id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.085 Rolnummer: A. 232789/XII-9036 Zaak: Arrest 253085 - Wegverkeer van goederen - 23/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-28 Raadplegingen: 225 - laatst gezien 2026-06-19 13:38 Fiche Arrest nr 253.085 van 23 februari 2022 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 253.085 van 23 februari 2022 in de zaak A. 232.789/XII-9036 In zake : 1. Nick D’HOOP 2. de BVBA DELAERE STORTBETON bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Donat Lambert kantoor houdend te 9030 Mariakerke (Gent) Mispelbilk 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST dat woonplaats kiest bij het agentschap Wegen en Verkeer gevestigd te 1000 Brussel Koning Albert II-laan 20, bus 4 I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 januari 2021, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer van 19 november 2020 waarbij aan Nick D’Hoop een administratieve geldboete van 1.200 euro wordt opgelegd en de bvba Delaere Stortbeton burgerrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van deze geldboete. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Thomas Maes heeft een verslag opgesteld. XII-9036-1/14 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIIde kamer bij beschikking van 4 november 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 25 januari 2022. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 11 december 2019 wordt een vrachtwagen met daarop gemonteerd een betonpomp, bestuurd door Nick D’Hoop, de eerste verzoekende partij en werknemer van de tweede verzoekende partij, door de Vlaamse Wegeninspectie gecontroleerd op de autosnelweg E403-A17 te Izegem. Volgens de verzoekende partijen was de betonpomp op weg van een werf naar het bedrijfsterrein van de tweede verzoekende partij. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het overladen is op de derde as met 690 kg en op de vierde as met 570 kg, en dat de maximaal toegelaten massa van het voertuig met 1.280 kg is overschreden. Er wordt een proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 7, § 1, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: decreet bijzonder wegtransport). XII-9036-2/14 3.2. Op 6 januari 2020 wordt het proces-verbaal bezorgd aan de bevoegde procureur des Konings met het verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 29 januari 2020 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging wordt ingesteld en dat de zaak verder administratief afgehandeld kan worden. 3.3. Op 17 maart 2020 beslist de wegeninspecteur-controleur om wegens een inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.200 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze administratieve geldboete. 3.4. Op 1 april 2020 tekenen de verzoekende partijen bezwaar aan tegen die beslissing. Gelet op de op dat ogenblik geldende COVID-19-maatregelen, vindt het horen van de verzoekende partijen schriftelijk plaats, waarbij zij verwijzen naar hun bezwaarschrift. Op 24 juli 2020 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.200 euro op te leggen en de tweede verzoekende partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. 3.5. Op 21 augustus 2020 stellen de verzoekende partijen tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse regering. Op 19 oktober 2020 heeft een digitale hoorzitting in beroep plaats, gelet op de op dat ogenblik nog steeds geldende COVID-19-maatregelen. Op 19 november 2020 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de eerste verzoekende partij een administratieve geldboete van 1.200 euro op te leggen en de tweede verzoekende XII-9036-3/14 partij burgerrechtelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van deze geldboete. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste en tweede middel, samen genomen Uiteenzetting van de middelen 4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel de schending aan van het motiveringsbeginsel. Zij voeren aan dat in de bestreden beslissing onvoldoende rekening wordt gehouden met de volgende verweermiddelen die zij voor de administrateur-generaal hebben ingeroepen: - het betrokken voertuig is een betonpompwagen die op het ogenblik van de vaststellingen niet was “geladen”; er is immers hoogstens sprake van betonresten, die niet op wettige wijze kunnen worden verwijderd dan op de bedrijfsterreinen van de tweede verzoekende partij; de slangen en buizen zijn onvermijdelijk aanwezig op de wagen en maken integraal deel uit van de betonpomp, die precies bedoeld is om het beton op een moeilijk te bereiken plaats af te leveren; een betonpompwagen is helemaal geen voertuig dat ladingen vervoert; er kan dan ook geen sprake zijn van een “overlading”, temeer daar het voertuig beschikt over een vergunning voor uitzonderlijk vervoer; - de bestuurder kon zonder de vereiste middelen onmogelijk een “overlading” vaststellen van 1.280 kg op een totaal gewicht van 35.000 kg; er is dan ook helemaal niet aangetoond dat het moreel element van de inbreuk aanwezig is; het positief bewijs dient geleverd te worden van het feit dat de bestuurder zich bewust was van de “overlading”; de overweging in de bestreden beslissing dat de bestuurder “moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de overlading” bevat geen afdoende motivering voor het verwerpen van de grief van de verzoekende partijen dat het bedoelde positief bewijs geleverd dient te worden. XII-9036-4/14 Voorts voeren zij aan dat de overweging dat de bestuurder “moet worden geacht op de hoogte te zijn geweest van de overlading” flagrant in strijd is met het vermoeden van onschuld van elke verdachte, temeer daar niet betwist wordt dat de eerste verzoekende partij niet over de vereiste middelen beschikte om de mogelijke “overlading” vast te stellen. 5. De verzoekende partijen voeren in een tweede middel de schending aan van het vermoeden van onschuld, het proportionaliteitsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. Zij betogen in de eerste plaats dat er onmogelijk kan worden uitgegaan van veronderstelde vermoedens van schuldige nalatigheid in hoofde van de bestuurder, minstens dat niet wordt vastgesteld dat deze in de gegeven omstandigheden de algemene zorgvuldigheidsplicht niet is nagekomen. Het behoort aan de overheid die de vaststellingen doet en de straffen oplegt, om het positief bewijs te leveren van de beweerde begane overtreding. In elk geval, zo vervolgen zij, is de opgelegde straf in de bestreden beslissing disproportioneel in verhouding tot de vastgestelde feiten. Zij betwisten dat in casu geen verzachtende omstandigheden werden aangereikt: zo hebben zij erop gewezen dat er geen mogelijkheden bestonden voor de bestuurder om de betonpompwagen na te zien op een eventuele “overlading”, terwijl de vastgestelde “overlading” van een beperkte aard is in vergelijking met het totale gewicht van de vrachtwagen. Tevens hebben zij uitdrukkelijk gevraagd om een straf met uitstel te willen verlenen, welke vraag niet, minstens niet op afdoende gemotiveerde wijze wordt afgewezen. Er is volgens hen ook duidelijk sprake van een miskenning van het redelijkheidsbeginsel. 6. In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen dat de beslissing niet correct en afdoende gemotiveerd is wat de toepasselijkheid van de relevante wetgeving en het vereiste bewijs van het moreel element van de inbreuk betreft. In de eerste plaats herhalen zij dat er geen sprake is van overlading, nu de betrokken vrachtwagen een werktuig is dat ter plaatse komt om het door andere vrachtwagens aangevoerde beton via een buizenstelsel af te XII-9036-5/14 leveren op moeilijk bereikbare plaatsen, en niet een “vervoermiddel” in de zin van de toegepaste wetgeving. Voorts menen zij dat de bestuurder, gelet op de vergunning voor uitzonderlijk vervoer, er mocht van uitgaan dat het voertuig voldeed aan alle wettelijke vereisten om zich op de openbare weg te begeven. 7. In hun laatste memorie benadrukken de verzoekende partijen dat het moreel element wel degelijk dient te worden beoordeeld vanuit het standpunt van de bestuurder en dat het aan de betrokken overheid toekomt om daarvan het positief bewijs te leveren. Hierbij kan volgens hen niet worden uitgegaan van veronderstelde vermoedens van schuldige nalatigheid in hoofde van de bestuurder. Zij herhalen dat geen bewijs van onachtzaamheid wordt geleverd en dat, gezien de eerder beperkte overlading in functie van de maximaal toegelaten massa, het gebrek aan controlemogelijkheden om een eventuele overlading vast te stellen, en het niet betwiste feitelijk gegeven dat er geen sprake is van een lading, de bestuurder erop kon vertrouwen dat alles regelmatig verliep. De verzoekende partijen herhalen voorts dat de opgelegde bestraffing disproportioneel is in vergelijking met de vastgestelde feiten. Beoordeling 8. De ingeroepen middelen betreffen in wezen drie onderdelen van de bestreden beslissing: de vaststelling dat er sprake is van een “lading” en een “overlading”, de vaststelling van een schuldige nalatigheid in hoofde van de bestuurder, en het niet in aanmerking nemen van verzachtende omstandigheden en het niet verlenen van uitstel voor de tenuitvoerlegging van de straf. De verzoekende partijen bestrijden die beslissingen deels vanuit het oogpunt van de motivering ervan, deels op grond van inhoudelijke redenen. De Raad van State zal de middelen hieronder achtereenvolgens betrekken op de drie hiervoor genoemde onderdelen van de bestreden beslissing. XII-9036-6/14 De vaststelling dat er sprake is van een “lading” en een “overlading” 9. De verzoekende partijen voeren in hun eerste middel aan dat de bestreden beslissing niet antwoordt op het middel dat de betonpompwagen niet “geladen” was, maar dat zich hoogstens betonresten in de slangen en buizen bevonden; dat die slangen en buizen integraal deel uitmaken van de betonpomp; dat een betonpompwagen helemaal geen “lading” vervoert; dat er dan ook van een “overlading” geen sprake kan zijn, temeer daar het voertuig beschikte over een vergunning voor uitzonderlijk vervoer. 10. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij ervan uitgaat dat er wel degelijk een “overlading” was, in die zin dat de massa op de grond onder één van de assen het toegestane maximum met meer dan 5 % overschreed (artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport) en de massa in beladen toestand de toegestane maxima overschreed (artikel 3, eerste lid, van het voornoemde decreet). Uit die motieven blijkt ook dat de verwerende partij aanneemt dat betonresten die zijn achtergebleven in de buizen en slangen van een betonpomp deel uitmaken van de “lading” van het voertuig en dus in aanmerking genomen moeten worden voor het bepalen of er “overlading” is geweest. Het blijkt aldus dat de bestreden beslissing impliciet, doch zeker, antwoordt op het verweermiddel dat de verzoekende partijen hebben aangevoerd, met name door hun verweer te verwerpen. In zoverre de verzoekende partijen aan die beslissing een gebrek aan antwoord op hun middel verwijten, mist het eerste middel feitelijke grondslag. De vaststelling van een schuldige nalatigheid in hoofde van de eerste verzoekende partij 11. In verband met de vaststelling in de bestreden beslissing dat het opzet in hoofde van de overtreder is bewezen, voeren de verzoekende partijen in het eerste middel aan dat zij voor de administrateur-generaal hadden aangevoerd dat de eerste verzoekende partij onmogelijk kon vaststellen dat er een “overlading” XII-9036-7/14 was; dat het moreel element van de inbreuk derhalve niet was aangetoond; dat het positief bewijs geleverd moest worden van het “bewustzijn” van de eerste verzoekende partij dat er sprake was van overlading. Zij verwijten aan de bestreden beslissing dat die geen afdoend antwoord bevat op die grieven. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden beslissing, in zoverre deze uitgaat van een verondersteld vermoeden van schuldige nalatigheid in hoofde van de eerste verzoekende partij, in strijd is met het vermoeden van onschuld. Zij voeren aan dat het aan de verwerende partij staat om het positief bewijs te leveren van de overtreding, en in het bijzonder van het feit dat de eerste verzoekende partij zich ervan bewust was dat er een overlading was. 12. In de bestreden beslissing wordt in verband met het middel van de verzoekende partijen dat de bestuurder de overlading onmogelijk kon vaststellen, als volgt geoordeeld: “In casu verwijzen de appellanten naar het gegeven dat het voertuig geladen was met slangen/buizen die niet ter plaatse kunnen gereinigd worden gezien de milieuvoorschriften. De chauffeur was op de hoogte van het risico op overlading doordat hij deze buizen niet ter plaatse kon spoelen. Wanneer hem geen middelen ter beschikking staan om de massa onder de assen na te gaan en er na een grondige (visuele) inspectie van zowel het voertuig als de (verdeling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.