id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.093 Rolnummer: A. 235661/VII-41304 Zaak: Arrest 253093 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:22 Fiche Arrest nr 253.093 van 24 februari 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.093 van 24 februari 2022 in de zaak A. 235.661/VII-41.304 In zake: 1. de VZW LEGAL HEARTS 2. Lien BOGAERT 3. Steve MEEUSEN 4. Cindy LAMBERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Geerts kantoor houdend te 2140 Antwerpen L. Van Berckenlaan 190, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie-Julie Put kantoor houdend te 3500 Hasselt Kuringersteenweg 304, bus 1 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel, Anneleen Van De Meulebroucke en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 februari 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- Besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2022 tot wijziging van artikel 2, 3, 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2021 tot uitvoering van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid […]; VII-41.304-1/18 - Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2021 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2021 tot uitvoering van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van artikel 2 van het decreet van 24 december 2021 tot wijziging van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot verlenging van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van het centrale contactonderzoek door een samenwerkingsverband van externe partners, het lokale contactonderzoek door lokale besturen of zorgraden en tot organisatie van de COVID-19-teams in het kader van COVID-19 […]”. De verzoekende partijen vorderen tevens “bij wijze van voorlopige maatregel” dat aan de verwerende partij zou worden bevolen “binnen een termijn van 5 dagen na uitspraak van het arrest” om “maatregelen te nemen” teneinde: “- een uitzondering op de verplichte quarantaine na [een] [hoogrisicocontact] (‘tijdelijke afzondering’ in de zin van artikel 47/1§3 van het preventiedecreet) te voorzien op grond van artikel 47/1§ 3, derde lid, 2° van het Preventiedecreet, voor scholieren (12-18 jarigen) in de zin dat scholieren, ongeacht hun vaccinatiestatus, de quarantaine (‘tijdelijke afzondering’) mogen verlaten om naar school te gaan; - de rechten op vlak van privacy en gegevensbescherming te beschermen in de zin dat niet gevaccineerde personen in quarantaine (‘tijdelijke afzondering’ in de zin van artikel 47/1§3 van het preventiedecreet) niet worden gedwongen om hun vaccinatiestatus bekend te maken; - de rechten van personen in quarantaine (‘tijdelijke afzondering’ in de zin van artikel 47/1§3 van het preventiedecreet) beter te waarborgen op vlak van loon en arbeid, in de zin dat quarantaine gelijkgesteld wordt met ziekte (en dus gewaarborgd loon) of minstens dat voorzien wordt in een volwaardig vervangingsinkomen ongeacht het statuut van werknemer, ambtenaar of zelfstandige, minstens in de sectoren - zoals onderwijs - waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2022, om 10.00 uur. VII-41.304-2/18 Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Geerts, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Bart Martel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. De gegevens van de zaak 3.1. De verzoekende partijen geven allen aan dat zij niet ingeënt zijn tegen COVID-19. 3.2. Met het decreet van 18 december 2020 ‘tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-19’ wordt - onder meer - een artikel 47/1 ingevoegd in het preventiedecreet dat de gevallen bepaalt waarin personen van wie bewezen is dat zij besmet zijn met COVID-19 of van wie de arts een ernstig vermoeden heeft van besmetting, personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest en andere personen die een verhoogd risico hebben op COVID-19 in tijdelijke afzondering moeten gaan, hetzij op hun hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. VII-41.304-3/18 Thans luidt artikel 47/1 van het preventiedecreet: “§ 1. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere persoon van wie bewezen is dat hij besmet is met COVID-19 of van wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat hij besmet is met COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de besmettelijkheid van COVID-19. § 2. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere persoon die in een hoogrisicogebied is geweest, onmiddellijk bij zijn aankomst in het Nederlandse taalgebied in tijdelijke afzondering, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. De persoon, vermeld in het eerste lid, is verplicht om zich op een door de Vlaamse Regering bepaald moment na zijn aankomst te melden bij een COVID-19-testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts met de mededeling dat hij in een hoogrisicogebied is geweest, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering kan bepalen of en wanneer die persoon zich opnieuw bij een COVID-19-test-centrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts moet melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt: 1° de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-19; 2° de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder een tijdelijke opheffing van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, kan gelden. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met het noodzakelijke karakter van de activiteit en het risico op een verdere verspreiding van COVID-19. De termijn van tijdelijke afzondering loopt af als uit een onderzoek blijkt dat de persoon geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat een vrijstelling van de tijdelijke afzondering of van de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, geldt voor: 1° een persoon die maar voor een beperkte duur in een hoogrisicogebied is geweest of een persoon die maar voor een beperkte duur in België verblijft; 2° een persoon bij wie de kans op besmetting in een hoogrisicogebied laag wordt ingeschat; 3° een persoon die om essentiële redenen in een hoogrisicogebied is geweest of om essentiële redenen vanuit een hoogrisicogebied naar het Nederlandse taalgebied komt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels van die afwijking, bepaalt wat onder beperkte duur wordt verstaan en bepaalt de manier waarop de kans op besmetting wordt ingeschat, en legt vast welke categorieën van personen VII-41.304-4/18 worden beschouwd als personen die om essentiële redenen naar een hoogrisicogebied gaan of die om essentiële redenen van daaruit naar het Nederlandse taalgebied komen en voor wie de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, of de verplichting om zich bij een COVID-19- testcentrum, een triagecentrum of de behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, niet geldt. In deze paragraaf wordt verstaan onder hoogrisicogebied: een gebied dat de bevoegde federale dienst heeft aangeduid als een gebied met een zeer hoog risico op besmetting met COVID-19. De Vlaamse Regering kan binnen de categorie van hoogrisicogebieden subcategorieën onderscheiden op basis van de wetenschappelijke inzichten over het SARS-CoV-2-virus. § 3. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere andere persoon dan de personen, vermeld in paragraaf 1 en 2, die na een contact met een persoon als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een verhoogd risico heeft op COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering als hij op de hoogte is gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere aangepaste plaats. De persoon, vermeld in het eerste lid, is verplicht om zich op een door de Vlaamse Regering bepaald moment nadat hij kennis heeft genomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID- 19, te melden bij een COVID-19-testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering kan bepalen of en wanneer die persoon zich opnieuw bij een COVID-19- testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts moet melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt: 1° de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-19; 2° de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder een tijdelijke opheffing van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, kan gelden. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met het noodzakelijke karakter van de activiteit en het risico op een verdere verspreiding van COVID-19. De termijn van tijdelijke afzondering loopt af als uit een onderzoek blijkt dat de persoon geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. De Vlaamse Regering bepaalt nader op welke manier de persoon, vermeld in het eerste lid, op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19. Het verhoogde risico op COVID-19, vermeld in het eerste lid, wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld op basis van de richtlijnen van de bevoegde federale dienst. In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat er een vrijstelling geldt van de tijdelijke afzondering of van de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, voor een persoon bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat. De Vlaamse VII-41.304-5/18 Regering bepaalt de nadere regels van die afwijking en bepaalt de manier waarop de kans op besmetting wordt ingeschat. § 4. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, en van paragraaf 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering op basis van wetenschappelijke inzichten bepalen dat de tijdelijke afzondering of de verplichting om zich bij een COVID-19- testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, en in paragraaf 3, tweede lid, niet geldt voor personen die behoren tot een leeftijdscategorie die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering bepaalt ook de voorwaarden waaronder die afwijking geldt”. 3.3. Aan die bepaling is - thans - uitvoering gegeven met het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2021 ‘tot uitvoering van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid’ (hierna: het quarantainebesluit). Meer in het bijzonder zijn, in het licht van de nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering, de volgende bepalingen relevant: artikel 2, § 1, vierde lid, en artikel 6, § 2. Deze bepalingen luidden in de oorspronkelijke versie van het quarantainebesluit - dit is voor de periode van 29 juni 2021 tot 29 december 2021 - als volgt: - artikel 2, § 1, vierde lid: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, duurt tien dagen vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, tenzij de persoon een negatieve COVID-19-test heeft ondergaan vanaf de zevende dag van die tijdelijke afzondering”, - artikel 6, § 2: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, geldt niet voor personen bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat omdat ze kunnen aantonen dat ze tegen COVID-19 zijn ingeënt en op dag 1 een PCR-test met VII-41.304-6/18 een negatief resultaat wordt afgenomen, met tijdelijke afzondering tot het testresultaat bekend is, tenzij het gaat om een cluster van besmettingen in: 1° een residentiële zorgcollectiviteit; 2° een andere collectiviteit dan die waar kinderen en jongeren worden opgevangen; 3° een bedrijf waar met een PCR-test werd bevestigd dat personen die tegen COVID-19 zijn ingeënt met COVID-19 zijn besmet. Personen zijn tegen COVID-19 ingeënt als vermeld in het eerste lid als ze meer dan twee weken zijn gevaccineerd met twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist, als ze meer dan twee weken zijn gevaccineerd met een vaccin waarvan slechts een dosis is vereist of als ze, nadat ze eerder met COVID-19 waren besmet, meer dan twee weken zijn gevaccineerd met een dosis van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist. Het vaccin moet zijn goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap”. 3.4. Het tweede bestreden besluit wijzigt onder meer de voormelde bepalingen en wel in de volgende mate - en voor de periode van 30 december 2021 tot 3 februari 2022 -: - artikel 2, § 1, vierde lid: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, duurt tien dagen vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, tenzij de persoon aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 1° hij is niet ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, derde lid, van dit besluit en heeft een negatieve PCR-test ondergaan vanaf de zevende dag van die tijdelijke afzondering; 2° hij is ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, derde lid, van dit besluit en heeft een negatieve PCR-test ondergaan vanaf de vijfde dag van die tijdelijke afzondering en bij een dagelijkse negatieve zelftest vanaf de vierde dag tot het negatieve resultaat van de PCR-test”, - artikel 6, § 2: “Een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, die niet is ingeënt tegen COVID-19, is verplicht om onmiddellijk nadat hij heeft kennisgenomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, zich te melden conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan, VII-41.304-7/18 en om zich op de zevende dag van de tijdelijke afzondering opnieuw te melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. Een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, die is ingeënt tegen COVID-19, is verplicht om op de vijfde dag van de tijdelijke afzondering conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, zich te melden, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder ingeënt tegen COVID-19: de persoon is meer dan twee weken gevaccineerd met twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist of is meer dan twee weken gevaccineerd met een vaccin waarvan maar een dosis is vereist. Het vaccin moet goedgekeurd zijn door het Europees Geneesmiddelenagentschap of Covishield® zijn”. 3.5. Met het eerste bestreden besluit worden de voormelde bepalingen andermaal - en met ingang van 4 februari 2022 - gewijzigd. Thans luiden deze bepalingen: - artikel 2, § 1, vierde lid: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, duurt tien dagen vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, tenzij de persoon aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 1° hij is niet deels of volledig ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, vierde en vijfde lid, van dit besluit en heeft een negatieve PCR-test ondergaan vanaf de zevende dag van die tijdelijke afzondering; 2° hij is deels ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, vierde lid, van dit besluit en heeft een dagelijkse negatieve zelftest vanaf de vierde dag”, - artikel 6, § 2: “Een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, die niet deels of volledig is ingeënt tegen COVID-19, is verplicht om onmiddellijk nadat hij heeft kennisgenomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, zich te melden conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, zodat hij een COVID-19- test kan ondergaan, en om zich op de zevende dag van de tijdelijke afzondering opnieuw te melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, geldt niet voor personen die geen symptomen van VII-41.304-8/18 COVID-19 hebben en bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat omdat ze kunnen aantonen dat ze volledig zijn ingeënt tegen COVID-19 met een vaccin dat is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap of Covishield®, tenzij de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, van het voormelde decreet, in specifieke omstandigheden anders oordelen. De verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, geldt niet voor personen die geen symptomen van COVID-19 hebben en bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat omdat ze kunnen aantonen dat ze deels of volledig zijn ingeënt tegen COVID-19 met een vaccin dat is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap of Covishield®, tenzij de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, van het voormelde decreet, in specifieke omstandigheden anders oordelen. In het eerste en het derde lid wordt verstaan onder deels ingeënt tegen COVID-19: een persoon die achttien jaar of ouder is en langer dan vijf maanden is gevaccineerd met: 1° twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist; 2° een vaccin waarvan maar een dosis is vereist. In het eerste tot en met het derde lid wordt verstaan onder volledig ingeënt tegen COVID-19: 1° een persoon die twaalf tot zeventien jaar is en meer dan twee weken is gevaccineerd met:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.