← België

Arrest 253093 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/02/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.093 Rolnummer: A. 235661/VII-41304 Zaak: Arrest 253093 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 24/02/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-02-24 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:22 Fiche Arrest nr 253.093 van 24 februari 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.093 van 24 februari 2022 in de zaak A. 235.661/VII-41.304 In zake: 1. de VZW LEGAL HEARTS 2. Lien BOGAERT 3. Steve MEEUSEN 4. Cindy LAMBERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Geerts kantoor houdend te 2140 Antwerpen L. Van Berckenlaan 190, bus 6 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie-Julie Put kantoor houdend te 3500 Hasselt Kuringersteenweg 304, bus 1 tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel, Anneleen Van De Meulebroucke en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 11 februari 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van: “- Besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2022 tot wijziging van artikel 2, 3, 4 en 6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2021 tot uitvoering van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid […]; VII-41.304-1/18 - Besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 2021 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2021 tot uitvoering van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van artikel 2 van het decreet van 24 december 2021 tot wijziging van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en tot verlenging van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van het centrale contactonderzoek door een samenwerkingsverband van externe partners, het lokale contactonderzoek door lokale besturen of zorgraden en tot organisatie van de COVID-19-teams in het kader van COVID-19 […]”. De verzoekende partijen vorderen tevens “bij wijze van voorlopige maatregel” dat aan de verwerende partij zou worden bevolen “binnen een termijn van 5 dagen na uitspraak van het arrest” om “maatregelen te nemen” teneinde: “- een uitzondering op de verplichte quarantaine na [een] [hoogrisicocontact] (‘tijdelijke afzondering’ in de zin van artikel 47/1§3 van het preventiedecreet) te voorzien op grond van artikel 47/1§ 3, derde lid, 2° van het Preventiedecreet, voor scholieren (12-18 jarigen) in de zin dat scholieren, ongeacht hun vaccinatiestatus, de quarantaine (‘tijdelijke afzondering’) mogen verlaten om naar school te gaan; - de rechten op vlak van privacy en gegevensbescherming te beschermen in de zin dat niet gevaccineerde personen in quarantaine (‘tijdelijke afzondering’ in de zin van artikel 47/1§3 van het preventiedecreet) niet worden gedwongen om hun vaccinatiestatus bekend te maken; - de rechten van personen in quarantaine (‘tijdelijke afzondering’ in de zin van artikel 47/1§3 van het preventiedecreet) beter te waarborgen op vlak van loon en arbeid, in de zin dat quarantaine gelijkgesteld wordt met ziekte (en dus gewaarborgd loon) of minstens dat voorzien wordt in een volwaardig vervangingsinkomen ongeacht het statuut van werknemer, ambtenaar of zelfstandige, minstens in de sectoren - zoals onderwijs - waarvoor de Vlaamse Gemeenschap bevoegd is”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 februari 2022, om 10.00 uur. VII-41.304-2/18 Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Geerts, die verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Bart Martel, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. De gegevens van de zaak 3.1. De verzoekende partijen geven allen aan dat zij niet ingeënt zijn tegen COVID-19. 3.2. Met het decreet van 18 december 2020 ‘tot wijziging van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid en van het decreet van 29 mei 2020 tot organisatie van de meldingsplicht en het contactonderzoek in het kader van COVID-19’ wordt - onder meer - een artikel 47/1 ingevoegd in het preventiedecreet dat de gevallen bepaalt waarin personen van wie bewezen is dat zij besmet zijn met COVID-19 of van wie de arts een ernstig vermoeden heeft van besmetting, personen die in een hoogrisicogebied zijn geweest en andere personen die een verhoogd risico hebben op COVID-19 in tijdelijke afzondering moeten gaan, hetzij op hun hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. VII-41.304-3/18 Thans luidt artikel 47/1 van het preventiedecreet: “§ 1. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere persoon van wie bewezen is dat hij besmet is met COVID-19 of van wie de arts een ernstig vermoeden heeft dat hij besmet is met COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de besmettelijkheid van COVID-19. § 2. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere persoon die in een hoogrisicogebied is geweest, onmiddellijk bij zijn aankomst in het Nederlandse taalgebied in tijdelijke afzondering, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere gepaste plaats. De persoon, vermeld in het eerste lid, is verplicht om zich op een door de Vlaamse Regering bepaald moment na zijn aankomst te melden bij een COVID-19-testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts met de mededeling dat hij in een hoogrisicogebied is geweest, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering kan bepalen of en wanneer die persoon zich opnieuw bij een COVID-19-test-centrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts moet melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt: 1° de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-19; 2° de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder een tijdelijke opheffing van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, kan gelden. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met het noodzakelijke karakter van de activiteit en het risico op een verdere verspreiding van COVID-19. De termijn van tijdelijke afzondering loopt af als uit een onderzoek blijkt dat de persoon geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat een vrijstelling van de tijdelijke afzondering of van de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, geldt voor: 1° een persoon die maar voor een beperkte duur in een hoogrisicogebied is geweest of een persoon die maar voor een beperkte duur in België verblijft; 2° een persoon bij wie de kans op besmetting in een hoogrisicogebied laag wordt ingeschat; 3° een persoon die om essentiële redenen in een hoogrisicogebied is geweest of om essentiële redenen vanuit een hoogrisicogebied naar het Nederlandse taalgebied komt. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels van die afwijking, bepaalt wat onder beperkte duur wordt verstaan en bepaalt de manier waarop de kans op besmetting wordt ingeschat, en legt vast welke categorieën van personen VII-41.304-4/18 worden beschouwd als personen die om essentiële redenen naar een hoogrisicogebied gaan of die om essentiële redenen van daaruit naar het Nederlandse taalgebied komen en voor wie de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, of de verplichting om zich bij een COVID-19- testcentrum, een triagecentrum of de behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, niet geldt. In deze paragraaf wordt verstaan onder hoogrisicogebied: een gebied dat de bevoegde federale dienst heeft aangeduid als een gebied met een zeer hoog risico op besmetting met COVID-19. De Vlaamse Regering kan binnen de categorie van hoogrisicogebieden subcategorieën onderscheiden op basis van de wetenschappelijke inzichten over het SARS-CoV-2-virus. § 3. In afwijking van artikel 47, § 1, 1°, gaat iedere andere persoon dan de personen, vermeld in paragraaf 1 en 2, die na een contact met een persoon als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een verhoogd risico heeft op COVID-19, onmiddellijk in tijdelijke afzondering als hij op de hoogte is gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, hetzij op zijn hoofdverblijfplaats, hetzij op een andere aangepaste plaats. De persoon, vermeld in het eerste lid, is verplicht om zich op een door de Vlaamse Regering bepaald moment nadat hij kennis heeft genomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID- 19, te melden bij een COVID-19-testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering kan bepalen of en wanneer die persoon zich opnieuw bij een COVID-19- testcentrum, bij een triagecentrum of bij zijn behandelend arts moet melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. De Vlaamse Regering bepaalt: 1° de termijn van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, op basis van de wetenschappelijke inzichten over de incubatietijd van COVID-19; 2° de activiteiten waarvoor en de voorwaarden waaronder een tijdelijke opheffing van de tijdelijke afzondering, vermeld in het eerste lid, kan gelden. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met het noodzakelijke karakter van de activiteit en het risico op een verdere verspreiding van COVID-19. De termijn van tijdelijke afzondering loopt af als uit een onderzoek blijkt dat de persoon geen gevaar vormt voor de volksgezondheid. De Vlaamse Regering bepaalt nader op welke manier de persoon, vermeld in het eerste lid, op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19. Het verhoogde risico op COVID-19, vermeld in het eerste lid, wordt door de Vlaamse Regering vastgesteld op basis van de richtlijnen van de bevoegde federale dienst. In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering bepalen dat er een vrijstelling geldt van de tijdelijke afzondering of van de verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in het tweede lid, voor een persoon bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat. De Vlaamse VII-41.304-5/18 Regering bepaalt de nadere regels van die afwijking en bepaalt de manier waarop de kans op besmetting wordt ingeschat. § 4. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, en van paragraaf 3, eerste lid, kan de Vlaamse Regering op basis van wetenschappelijke inzichten bepalen dat de tijdelijke afzondering of de verplichting om zich bij een COVID-19- testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, en in paragraaf 3, tweede lid, niet geldt voor personen die behoren tot een leeftijdscategorie die de Vlaamse Regering bepaalt. De Vlaamse Regering bepaalt ook de voorwaarden waaronder die afwijking geldt”. 3.3. Aan die bepaling is - thans - uitvoering gegeven met het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2021 ‘tot uitvoering van artikel 47/1 van het decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid’ (hierna: het quarantainebesluit). Meer in het bijzonder zijn, in het licht van de nadere omschrijving van het voorwerp van de vordering, de volgende bepalingen relevant: artikel 2, § 1, vierde lid, en artikel 6, § 2. Deze bepalingen luidden in de oorspronkelijke versie van het quarantainebesluit - dit is voor de periode van 29 juni 2021 tot 29 december 2021 - als volgt: - artikel 2, § 1, vierde lid: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, duurt tien dagen vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, tenzij de persoon een negatieve COVID-19-test heeft ondergaan vanaf de zevende dag van die tijdelijke afzondering”, - artikel 6, § 2: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, geldt niet voor personen bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat omdat ze kunnen aantonen dat ze tegen COVID-19 zijn ingeënt en op dag 1 een PCR-test met VII-41.304-6/18 een negatief resultaat wordt afgenomen, met tijdelijke afzondering tot het testresultaat bekend is, tenzij het gaat om een cluster van besmettingen in: 1° een residentiële zorgcollectiviteit; 2° een andere collectiviteit dan die waar kinderen en jongeren worden opgevangen; 3° een bedrijf waar met een PCR-test werd bevestigd dat personen die tegen COVID-19 zijn ingeënt met COVID-19 zijn besmet. Personen zijn tegen COVID-19 ingeënt als vermeld in het eerste lid als ze meer dan twee weken zijn gevaccineerd met twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist, als ze meer dan twee weken zijn gevaccineerd met een vaccin waarvan slechts een dosis is vereist of als ze, nadat ze eerder met COVID-19 waren besmet, meer dan twee weken zijn gevaccineerd met een dosis van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist. Het vaccin moet zijn goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap”. 3.4. Het tweede bestreden besluit wijzigt onder meer de voormelde bepalingen en wel in de volgende mate - en voor de periode van 30 december 2021 tot 3 februari 2022 -: - artikel 2, § 1, vierde lid: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, duurt tien dagen vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, tenzij de persoon aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 1° hij is niet ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, derde lid, van dit besluit en heeft een negatieve PCR-test ondergaan vanaf de zevende dag van die tijdelijke afzondering; 2° hij is ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, derde lid, van dit besluit en heeft een negatieve PCR-test ondergaan vanaf de vijfde dag van die tijdelijke afzondering en bij een dagelijkse negatieve zelftest vanaf de vierde dag tot het negatieve resultaat van de PCR-test”, - artikel 6, § 2: “Een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, die niet is ingeënt tegen COVID-19, is verplicht om onmiddellijk nadat hij heeft kennisgenomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, zich te melden conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan, VII-41.304-7/18 en om zich op de zevende dag van de tijdelijke afzondering opnieuw te melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. Een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, die is ingeënt tegen COVID-19, is verplicht om op de vijfde dag van de tijdelijke afzondering conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, zich te melden, zodat hij een COVID-19-test kan ondergaan. In het eerste en tweede lid wordt verstaan onder ingeënt tegen COVID-19: de persoon is meer dan twee weken gevaccineerd met twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist of is meer dan twee weken gevaccineerd met een vaccin waarvan maar een dosis is vereist. Het vaccin moet goedgekeurd zijn door het Europees Geneesmiddelenagentschap of Covishield® zijn”. 3.5. Met het eerste bestreden besluit worden de voormelde bepalingen andermaal - en met ingang van 4 februari 2022 - gewijzigd. Thans luiden deze bepalingen: - artikel 2, § 1, vierde lid: “De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, duurt tien dagen vanaf het laatste contact dat heeft geleid tot een verhoogd risico op COVID-19, tenzij de persoon aan een van de volgende voorwaarden voldoet: 1° hij is niet deels of volledig ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, vierde en vijfde lid, van dit besluit en heeft een negatieve PCR-test ondergaan vanaf de zevende dag van die tijdelijke afzondering; 2° hij is deels ingeënt als vermeld in artikel 6, § 2, vierde lid, van dit besluit en heeft een dagelijkse negatieve zelftest vanaf de vierde dag”, - artikel 6, § 2: “Een persoon als vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 november 2003, die niet deels of volledig is ingeënt tegen COVID-19, is verplicht om onmiddellijk nadat hij heeft kennisgenomen van het feit dat hij een verhoogd risico heeft op COVID-19, zich te melden conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, zodat hij een COVID-19- test kan ondergaan, en om zich op de zevende dag van de tijdelijke afzondering opnieuw te melden, zodat hij nog een COVID-19-test kan ondergaan. De tijdelijke afzondering, vermeld in artikel 47/1, § 3, eerste lid, van het voormelde decreet, geldt niet voor personen die geen symptomen van VII-41.304-8/18 COVID-19 hebben en bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat omdat ze kunnen aantonen dat ze volledig zijn ingeënt tegen COVID-19 met een vaccin dat is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap of Covishield®, tenzij de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, van het voormelde decreet, in specifieke omstandigheden anders oordelen. De verplichting om zich bij een COVID-19-testcentrum, triagecentrum of behandelend arts te melden conform artikel 47/1, § 3, tweede lid, van het voormelde decreet, geldt niet voor personen die geen symptomen van COVID-19 hebben en bij wie de kans op besmetting na een hoogrisicocontact laag wordt ingeschat omdat ze kunnen aantonen dat ze deels of volledig zijn ingeënt tegen COVID-19 met een vaccin dat is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap of Covishield®, tenzij de ambtenaren-artsen en de ambtenaren, vermeld in artikel 44, § 3, 2° en 3°, van het voormelde decreet, in specifieke omstandigheden anders oordelen. In het eerste en het derde lid wordt verstaan onder deels ingeënt tegen COVID-19: een persoon die achttien jaar of ouder is en langer dan vijf maanden is gevaccineerd met: 1° twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist; 2° een vaccin waarvan maar een dosis is vereist. In het eerste tot en met het derde lid wordt verstaan onder volledig ingeënt tegen COVID-19: 1° een persoon die twaalf tot zeventien jaar is en meer dan twee weken is gevaccineerd met:

  1. a)twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist;
  2. b)een vaccin waarvan maar een dosis is vereist; 2° een persoon die achttien jaar of ouder is en meer dan twee weken maar niet langer dan vijf maanden is gevaccineerd met:
  3. a)twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist;
  4. b)een vaccin waarvan maar een dosis is vereist; 3° een persoon die achttien jaar of ouder is en is gevaccineerd met:
  5. a)twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist en een boostervaccin;
  6. b)een vaccin waarvan maar een dosis is vereist en een boostervaccin; 4° een persoon die achttien jaar of ouder is, niet langer dan vijf maanden beschikt over een herstelcertificaat en is gevaccineerd met:
  7. a)twee doses van een vaccin waarvan twee doses zijn vereist;
  8. b)een vaccin waarvan maar een dosis is vereist”. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst VII-41.304-9/18 dringende noodzakelijkheid of tot het bevelen van andere voorlopige maatregelen slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Er kan geen rekening worden gehouden met wat over deze voorwaarden eventueel in latere stukken of op de terechtzitting nog wordt aangevoerd. De verwerende partij kan immers daarop niet meer doeltreffend reageren in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de verzoekende partijen 5. Ter staving van de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering wijzen de verzoekende partijen op een reeks van ‘nadelen’ die zij ondervinden als gevolg van de tenuitvoerlegging van de door hen bestreden besluiten. 6. Een eerste nadeel situeren de verzoekende partijen op het “vlak van persoonlijke vrijheid en bescherming van fundamentele rechten”. Zij betogen dat zij “[o]p basis van de bestreden besluiten” “onder een vorm van huisarrest [worden] geplaatst”. Zij menen dat de gevolgen van een “gedwongen afzondering” “onomkeerbaar” zijn “in de zin dat de in afzondering doorgebrachte tijd, nooit meer terug komt”. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat zij - “willen of niet” - een “ingrijpende medische behandeling (2 PCR testen)” moeten ondergaan. VII-41.304-10/18 Houden de verzoekende partijen zich niet aan deze regels inzake tijdelijke afzondering (quarantaine) en testing dan voorziet het preventiedecreet in strafsancties. Een en ander geldt volgens de verzoekende partijen niet voor “gevaccineerde personen” “die zich […] nochtans geenszins in een verschillende situatie bevinden”. Volgens de verzoekende partijen is de bedoeling van deze regels de “beloning voor gevaccineerde personen en bestraffing van niet-gevaccineerde personen”. Vervolgens gaan de verzoekende partijen uitgebreid in op de regeling van het zogenaamde ‘COVID Safe Ticket’. Zij ontwaren in de beide regelingen een “eenheid van opzet”: de verwerende partij zou niet-gevaccineerden als “loslopend wild” beschouwen en hun rechten zouden “niet streng genoeg beperkt kunnen worden”. De verzoekende partijen besluiten dat “[i]n het licht van dergelijke uiterst ingrijpende grondrechtenbeperkingen” de gewone schorsingsprocedure niet tijdig soelaas kan bieden om een aanzienlijk nadeel te voorkomen of in zekere mate te herstellen. 7. Een volgend nadeel betrekken de verzoekende partijen op hun “loon en werksituatie”. Zij betogen dat er tijdens een verplichte quarantaine geen recht op loon bestaat. De tweede en vierde verzoeksters zijn leerkracht en kunnen niet thuiswerken. Zij verliezen dus hun inkomen en krijgen het “stigma van ‘niet- gevaccineerde asociaal’ opgekleefd”. Voor hen bestaat geen systeem van tijdelijke VII-41.304-11/18 werkloosheid en niet-gevaccineerde personeelsleden moeten voor de periode van quarantaine onbetaald verlof nemen; zij kunnen zich niet op overmacht beroepen. Tweede verzoekster haalt aan dat zij in een recent verleden vanwege een quarantaine de helft van een maandloon heeft moeten terugbetalen. Mochten haar kinderen en partner achtereenvolgens een besmetting oplopen, dan zou zij een volledig maandloon verliezen. Hetzelfde geldt voor vierde verzoekster, die bovendien alleenstaande moeder van twee jonge kinderen is. Een quarantaine zonder loon zou haar meteen in een “uiterst precaire financiële situatie brengen in die mate dat zij dreigt niet in haar levensonderhoud te kunnen voorzien”. Derde verzoeker stelt werknemer te zijn. Voor werknemers geldt dat, indien zij niet van thuis uit kunnen werken, zij in een stelsel van tijdelijke werkloosheid kunnen terechtkomen. Daarvoor gelden echter voorwaarden. Eén daarvan is dat de onderneming waarin de werknemer werkzaam is, een aanvraag moet indienen. De aanvraag- en toekenningsprocedure is derde verzoeker echter onbestaande. Voorts wijst hij erop dat hij “4 kinderen te onderhouden [heeft] en […] met verlies van loon eveneens snel in een uiterst moeilijke financiële situatie [zou] terechtkomen”. 8. Derde verzoeker geeft aan de huidige vordering ook te hebben ingesteld in de hoedanigheid van ouder van zijn minderjarige dochter. Nu de zogenaamde ‘noodstopprocedure’ is afgeschaft, lijkt het voor hem “zeer waarschijnlijk” dat ingeval van hoogrisicocontact de klasgenoten van zijn dochter “gewoon les krijgen op school” en zijn dochter “in quarantaine thuis zit”. Afstandsonderwijs acht hij dan weer “zeer onwaarschijnlijk”. Daardoor wordt het “leerrecht” van zijn dochter geschonden. Het vormt ook een “aanzienlijk risico op leerachterstand”, zodanig zelfs dat het verlies van een schooljaar dreigt. VII-41.304-12/18 9. Tot slot wijzen de verzoekende partijen ook op een “[n]adeel op vlak van privacy en gegevensbescherming”. Zij voeren aan een “onomkeerbaar nadeel [te] […] lijden” omdat de “opgelegde quarantaine onherroepelijk hun vaccinatiestatus (een uiterst vertrouwelijk medisch gegeven) vanzelfsprekend ‘verraadt’ voor hun werkgever, collega’s, vrienden, enz.”. Daardoor krijgen zij, zo doen zij gelden, “het stigma van niet gevaccineerde ‘asociaal’”. Zij erkennen dat dit nadeel moreel van aard is, maar benadrukken dat die de ernst ervan niet wegneemt. Beoordeling 10. De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op onbetwistbare wijze wordt aangetoond. 11. Het komt er voor verzoekende partijen die beweren dat de zaak zodanig hoogdringend is dat zij zelfs de uitkomst van een gewone vordering tot schorsing niet kunnen afwachten, op aan om van die uiterst dringende noodzaak te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in hun vordering aanvoeren. Dit houdt in dat het aan deze partijen toevalt om in hun verzoekschrift op de omstandigheden van hun zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hen persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen VII-41.304-13/18 worden gedurende de gewone doorlooptijd van zelfs een gewone schorsingsprocedure en waarom de afloop ervan bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partijen worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze het beweerde uiterst hoogdringende karakter van de vordering inderdaad verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 12. Bovendien moet een verzoekende partij diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid. Diligent optreden - dit wil zeggen dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State - is een vereiste dat vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. 13. Wat de voorwaarde van het ‘diligent optreden’ betreft, voeren de verzoekende partijen aan dat zij “binnen 1 week na de publicatie van het eerste bestreden besluit […] en ruim binnen de beroepstermijn na publicatie van het tweede bestreden besluit […] een verzoekschrift hebben ingediend”. 14. Het tweede bestreden besluit dateert van 23 december 2021 en werd op 30 december 2021 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De verzoekende partijen hebben hun vordering op 11 februari 2022 ingesteld. Dat is drieënveertig dagen na de publicatie van het tweede bestreden besluit. Daarmee zijn de verzoekende partijen ontegensprekelijk binnen de beroepstermijn van zestig dagen gebleven, maar die termijn verdraagt zich niet met het vereiste van diligentie. Een en ander klemt des te meer nu de voormelde bepalingen zoals zij met het tweede bestreden besluit in het quarantainebesluit werden ingevoerd, intussen - en ook al op het ogenblik van het instellen van de huidige vordering - reeds gewijzigd zijn, namelijk door de inwerkingtreding van het eerste bestreden besluit. De verzoekende partijen zijn in ieder geval niet met de vereiste diligentie opgekomen tegen het tweede bestreden besluit. VII-41.304-14/18 15. Geen enkel van de door de verzoekende partijen aangevoerde nadelen wordt betrokken op de eerste verzoekende partij. Deze toont bijgevolg niet aan dat een vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid in haren hoofde aanwezig is. 16. Wat het “nadeel op vlak van persoonlijke vrijheid en bescherming van fundamentele rechten” betreft, blijkt dat het “huisarrest” en de “ingrijpende medische behandeling” op grond van de hiervoor aangehaalde eerdere versies van het quarantainebesluit al langer van kracht zijn en dus niet specifiek terug te voeren zijn tot het eerste bestreden besluit. De verzoekende partijen verduidelijken niet waarom deze regels met het eerste bestreden besluit van 14 januari 2022 voor hen een uiterst dringende noodzakelijkheid creëren. Die vaststelling alleen al volstaat om te besluiten dat de verzoekende partijen daarmee en in die mate niet de uiterst dringende noodzakelijkheid van hun vordering aantonen. 17. Dat “de in afzondering doorgebrachte tijd, nooit meer terug komt” verantwoordt evenmin dat toepassing wordt gemaakt van de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid. De redenering van de verzoekende partijen zou immers betekenen dat tegen élke administratieve rechtshandeling de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden aangewend. Het instellen van een annulatieberoep of een vordering tot schorsing verandert niets aan de uitvoerbaarheid van een administratieve rechtshandeling. Een verzoekende partij zal dus steeds de gevolgen van de tenuitvoerlegging van die rechtshandeling moeten ondergaan voor de tijd die nodig is voor de afhandeling van het beroep of de vordering. In geen enkel geval komt die tijd nog terug. 18. Voor zover de verzoekende partijen bedoelen dat het eerste bestreden besluit een - volgens hen - niet-gerechtvaardigd onderscheid VII-41.304-15/18 maakt tussen ‘gevaccineerden’ en ‘niet-gevaccineerden’ en in de mate dat zij betogen dat het uitgangspunt van de verwerende partij is dat de rechten van deze laatsten “niet streng genoeg beperkt kunnen worden” en dat het gaat om “uiterst ingrijpende grondrechtenbeperkingen”, dient erop gewezen dat zij daarmee de ernst van de door hen aangevoerde middelen in de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid betrekken. De voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is nochtans een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het eerste bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. 19. Wat de verzoekende partijen aanvoeren in verband met het ‘COVID Safe Ticket’ vertoont dan weer geen enkele relevantie. Die regels maken immers niet het voorwerp van de voorliggende vordering uit. 20. De verzoekende partijen brengen geen enkel stuk bij waaruit de Raad van State concreet kan opmaken wat de impact van een quarantaine - financieel gezien - voor hen precies zou betekenen. Zij schetsen wel een gezinssituatie, maar laten na duidelijkheid te verschaffen omtrent de inkomsten van eventuele partners en zij bieden evenmin zicht op de omvang van hun financiële verplichtingen. De verzoekende partijen maken het de Raad van State op die manier onmogelijk om uit te maken of een schorsing volgens de gewone procedure wel degelijk te laat zal komen om voor het door hen aangevoerde nadeel nog soelaas te bieden. Dit klemt des te meer nu de door de verzoekende partijen bekritiseerde periode van tijdelijke afzondering beperkt blijft tot tien dagen. De verzoekende partijen maken derhalve niet aannemelijk dat zij een verlies van inkomen voor een dergelijke korte periode onmogelijk zouden kunnen overbruggen. VII-41.304-16/18 21. Derde verzoeker toont niet aan dat hij, in het geval dat hij verplicht in tijdelijke afzondering zou moeten, zijn werk niet van thuis uit zou kunnen verrichten. Voorts maakt hij niet aannemelijk dat de school van zijn dochter geen enkele vorm van begeleiding voorziet voor haar leerlingen die in tijdelijke afzondering verblijven. Die tijdelijke afzondering betekent voor een leerling in werkelijkheid hoogstens een afwezigheid van acht lesdagen. Derde verzoeker betoogt wel, maar toont evenmin overtuigend aan dat die korte periode van afwezigheid het verlies van een schooljaar met zich kan brengen. 22. In de mate dat de verzoekende partijen aanvoeren dat “de opgelegde quarantaine onherroepelijk hun vaccinatiestatus […] ‘verraadt’” en daardoor hun “recht op privacy en gegevensbescherming” schendt, zoeken zij opnieuw aansluiting bij de door hen aangevoerde middelen. Zoals reeds gesteld is de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid een afzonderlijk te onderzoeken schorsingsvoorwaarde en kunnen onwettigheden die tegen het eerste bestreden besluit worden aangevoerd op zich geen reden zijn om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid te aanvaarden. 23. De vrees “het stigma van niet gevaccineerde ‘asociaal’” toegekend te krijgen, vloeit niet rechtstreeks voort uit het bestreden besluit. Het is slechts een perceptie die zij op geen enkel ogenblik concreet maken. 24. Uit wat voorafgaat volgt dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond. Er is dus niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst VII-41.304-17/18 dringende noodzakelijkheid of een vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen worden toegewezen. De vorderingen worden verworpen, zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie te onderzoeken. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vorderingen. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 800 euro, elk voor een vierde, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig februari tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-41.304-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.