitvoerlegging van de straf, voeren de verzoekende partijen in het tweede middel aan dat de beslissing ter zake niet op afdoende wijze is gemotiveerd en dat de opgelegde straf daardoor disproportioneel is ten opzichte van de begane overtreding. 16. Binnen het kader van de decretale bepalingen, en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht van verdediging, oordeelt de verwerende partij vrij over het bedrag van de boete en het al dan niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden. Het uitgangspunt van de regelgeving is niet dat een overtreder sowieso recht heeft op de toepassing van verzachtende omstandigheden, doch daarentegen dat deze enkel in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden toegepast. Het is immers niet de bedoeling geweest van de decreetgever dat de verwerende partij de administratieve XII-9036-11/14 geldboetes systematisch zou verlagen onder het minimumbedrag bepaald in het decreet. 17. In de bestreden beslissing wordt overwogen dat “geen verzachtende omstandigheden [worden] aangereikt noch enige zaken waaruit blijkt dat overladingen in de toekomst zullen vermeden worden. Er zijn geen gronden om verzachtende omstandigheden aan te nemen noch om de gunst van het uitstel te verlenen”. In hun verzoekschrift tot hoger beroep tegen de beslissing van de wegeninspecteur-controleur voerden de verzoekende partijen aan dat uit de feiten waaruit zij afleidden dat hun geen nalatigheid kon worden verweten, “[m]instens” verzachtende omstandigheden konden worden afgeleid, die toelieten om de geldboete volledig met uitstel te verlenen. De overweging in de bestreden beslissing dat “geen” verzachtende omstandigheden worden aangereikt, moet dan ook zo begrepen worden dat geen andere omstandigheden worden aangevoerd dan die welke te maken hebben met de beweerde onmogelijkheid voor de eerste verzoekende partij om een overlading vast te stellen en om eventuele betonresten op de werf te verwijderen. Zoals hiervoor reeds is overwogen, steunt de verwerping van de beweerde onmogelijkheid op een afdoende motivering en is die beslissing ook wettig verantwoord. Hieruit volgt dat de bestreden beslissing ook wettig kon aannemen dat die beweerde onmogelijkheid geen grond opleverde voor het aannemen van verzachtende omstandigheden. Voor het overige betwisten de verzoekende partijen niet de vaststelling in de bestreden beslissing dat geen elementen werden aangereikt waaruit zou moeten blijken dat overladingen in de toekomst vermeden zullen worden. 18. Wat betreft de evenredigheid van de opgelegde boete, blijkt de verwerende partij het minimumbedrag van de door het decreet bijzonder wegtransport vastgelegde administratieve geldboete te hebben opgelegd. XII-9036-12/14 Voor het overige merkt de Raad van State op dat in de bestreden beslissing wordt overwogen “dat een overlading van meer dan 1000 kg op het totaal van de sleep bezwaarlijk een kleine overlading kan worden genoemd”. Mede in het licht van die overweging blijkt niet dat de opgelegde boete in een wanverhouding staat tot de vastgestelde feiten. In zoverre kan het tweede middel evenmin aangenomen worden. Conclusie 19. Om de redenen die hiervoor zijn aangehaald, kunnen het eerste en het tweede middel in hun geheel niet worden aangenomen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft, en een bijdrage van 20 euro. XII-9036-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Pierre Barra, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Paul Lemmens XII-9036-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.085 Gerelateerde publicatie(
  2. s)citeert: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021008.14 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041102.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181121.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.